Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:7765

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-05-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
SGR 17/7147
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen recht op Wlz-zorg. Ontbreken bewijs verstandelijke handicap voor 18de levensjaar. Multiproblematiek m.n. door psychische stoornis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/7147

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 mei 2018 in de zaak tussen

[naam] , handelende in zijn hoedanigheid van curator van zijn broer, [naam], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. W.A. Timmer),

en

Centrum indicatiestelling zorg (CIZ), verweerder

(gemachtigde: mr. L.M.R. Kater).

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de broer van eiser op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) vanaf 24 januari 2017 voor onbepaalde tijd geïndiceerd voor het zorgprofiel [zorgprofiel], Beschermd wonen met zeer intensieve zorg, vanwege specifieke aandoeningen, met nadruk op begeleiding, op basis van een persoonsgebonden budget (pgb).

Bij besluit van 28 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de indicatie per 10 november 2017 beëindigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2018.

Eiser is verschenen, vergezeld door zijn broer [naam] en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. De broer van eiser, geboren op [geboortedatum] 1965, lijdt aan schizofrenie, gedesorganiseerde type. Hij lijdt voorts, onder meer, aan chronische obstructieve bronchitis. Bij indicatiebesluit van 23 mei 2011 heeft verweerder de broer van eiser vanaf 23 mei 2011 tot en met 22 mei 2026 in aanmerking gebracht voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Daarbij is de broer van eiser geïndiceerd voor het zorgzwaartepakket [zorgzwaartepakket], op basis van een pgb.

1.2

Op 10 december 2016 heeft eiser een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wlz. Naar aanleiding hiervan heeft medisch adviseur [medisch adviseur 1] op 12 januari 2017 een medisch advies uitgebracht. Op, eveneens, 12 januari 2017 heeft verweerder eiser en zijn broer thuis bezocht. Op 24 januari 2017 heeft [medisch adviseur 1] een aanvullend medisch advies uitgebracht.

2.1

Verweerder heeft de hierboven genoemde adviezen ten grondslag gelegd aan het primaire besluit. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de broer van eiser in aanmerking komt voor Wlz‑zorg, omdat hij als gevolg van zijn geestelijk en lichamelijk functioneren voortdurend begeleiding en zorg nodig heeft.

2.2

Naar aanleiding van het bezwaar van eiser, waarin hij heeft aangevoerd dat zijn broer in aanmerking moet worden gebracht voor zorgprofiel VG 07 of, subsidiair, zorgprofiel LG 07, heeft arts en medisch adviseur [arts&medisch adviseur] op 14 juli 2017 een medisch advies uitgebracht. Op 27 september 2017 heeft het Zorginstituut Nederland (ZIN), op verzoek van verweerder, ook een (medisch) advies uitgebracht. In beide adviezen wordt geconcludeerd dat de broer van eiser niet in aanmerking komt voor Wlz‑zorg. Verweerder heeft deze adviezen overgenomen en ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit.

3. Volgens eiser komt het bestreden besluit in strijd met het verbod op reformatio in peius, nu het bestreden besluit, ten opzichte van het primaire besluit, negatief voor zijn broer uitpakt. Inhoudelijk betoogt eiser dat verweerder ten onrechte niet de grondslag verstandelijke handicap heeft gesteld, nu deze handicap zich reeds voor zijn 18e levensjaar heeft geopenbaard bij de broer van eiser. Ter onderbouwing heeft eiser in beroep (medische) informatie overgelegd, waaronder een brief van 29 juni 2000 van het Hooge Burch Ambulatorium SGLVG, een ongedateerd advies van psycholoog [psycholoog] en een specialistenbericht van 26 maart 2018 van het GGZ‑team [naam wijk]. Subsidiair heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet de grondslag lichamelijke handicap heeft gesteld. Eiser voert aan dat de bewijslast in deze op verweerder rust omdat het bestreden besluit een belastend besluit is. Bovendien verkeert eiser in bewijsnood, om welke reden hem het voordeel van de twijfel zou moeten worden gegund. Hij beschikt namelijk niet over informatie met betrekking tot het cognitieve functioneren van zijn broer voor diens 18e levensjaar.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van het beroep op reformatio in peius

5.1

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 17 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3077) staat de rechtszekerheid in de weg aan intrekking van een indicatiebesluit met terugwerkende kracht, maar niet aan intrekking daarvan met ingang van een datum die op zijn vroegst gelijk is aan de datum van de beslissing op bezwaar.

5.2

De rechtbank constateert dat verweerder een periode van 6 weken na het bestreden besluit in acht heeft genomen. Gelet op rechtsoverweging 5.1, heeft verweerder dan ook niet in strijd met de rechtszekerheid gehandeld en is het verbod op reformatio in peius niet overtreden.

Ten aanzien van de aanspraak op de Wlz

6.1

In artikel 3.2.1 van de Wlz is geregeld wanneer aanspraak bestaat Wlz‑zorg. Uit dit artikel volgt dat voor een recht op Wlz‑zorg sprake dient te zijn van een zorgbehoefte die voortvloeit uit een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap. De grondslag psychiatrie is niet opgenomen in de aanhef van artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is dat een bewuste keuze geweest van de wetgever. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 891, nr. 3, p. 146) wordt opgemerkt dat het gegeven dat een psychiatrische aandoening niet langer een grondslag biedt voor Wlz-zorg, niet uitsluit dat zorg voor een psychische stoornis ten laste van de Wlz wordt verleend aan een verzekerde die recht heeft op zorg op grond van deze wet in verband met een andere grondslag. Op p. 121 van de Memorie van Toelichting staat dat mensen die naast hun somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of naast hun verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap op grond waarvan zij een Wlz-indicatie hebben gekregen, bijkomende psychische problemen hebben wèl in aanmerking komen voor behandeling van hun psychische problemen in de Wlz, indien zij op grond van die aandoening, beperking of handicap voldoen aan de gestelde criteria. De wetgever heeft dit, als volgt, nader toegelicht (Kamerstukken II 2013/14, 33 891, nr. 9, p. 99): “Het kan voorkomen dat er sprake is van multiproblematiek […]. In het geval van een verstandelijke beperking in combinatie met een psychische stoornis zal het CIZ bezien of de verstandelijke beperking dusdanig ernstig is dat aan de toegangscriteria van de Wlz wordt voldaan. Indien dit het geval is komt de verzekerde in aanmerking voor de Wlz. In geval de psychische stoornis vooral de noodzaak tot zorg veroorzaakt, ligt behandeling vanuit de Zvw meer voor de hand.” Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat een verzekerde slechts toegang tot Wlz‑zorg heeft, indien de in de aanhef van artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz genoemde grondslagen leiden tot een blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid zoals omschreven in datzelfde artikel onder het eerste lid, aanhef en onder a of b. Indien deze grondslagen slechts in combinatie met een psychiatrische grondslag tot een dergelijke blijvende behoefte leiden bestaat geen recht op Wlz‑zorg (zie de uitspraak van 24 januari 2018 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), ECLI:NL:CRVB:2018:334).

6.2

Op grond van bijlage II, artikel 3.1, van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2017 (de Beleidsregels), voor zover hier van belang, vindt een somatische aandoening of beperking zijn oorzaak in een actuele somatische ziekte of aandoening.

Op grond van bijlage II, artikel 3.2, van de Beleidsregels, is ook een lichamelijke handicap op te vatten als een fysieke aandoening. Wanneer sprake is van beperkingen als gevolg van stoornissen van het zenuwstelsel en het bewegingsapparaat (bot-/spierstelsel, gewrichten en bindweefsel) waarbij geen functionele verbetering meer mogelijk is (er kan nog wel sprake zijn van een verslechtering) en er geen sprake is van een terminale situatie, dan is de grondslag lichamelijke handicap van toepassing. Het vaststellen van de mogelijkheid tot een functionele verbetering is aan de behandelend arts.

Op grond van bijlage II, artikel 3.4, van de Beleidsregels is er sprake van een grondslag verstandelijke handicap als een verzekerde een normscore van 70 of lager behaalt op een algemene en voor hem valide intelligentietest; en er dusdanige beperkingen in het adaptief functioneren zijn vastgesteld dat verzekerde aangewezen is op blijvende ondersteuning om de deficiënties in het adaptief vermogen te beperken ten einde ernstig nadeel voor verzekerde te voorkomen; en de beperkingen op deze terreinen al voor het 18e jaar aanwezig zijn. Bij dit laatste vereiste is als opmerking geplaatst dat een intelligentietest soms nog niet is afgenomen voor de 18e verjaardag, maar dat op grond van de ontwikkelingsanamnese van verzekerde aannemelijk is dat de beperkingen reeds voor het 18e levensjaar aanwezig waren en kan worden uitgesloten dat er andere oorzaken zijn voor een achteruitgang in cognitief functioneren na het 18e levensjaar.

Afhankelijk van de ernst van de beperkingen in het adaptief functioneren, en de eventuele aanwezige gedragsproblemen, kan volgens de Beleidsregels ook een IQ‑score tussen de 70 en 85 tot een grondslag verstandelijke handicap leiden als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: de verzekerde behaalt een normscore tussen de 70 en 85 op een algemene en voor hem valide intelligentietest, en; uit de bovengenoemde professionele beoordeling moet blijken dat verzekerde als gevolg van zijn verstandelijke beperkingen afhankelijk is van intensieve ondersteuning in de conceptuele, sociale en praktische domeinen, ter voorkoming van ernstig nadeel voor verzekerde. Bij deze professionele beoordeling wordt ter ondersteuning van de onderzoeksbevindingen bij voorkeur gebruik gemaakt van één van de binnen de beroepsgroep gebruikelijke testen om het adaptief functioneren in kaart te brengen. In ieder geval dient uit het professionele onderzoek een duidelijk beeld verkregen te worden van de actuele stoornissen en beperkingen en de mate van ondersteuning waarop verzekerde is aangewezen. De beperkingen op bovengenoemde terreinen moeten al voor het 18e jaar aanwezig zijn.

6.3

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 16 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3266) een advies van een medisch adviseur een deskundigenadvies is. Het bestuursorgaan mag, indien een zodanig advies op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, bij de besluitvorming in beginsel van het advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid daarvan.

6.4

De in 1.2 en 2.2 genoemde adviezen zijn tot stand gekomen door middel van dossieronderzoek en een huisbezoek, waarbij kennis is genomen van, onder meer, de volgende medische informatie uit de behandeld sector: een huisartsenbericht van 17 oktober 2016, een behandelplan met diagnose van Parnassia (GGZ‑team [naam wijk]) van 3 maart 2016 en een brief van 2 december 2014 naar aanleiding van een klinisch genetisch onderzoek bij het Leids Universitair Medisch Centrum.

Medisch adviseur [medisch adviseur 1] heeft in de primaire fase op basis van voornoemd onderzoek in zijn aanvullend advies van 24 januari 2017 geconcludeerd dat de grondslag verstandelijke handicap niet kan worden vastgesteld, omdat niet is aangetoond dat het cognitieve verval al dusdanig ernstig was voor het 18e levensjaar dat er toen al kon worden gesproken over functioneren op verstandelijk beperkt niveau. De grondslag lichamelijke handicap kan volgens hem echter wel worden gesteld op basis van het cognitieve verval, nu hierdoor sprake is van niet‑aangeboren hersenletsel.

Medisch adviseur [arts&medisch adviseur] heeft in de bezwaarfase in het advies van 14 juli 2017, op basis van voornoemde informatie, echter geconcludeerd dat noch de grondslag verstandelijke handicap noch de grondslag lichamelijke handicap kan worden gesteld. Volgens hem lijdt de broer van eiser primair aan een ernstige psychiatrische aandoening, te weten schizofrenie, en lijdt hij daardoor aan cognitief verval. Voorts heeft [arts&medisch adviseur] geconcludeerd dat de broer van eiser weliswaar lijdt aan een somatische aandoening, te weten: chronische obstructieve bronchitis, maar niet in die mate dat hij in aanmerking komt voor Wlz‑zorg.

De medisch adviseur van het ZIN heeft in het advies van 27 september 2017, eveneens op basis van voornoemde informatie, geconcludeerd dat het onderzoek van [arts&medisch adviseur] zorgvuldig was en dat de daarop gebaseerde conclusies juist zijn.

6.5

Verweerder heeft in beroep een aanvullend medisch advies van 6 april 2018 en een aanvullend medisch advies van 10 april 2018 van medisch adviseur [medisch adviseur 2] overgelegd. Bij deze adviezen heeft [medisch adviseur 2] de door eiser in beroep overgelegde medische informatie betrokken en geconcludeerd dat deze informatie geen aanleiding geeft om het medisch advies van 14 juli 2017 aan te passen.

6.6

De rechtbank is van oordeel dat de medische adviezen waarop het bestreden besluit berust op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De rechtbank is voorts van oordeel dat in deze medische adviezen inzichtelijk en concludent is gemotiveerd dat geen sprake is van de grondslag verstandelijke handicap. Zij neemt hierbij in aanmerking dat er geen medische informatie van vóór het 18e levensjaar van de broer van eiser voorhanden is en dat uit de latere informatie over die periode, zoals onder meer door [arts&medisch adviseur] is overwogen, blijkt dat de broer van eiser heeft deelgenomen aan het regulier basisonderwijs, en tot en met het tweede jaar LEAO (thans vmbo) heeft gevolgd. Daarna openbaarde de schizofrenie zich. Eerst geruime tijd nadat eiser volwassen was, op zijn 25ste levensjaar, worden cognitieve beperkingen bij de broer van eiser vastgesteld. Voor na het 18de levensjaar vastgestelde cognitieve beperkingen door of in combinatie met een psychiatrische aandoening kan echter, gelet op de Beleidsregels, niet de grondslag verstandelijke handicap worden gesteld. In het geval van eiser is niet gebleken en is op basis van de beschikbare informatie ook niet aannemelijk dat deze handicap zich al voordeed vóór het 18de levensjaar. De gestelde bewijsnood, wat daar ook van zij, kan er niet toe leiden dat eisers broer in strijd met de regelgeving en de Beleidsregels toch in aanmerking wordt gebracht voor Wlz-zorg.

6.7

De rechtbank is van oordeel dat in de medische adviezen eveneens inzichtelijk en concludent is gemotiveerd dat evenmin sprake is van een somatische aandoening in die mate dat aanspraak kan worden gemaakt op Wlz‑zorg. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de broer van eiser slechts recht heeft op Wlz‑zorg als deze beperkingen onafhankelijk van zijn psychiatrische aandoening tot een blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid leiden. Daarvan is niet gebleken.

6.8

Gelet op het in 6.6 en 6.7 overwogene, ziet de rechtbank evenmin aanleiding om, zoals eiser ter zitting heeft verzocht, een deskundige te benoemen.

7. Eisers stelling dat de bewijslast in deze op verweerder rust, kan de rechtbank niet volgen. Het betreft hier een besluit op een aanvraag om toekenning van Wlz-zorg en niet om een besluit tot beëindiging van reeds eerder toegekende zorg.

8. Het beroep van eiser is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 31 mei 2018 door mr. A.M.M. Vingerling, voorzitter, en mr. D.A.J. Overdijk en mr. O.M. Harms, leden, in aanwezigheid van mr. M. Demoed‑van Dongen, griffier.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.