Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:7825

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-07-2018
Datum publicatie
20-07-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 13932
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inmiddels is aan kinderen + eiseres kinderpardon verleend. Rb oordeelt dat sprake is van procesbelang nu zij geen zicht heeft op evt. andere belange die spelen. Inhoudelijke beoordeling beroep: beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/13932

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K. van der Heijden).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.

Bij besluit van 22 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 13 oktober 2017 heeft de rechtbank het beroep niet ontvankelijk verklaard omdat eiseres geen gronden van beroep had ingediend. Eiseres heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. Het verzet is op 29 november 2017 gegrond verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres laten weten dat de kinderen van eiseres onder de kinderpardonregeling vallen en daarom is aan hen en aan eiseres een verblijfsvergunning verstrekt. De rechtbank moet daarom beoordelen of sprake is van procesbelang in het deze zaak, nu eiseres inmiddels rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Nu de rechtbank geen zicht heeft op eventuele andere belangen die spelen, oordeelt de rechtbank in dit geval dat sprake is van procesbelang en zal de rechtbank ingaan op de gronden die eiseres heeft aangevoerd.

2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1980 en heeft Armeense nationaliteit. Eiseres heeft reeds op 11 juli 2016 een aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van het Vw ingediend. Ten behoeve van deze aanvraag heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) van de IND op 1 september 2016 een rapportage uitgebracht. Verweerder heeft mede op basis van het BMA advies de aanvraag op 7 september 2016 afgewezen. Het door eiseres tegen deze beschikking ingediende beroepschrift is op 22 februari 2017 ongegrond verklaard.

3. Verweerder heeft de onderhavige aanvraag onder verwijzing naar de eerdere procedure afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene Wet Bestuursrecht (hierna: Awb). Eiseres is in de gelegenheid gesteld aan te tonen welke nieuwe feiten en omstandigheden aan de aanvraag ten grondslag liggen. Hierop is geen reactie gekomen. Vervolgens is het BMA opnieuw verzocht advies uit te brengen en heeft het BMA op 26 juli 2017 een advies uitgebracht op basis van de op dat moment beschikbare medische stukken. Volgens de BMA-arts zal uitblijven van behandeling niet leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn.

In het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd en zich voorts op het standpunt gesteld dat eiseres niet heeft aangetoond dat het BMA advies niet objectief tot stand is gekomen en dat eiseres geen nieuwe relevante medische gegevens heeft overgelegd waardoor getwijfeld moet worden aan de conclusie van het BMA advies. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat een beroep op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) niet kan slagen nu geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Verweerder meent voorts dat de omstandigheden van eiseres niet onder de werkingssfeer van het arrest Paposhvili vallen. Tot slot meent verweerder dat schending van artikel 8 van het EVRM bij een aanvraag op grond van artikel 64 Vw niet wordt meegewogen.

4. Eiseres meent dat verweerder de aanvraag ten onrechte met een beroep op artikel 4:6 van de Awb, in weerwil van Afdelingsjurisprudentie, heeft afgedaan. Voorts meent eiseres dat sprake is van een onzorgvuldige voorbereide beschikking nu niet is getoetst aan het toetsingskader van het arrest Paposhvili. Eiseres meent voorts dat het BMA advies incompleet is, niet voldoet aan de eisen van actualiteit en niet voldoet aan de eisen die sinds het arrest Paposhvili aan een dergelijk BMA onderzoek moeten worden gesteld. Verweerder heeft nagelaten het BMA om aanvullend advies te vragen. Eiseres had voorts moeten worden uitgenodigd voor een consult door de BMA-arts en het BMA advies had in moeten gaan op de vraag of redelijkerwijs van een vreemdeling kan worden gevergd dat die behandeling in het land van herkomst kan worden ondergaan. Verweerder had daarnaast ambtshalve moeten beoordelen of op basis van de discretionaire bevoegdheid en na het maken van een individuele afweging toch had moeten worden afgezien van uitzetting en intrekking van het terugkeerbesluit. Eiser heeft een zwaarwegend belang in Nederland zijn medische behandeling te ondergaan en te worden ondersteund door mantelzorgers, welke mantelzorg in het land van herkomst volledig ontbreekt. Tot slot doet eiseres een beroep op het gelijkheidsbeginsel, nu in andere zaken in afwachting van beleid uitstel van vertrek is verleend.

Oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1759) volgt dat bestuursrechters het zogenoemde ne bis-beoordelingskader in vreemdelingenzaken niet langer toepassen en dat de bestuursrechter het besluit voortaan als uitgangspunt moet nemen bij zijn toetsing en niet meer uit zichzelf zal beoordelen of er sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Omdat verweerder eisers aanvraag met toepassing van artikel 4:6 van de Awb heeft afgewezen, zal de rechtbank beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

6. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen. Dit is slechts anders indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden voordoen als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland (nr. 145/1996/764/965, www.echr.coe.int).

7. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2984) volgt dat, indien en voor zover verweerder een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder strekt dan dat zij naar aanleiding van een daartoe strekkende beroepsgrond beoordeelt of verweerder zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat dit advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder een BMA advies aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder zich er van heeft vergewist dat het BMA advies inzichtelijk en concludent is. Uit het advies blijkt immers dat alle beschikbare medische stukken bij de totstandkoming van het advies zijn betrokken. Daarnaast heeft de BMA arts gemotiveerd waarom hij niet verwacht dat er een medische noodsituatie zal ontstaan bij het uitblijven van behandeling. Eiseres heeft voorts geen stukken overgelegd die doen twijfelen aan het BMA advies. Uit het BMA advies blijkt dat de situatie niet is veranderd ten opzichte van het eerdere BMA advies. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in haar standpunt dat zij opgeroepen had moeten worden voor een consult.

9. De rechtbank overweegt dat voorts uit het BMA-advies is gebleken dat bij in het geval van terugkeer naar het land van herkomst, het achterwege blijven van behandeling niet tot een medische noodsituatie zal leiden. Conform de jurisprudentie van de Afdeling (zie uitspraak van 28 september 2017, r.o. 6.3 en 6.4, ECLI:NL:RVS:2017:2627), beoordeelt verweerder aan de hand van het BMA-advies eerst of een medische noodsituatie zal ontstaan. Is dit niet het geval, dan komt verweerder ook niet toe aan de beoordeling van andere zeer uitzonderlijke omstandigheden. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres zich niet kan beroepen op het Paposhvili-arrest. Ten aanzien van de (nieuwe) medische stukken die eiseres in beroep heeft overgelegd, overweegt de rechtbank dat een beroep op deze stukken niet kan slagen, nu sprake is van een toetsing ex-tunc van het bestreden besluit.

10. Het beroep van eiseres dat verweerder op grond van de Terugkeerrichtlijn gehouden is ambtshalve te toetsen of afgezien moet worden van uitzetting en overgegaan moet worden tot intrekking van het terugkeerbesluit, kan niet slagen. Eiseres heeft deze stelling niet onderbouwd en ook overigens ziet de rechtbank voor dit standpunt geen wettelijke grondslag.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.