Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:7610

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
26-06-2018
Zaaknummer
AWB 17/14487
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor het doel ‘uitoefenen van privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM’. Eiser heeft aangevoerd dat hij al meer dan 30 jaar in Nederland verblijft, dat hij perfect Nederlands spreekt waardoor hij in belangrijke mate is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving en hij een sterke band met Nederland heeft. Niet in geschil is dat er sprake is van een beschermingswaardig privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in de belangenafweging niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de afwijzing van de aanvraag geen strijd oplevert met artikel 8 EVRM. Verweerder heeft alle door eiser aangevoerde omstandigheden kenbaar betrokken. Daarbij heeft verweerder ook betrokken dat eiser nimmer in het bezit is geweest van een geldige verblijfsstatus. Voorts heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding gezien om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid. Verder heeft verweerder een afdoende toelichting gegeven met betrekking tot de hoogte van de leges.

Wetsverwijzingen
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/14487 (beroep)

AWB 17/1488 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 19 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Marokkaanse nationaliteit,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. S. Thelosen, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder,

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2016 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor het doel “uitoefenen van privéleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)” afgewezen. Ook heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Bij besluit van 30 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft op 6 maart 2017 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.
    Eiser stelt in 1984 Nederland te zijn binnengekomen. Hij is nimmer in het bezit geweest van een geldige verblijfsstatus.

  2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op grond van het volgende. Eiser heeft in Nederland privéleven. Echter, de belangen van eiser, om zijn privéleven in Nederland uit te oefenen, wegen minder zwaar dan het belang van de Nederlandse overheid bij eisers uitzetting. Daarom acht verweerder de afwijzing van de aanvraag niet in strijd met artikel 8 EVRM. Nu eiser niet voldoet aan de voorwaarden van de gevraagde verblijfsvergunning, heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Niet is gebleken dat eiser voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking komt.

  3. Eiser voert aan dat verweerder in het kader van artikel 8 EVRM een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt. Het belang van eiser om in Nederland zijn privéleven uit te oefenen weegt zwaarder om de volgende redenen. Eiser verblijft langer dan dertig jaar in Nederland. Ook dient in de belangenafweging gewicht te worden toegekend aan het feit dat eiser perfect Nederlands spreekt. Hierdoor is hij in belangrijke mate geïntegreerd in de Nederlandse samenleving en heeft hij een sterkte band met Nederland. Door zijn lange afwezigheid heeft hij geen banden meer met Algerije.
    Ook is van belang dat los van eisers vertrekplicht, verweerder ook een verantwoordelijkheid heeft bij de uitzetting van eiser. Uit het dossier blijkt dat eiser op [datum] 2006 voor het laatst uit vreemdelingenbewaring is ontslagen. Niet is gebleken dat verweerder sindsdien aan eisers terugkeer naar Algerije heeft gewerkt. Sinds 2006 heeft eiser meerdere contactmomenten met verweerder gehad en ook via zijn gemachtigde had verweerder eiser op ieder gewenst moment kunnen bereiken. Onder deze omstandigheden mag er vanuit worden gegaan dat verweerder zich heeft neergelegd bij eisers verblijf in Nederland.
    Eisers langdurig en uitzichtloos illegaal verblijf in Nederland levert een onmenselijke situatie op als bedoeld in artikel 3 EVRM. Ook deze omstandigheid had verweerder in zijn belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM dienen te betrekken, hetgeen verweerder ten onrechte niet heeft gedaan.

3.1

Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van eiser sprake is van een beschermenswaardig privéleven in de zin van artikel 8 EVRM in Nederland. Ter beoordeling ligt voor of verweerder een juiste belangenafweging heeft gemaakt.

3.2

De rechtbank dient te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het privéleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend is.

3.3

Verweerder heeft in zijn belangenafweging het volgende betrokken. Eiser verblijft weliswaar langdurig in Nederland, maar hij is nooit in het bezit geweest van een verblijfsvergunning. In een situatie van illegaal verblijf dient sprake te zijn van zeer uitzonderlijke omstandigheden wil uitzetting strijd opleveren met artikel 8 EVRM. Van dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden is in het geval van eiser geen sprake. De enkele omstandigheid dat eiser langdurig in Nederland verblijft acht verweerder niet doorslaggevend. Eiser heeft er zelf voor gekozen zijn illegaal verblijf in Nederland voort te zetten, terwijl eiser wist dat verblijf in Nederland niet was toegestaan. Het feit dat eiser de Nederlandse taal spreekt acht verweerder inherent aan eisers lange verblijf in Nederland. Het enkel spreken van de taal maakt nog niet dat eiser in belangrijke mate is geïntegreerd in de Nederlandse maatschappij. Verweerder acht hier van belang dat eiser een baan heeft noch een inkomen heeft en geen opleiding volgt of zich op enige wijze inzet voor de Nederlandse samenleving. Eisers verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 mei 2016 (201503872/1/V1) brengt verweerder niet tot een ander besluit, omdat geen sprake is van een vergelijkbare zaak. Met betrekking tot eisers banden met Algerije heeft verweerder in de belangenafweging betrokken dat eiser zijn vormingsperiode in Algerije heeft gewoond, de taal spreekt en bekend is met de cultuur. Verweerder heeft niet miskend dat een langdurig en uitzichtloos illegaal verblijf in Nederland kan worden aangemerkt als een onmenselijke behandeling, maar daarvan is in dit geval volgens verweerder geen sprake, omdat niet is gebleken dat eiser niet kan terugkeren naar Algerije. Daarom is in het geval van eiser geen sprake van een uitzichtloos illegaal verblijf.

3.4

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in zijn belangenafweging alle door eiser aangevoerde omstandigheden betrokken en heeft verweerder zich op grond van die belangenafweging niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de afwijzing van de aanvraag geen strijd oplevert met artikel 8 EVRM. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder kennelijk in eisers verblijf in Nederland heeft berust. Weliswaar heeft verweerder sinds 2006 geen concrete uitzettingshandelingen meer verricht, echter uit het dossier blijkt genoegzaam dat het verweerder niet is gelukt hem uit Nederland te verwijderen, omdat eiser zich heeft bediend van meerdere aliassen, zijn identiteit nooit met originele identificerende documenten heeft aangetoond en eiser nooit vrijwillig heeft meegewerkt aan zijn vertrek. Er is geen sprake van een situatie waarin verweerder het verblijf van eiser (langdurig) heeft gedoogd. Daarbij is ook van belang dat als uitgangspunt geldt dat van iedere vreemdeling wordt verlangd dat hij meewerkt aan zijn vertrek, gelet op de op hem rustende vertrekplicht. Eisers verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 31 mei 2017 (JV 2017/159) en de verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 23 oktober 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:13496) heeft verweerder niet tot een ander besluit hoeven brengen. Verweerder heeft gemotiveerd aangegeven dat geen sprake is van vergelijkbare zaken.
De beroepsgrond slaagt niet.

4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om met toepassing van zijn discretionaire bevoegdheid eiser de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen. Eiser heeft in dit verband gewezen op zijn persoonlijke omstandigheden. Verweerder is hier niet uitdrukkelijk gemotiveerd op ingegaan en heeft ten onrechte verwezen naar zijn overwegingen in het kader van artikel 8 EVRM en naar zijn overwegingen in het kader van de medische omstandigheden. Verweerder heeft ten onrechte geen inzicht gegeven in de weging van de verschillende factoren. Eiser wijst in dit verband op de brief gericht aan de Tweede Kamer van 21 februari 2017 (TK 2006-2007, 19637, nr 1131) en de door de toenmalige Minister Leers opgestelde vragenlijst van 16 oktober 2012.

4.1

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding gezien om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid. Ter motivering heeft verweerder in dit geval op goede gronden verwezen naar de motivering in het bestreden besluit waarom geen sprake is van schending van artikel 8 EVRM en naar de motivering in het bestreden besluit waarom eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op medische gronden. Immers, de argumenten die eiser in dit verband heeft aangevoerd zijn door verweerder uitgebreid gemotiveerd en inzichtelijk beoordeeld en eiser heeft in dit kader geen andere argumenten naar voren gebracht die verweerder in redelijkheid tot een ander besluit hadden moeten brengen. Gelet daarop volstaat verweerders verwijzing naar de belangenafweging zoals die is gemaakt.
De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser voert aan dat verweerder aan zijn standpunt, dat eiser bij terugkeer niet in een medische noodsituatie zal komen te verkeren, niet het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 11 mei 2017 en het aanvullende BMA-advies van 12 juli 2017 ten grondslag heeft kunnen leggen. Het BMA heeft niet in zijn advisering betrokken dat eisers leeftijd steeds meer parten gaat spelen, hetgeen is bevestigd door zijn huisarts bij brief van 20 juni 2017. Dit heeft het BMA niet uitdrukkelijk in zijn advies betrokken. Daarmee is het BMA-advies van 12 juli 2017 onvoldoende inzichtelijk.

5.1

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling moet verweerder zich, indien hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, ingevolge artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) ervan vergewissen dat dit – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. Als aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de beoordeling van een aanvraag van een zodanig advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies.

5.2

Uit het BMA-advies van 11 mei 2017 blijkt dat in het advies informatie van [naam 1] , huisarts, van 13 april 2017 en informatie van [naam 2] , psychiater te [plaats] , van 19 april 2017 is betrokken. Op grond van de beschreven klachten en de behandeling die eiser daarvoor ontvangt heeft het BMA geconcludeerd dat in eisers geval bij uitblijven van behandeling geen medische noodsituatie op korte termijn zal ontstaan. Naar aanleiding van dit BMA-advies heeft eiser een brief van zijn huisarts, [naam 1] , van 20 juni 2017 overgelegd waarin de huisarts toelicht en met klem wijst op het feit dat eisers situatie de afgelopen vijftien jaar in toenemende mate is verslechterd, zowel psychisch als lichamelijk. Verweerder heeft deze brief voorgelegd aan het BMA. Het BMA heeft in een aanvullende nota van 12 juli 2017 aangegeven dat deze brief niet afdoet aan de grondslag van het BMA-advies van 11 mei 2017 en dat daarom dit BMA-advies wordt gehandhaafd.

5.3

Gezien de inhoud van het BMA-advies van 11 mei 2017 en het aanvullende advies van 12 juli 2017 is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze naar inhoud zorgvuldig en inzichtelijk tot stand zijn gekomen. De brief van de huisarts van 20 juni 2017 heeft verweerder voorgelegd aan het BMA en is door het BMA betrokken. De rechtbank ziet in hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de advisering niet zorgvuldig is verricht, dan wel dat het advies, naar inhoud, niet inzichtelijk is. Nu eiser in beroep geen contra-expertise heeft overgelegd, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte de advisering van het BMA aan zijn standpunt ten grondslag heeft gelegd.
De beroepsgrond slaagt niet.

6. Eiser voert aan dat het inreisverbod onrechtmatig is, omdat de afwijzing van de aanvraag eveneens onrechtmatig is.

6.1

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat verweerder op goede gronden de aanvraag van eiser heeft afgewezen. Al daarom heeft de stelling van eiser geen kans van slagen. De verwijzing van eiser naar zijn bezwaarschrift in dit kader zonder concreet aan te geven waarom verweerders motivering in het bestreden besluit niet deugdelijk is, betreft geen beroepsgrond die een rechterlijke beoordeling behoeft. De beroepsgrond treft geen doel.

7. Eiser voert aan dat de geheven leges disproportioneel hoog zijn. Verweerder heeft niet toegelicht dat de geheven leges overeenkomen met de kostprijs.

7.1

Verweerder heeft zich op het volgende standpunt gesteld. De hoogte van de legestarieven zijn gebaseerd op de kostprijs in combinatie met beleidsmatige motieven, waaronder begrepen internationaalrechtelijke verplichtingen. De toenmalige minister heeft een en ander toegelicht in zijn brief gericht aan de Tweede Kamer van 31 januari 2012 (Kamerstukken II 2011-2012, 30 573, nr. 94). In deze brief heeft de toenmalige minister de opbouw van de legeskostprijzen nauwkeurig uiteengezet. Daarnaast vormen jurisprudentie en internationale verplichtingen een begrenzing voor de hoogte van de legesheffing. De wijzigingen in verband met de inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid zijn opgenomen in de Regeling van 27 maart 2013 tot wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (Stcrt. 9 april 2013, nr. 9199, 116e wijziging). In de toelichting hierop (pagina 40 en 41) wordt vermeld dat bij het vaststellen van de legestarieven voor het moderne migratiebeleid over het algemeen is aangesloten bij de tarieven zoals die voor de inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid van toepassing zijn en dat bij het vaststellen van het nieuwe legeshuis is gestreefd naar vereenvoudiging van het legesstelsel. Deze vereenvoudiging bestaat uit gelijkschakeling van de legesbedragen voor een aantal aanvragen en een afname van het aantal legesfeiten na de eerste aanvraag, doordat verblijfsvergunningen in vrijwel alle gevallen voor een langere verblijfsduur worden verleend. Dat voornoemde vereenvoudiging ook een lager legesbedrag tot gevolg moet hebben is een conclusie die op dit moment niet kan worden getrokken, omdat nog niet bekend is wat de exacte gevolgen van de vereenvoudiging zijn voor de kostprijs van de verschillende producten. Dit ligt voor de aanvraag van de vreemdeling bovendien niet in de rede, omdat de Wet modern migratiebeleid voor de beperking 'arbeid als zelfstandige' geen directe ingrijpende gevolgen heeft gehad.

Hoewel in 2015 en 2016 tijdstudies hebben plaatsgevonden om tot nieuwe kostprijzen te komen is ervoor gekozen de leges niet op basis daarvan aan te passen. Reden hiervoor is dat door de hoge instroom van asielzoekers in de periode 2014-2016 de tijdsinzet van personeel op de producten sterk verschilt ten opzichte van tijdstudies in de periode voor de hoge instroom. Hetzelfde geldt voor de overheadkosten, die op basis van de tijdsinzet aan producten toegerekend worden. Hierdoor is een disbalans in de toerekening daarvan opgetreden en is deze niet meer representatief. De in 2015 en 2016 gemeten kostprijzen zijn niet voldoende representatief en toekomstbestendig gebleken om op basis daarvan de leges aan te passen. Een nieuwe berekening van de kostprijzen zal echter op korte termijn plaatsvinden.

7.2

Verweerder heeft met deze toelichting inzicht gegeven in de opbouw van de legeskostprijzen, de vaststelling van de legestarieven en hoe het in deze procedure aan de orde zijnde legesbedrag is gerelateerd aan de behandeling van de aanvraag. Tevens heeft verweerder uitgelegd waarom het nog niet mogelijk is gebleken om afdoende representatieve en toekomstbestendige kostprijzen te berekenen op basis waarvan de legesbedragen zo nodig kunnen worden aangepast. Die uitleg acht de rechtbank, in navolging van het oordeel van de Afdeling in diens uitspraak van 12 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:85), niet onredelijk.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Verzoek om een voorlopige voorziening

10. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

10. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2018.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.