Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:773

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-01-2018
Datum publicatie
06-02-2018
Zaaknummer
09/084333-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van discriminatie op grond van ras

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/084333-16

Datum uitspraak: 26 januari 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de, op 12 januari 2018, door de politierechter naar de meervoudige strafkamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 13 juni 2016 (politierechter) en 12 januari 2018 (politierechter en vervolgens meervoudige kamer).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. I. Doves, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. P. J. Hoogendam, advocaat te Den Haag, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is  na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting  ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 februari 2016 te ‘s-Gravenhage, in de uitoefening van zijn ambt, beroep en/of bedrijf, te weten als portier/uitsmijter van de uitgaansgelegenheid [naam café] , een of meer perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , opzettelijk heeft gediscrimineerd wegens zijn/hun ras (namelijk wegens zijn/hun donkere althans getinte huidskleur en/of zijn/hun niet-Nederlandse etnische afkomst) door hen de toegang

tot die uitgaansgelegenheid te ontzeggen en/of te zeggen dat zij eerst een vrouw moesten scoren;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 28 februari 2016, te ‘s-Gravenhage, in de uitoefening van zijn ambt, beroep en/of bedrijf, te weten als portier/uitsmijter van de uitgaansgelegenheid [naam café] , een of meer perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gediscrimineerd wegens zijn ras (namelijk wegens zijn/hun donkere althans getinte huidskleur en/of zijn/hun niet-Nederlandse etnische herkomst) door hen de toegang tot die uitgaansgelegenheid te ontzeggen en/of hen te zeggen dat zij eerst een vrouw moesten scoren.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

[slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) waren op 28 februari

2016, kort na middernacht, in het centrum van Den Haag en voornemens café [naam café] te

bezoeken. Verdachte was op dat moment werkzaam als beveiligerportier van [naam café] en heeft [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uit dien hoofde de toegang tot [naam café] geweigerd. Verdachte heeft daarbij, zo heeft hij zelf verklaard, tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gezegd dat zij een dame mee zouden kunnen nemen. Het café binnenkomen zou dan makkelijker gaan, zo verklaarde verdachte ter terechtzitting.

De vraag die voor ligt is of verdachte bezoekers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gediscrimineerd wegens hun ras.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan. Op basis van de bewijsmiddelen kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij café [naam café] geweigerd zijn op grond van hun uiterlijk, dat naar huidskleur en ras onderscheidend is. Verdachte heeft niet de huisregels van [naam café] gehanteerd. Het was geen beleid dat mannen  wanneer het evenwicht manvrouw in het café verstoord dreigde te raken  enkel tezamen met een vrouw naar binnen zouden mogen. Verdachte heeft een eigen reden verzonnen om de mannen te weigeren, op grond van onderbuikgevoel en eigen overtuiging. Daarnaast is op de camerabeelden in het dossier zichtbaar dat kort voor het onderhavige voorval, twee blanke en jong ogende mannen direct het café mochten betreden, terwijl een getinte (niet te jong ogende) man werd tegengehouden en pas werd binnengelaten nadat hij iets wat lijkt op een identiteitsbewijs had laten zien. De conclusie moet volgens de officier van justitie zijn dat verdachte de mannen met zijn (bewuste) handelen opzettelijk heeft gediscrimineerd.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn niet vanwege hun afkomst of uiterlijk geweigerd. Zoals verdachte heeft verklaard is de mannen om geëigende redenen de toegang geweigerd. De minimale leeftijd voor bezoekers van [naam café] is 23 jaar. [slachtoffer 1] werd vanwege zijn voor verdachte jong ogende uiterlijk om zijn identiteitsbewijs gevraagd. Dat kon hij niet tonen. Daarbij was het erg druk in het café en vond verdachte de houding van de mannen niet prettig. De mannen waren bovendien geen vaste klanten. In het café waren mensen van heel verschillende afkomst aanwezig. Het dossier biedt geen, althans onvoldoende bewijs voor discriminatie.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Voor het bewezen verklaren van discriminatie in de zin van artikel 137g Wetboek van Strafrecht en/of artikel 429quater Wetboek van Strafrecht, moet sprake zijn van het maken van onderscheid op grond van ras. Ras betekent in deze zin ook huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming.1

Vast staat dat verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de toegang heeft geweigerd en hun daarbij heeft gezegd dat zij een dame mee zouden kunnen nemen (of woorden van gelijke strekking). De rechtbank acht op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting echter niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bezoekers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hierbij heeft gediscrimineerd op grond van ras. Zij overweegt daartoe het volgende.

Ten eerste verklaart verdachte zelf (stellig) dat hij de mannen om gebruikelijke en niet discriminerende redenen de toegang heeft geweigerd. De inhoud van het dossier noopt niet tot de conclusie dat die verklaring van verdachte niet juist zou kunnen zijn. Verdachte heeft bij die weigering weliswaar (ook) iets gezegd over het meenemen van een dame, maar deze opmerking duidt  hoewel niet chique  niet op het maken van onderscheid op grond van uiterlijkras. Bovendien verklaren zowel verdachte als [slachtoffer 1] dat de afkomst van de mannen niet ter sprake is geweest.

Hetgeen op de camerabeelden zichtbaar is, kan evenmin leiden tot de conclusie dat sprake is van discriminatie. Ten eerste is voor de rechtbank niet komen vast te staan dat verdachte de portier is die op de beelden zichtbaar is. Daarbij volgt uit de camerabeelden niet dat er een beleid wordt gevoerd waarbij bezoekers met een onderscheidend uiterlijk de toegang wordt geweigerd.

Niet geconcludeerd kan daarom worden dat de onderscheidende uiterlijke kenmerken of de afkomst van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een rol hebben gespeeld toen hun de toegang tot café [naam café] werd geweigerd. Dat verdachte de mannen heeft gediscrimineerd op grond van ras is dan ook niet komen vast te staan. Verdachte zal zowel van het primair als subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

4 De vordering benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 500,-, betreffende immateriële schade.

Aangezien verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen waarop de vordering betrekking heeft, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

Het vorenstaande brengt met zich dat de rechtbank de benadeelde partij zal veroordelen in de kosten die verdachte tot aan deze uitspraak ter verdediging tegen die vordering heeft gemaakt. Deze kosten begroot de rechtbank tot op heden op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem (primair en subsidiair) ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die verdachte tot aan deze uitspraak ter verdediging tegen die vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D. A. C. Koster, voorzitter,

mr. W.N.L. Donker, rechter,

mr. M.H. Erich, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. Imami-Kalloemisier, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 januari 2018.

Mr. W.N.L. Donker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Artikel 1 van het Internationaal Verdrag van New York van 7 maart 1966 inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie.