Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:7602

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
26-06-2018
Zaaknummer
AWB 17/7801
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juni 2016, rechtsoverweging 4.8, verweerder verzocht om zijn eerdere asielaanvragen en zijn aanvraag tot toepassing van artikel 64 Vw - in onderlinge samenhang - opnieuw te beoordelen. Verweerder heeft het verzoek afgewezen, omdat een herbeoordeling niet tot andere besluiten zal leiden, omdat eiser daar geen inhoudelijk aanknopingspunt voor heeft gegeven. De rechtbank stelt voorop dat de Afdelingsuitspraak van 22 juni 2016 ziet op de toetsingsmaatstaf van en wijze van toetsing door de bestuursrechter. Ten aanzien van het verzoek van eiser in de zin van rechtsoverweging 4.8 van deze Afdelingsuitspraak geldt dat verweerder daarop heeft beslist. Mede gelet op het feit dat verweerder eisers asielaanvragen inhoudelijk heeft beoordeeld, bestaat geen aanknopingspunt voor het oordeel dat verweerder aanleiding heeft moeten zien om de eerder ingediende asielaanvragen opnieuw te beoordelen. De enkele verwijzing naar de Afdelingsuitspraak zonder verdere inhoudelijke aanknopingspunten voor een herbeoordeling heeft verweerder onvoldoende kunnen achten. Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat de rechtbank in de Afdelingsuitspraak van 22 juni 2016 aanleiding moet zien om de voornoemde uitspraak te herzien, is de rechtbank van oordeel dat dit betoog niet slaagt. De Afdelingsuitspraak behelst geen herzieningsmogelijkheid van rechtbankuitspraken die met toepassing van het ne bis in idem-kader in het verleden zijn gedaan. Dit zou ook in strijd zijn met het rechtzekerheidsbeginsel.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/7801

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 21 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Russische nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. F.L.M. van Haren, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder,

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser tot het opnieuw beoordelen van de asielaanvragen van 3 juni 2008, 7 september 2010 en 13 mei 2015 – in onderlinge samenhang – en de aanvraag tot toepassing van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) van 15 juni 2012, afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 23 januari 2018 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.

1.1

Eiser is naar eigen zeggen op 27 juni 2002 Nederland binnengekomen.
Op 10 juli 2002 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 2 januari 2003 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, bij uitspraak van 24 mei 2004 (AWB 03/5614) gegrond verklaard. Bij besluit van 18 mei 2006 heeft verweerder de aanvraag weer afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, bij uitspraak van 23 januari 2007 (AWB 06/29114) ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 maart 2008 (200701293/1) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) de uitspraak bevestigd.

1.2

Op 3 juni 2008 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij uitspraak van 9 juni 2008 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, bij uitspraak van 9 juni 2010 (AWB 08/20419) ongegrond verklaard omdat er geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden die een inhoudelijke beoordeling van het besluit rechtvaardigden. De Afdeling heeft deze uitspraak op 30 augustus 2010 (201006498/1) bevestigd.

1.3

Op 7 september 2010 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 20 april 2011 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, bij uitspraak van 14 mei 2012 (AWB 11/16660) ongegrond verklaard.

1.4

Op 13 mei 2014 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 14 december 2014 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep heeft deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 9 juli 2015 (AWB 15/551) ongegrond verklaard. De Afdeling heeft deze uitspraak op 13 mei 2016 (201507926/1/V2) bevestigd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1759) heeft eiser verweerder verzocht zijn asielaanvragen opnieuw te beoordelen, in onderlinge samenhang en in samenhang met de gevoerde procedure in het kader van artikel 64 Vw. Eiser heeft verweerder hierbij gevraagd het ne-bisbeoordelingskader van voor juni 2016 niet meer toe te passen. In het bestreden besluit heeft verweerder dit verzoek afgewezen onder meer omdat artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de eerdere vervolgaanvragen niet zou zijn toegepast en daarom zou volgens verweerder een herbeoordeling niet aan de orde hoeven komen. Deze motivering is in strijd met de Afdelingsuitspraak van 22 juni 2016, in het bijzonder rechtsoverweging 4.8, aldus eiser.
Ter zitting heeft eiser zijn standpunt nader toegelicht. Hij heeft aangegeven dat verweerder het gehele dossier van eiser, integraal, met alles wat is aangevoerd en overgelegd, opnieuw moet beoordelen. Eiser heeft ter zitting ook naar voren gebracht dat voor zover de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2016 geen betrekking heeft op de besluitvorming van verweerder, de besluiten van verweerder vanwege het ambtshalve rechterlijke toetsingskader van ne bis in idem, zoals dat gold voor de Afdelingsuitspraak van 22 juni 2016, aan een rechterlijke beoordeling zijn onttrokken. Dit wreekt zich volgens eiser met name in de laatste rechtbankuitspraak van 9 juli 2015. Vooral de asielaanvraag van 13 mei 2014 komt voor herbeoordeling in aanmerking, zo stelt eiser.

2.1

Verweerder heeft de afwijzing van het verzoek van eiser als volgt gemotiveerd. De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 9 juni 2010, de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 14 mei 2012 en van deze rechtbank en zittingsplaats van 9 juli 2015 dateren alle van voor de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2016. Alleen al daarom ziet verweerder geen aanleiding tot het opnieuw beoordelen van de asielaanvragen. Bovendien heeft verweerder de asielaanvraag van 13 mei 2014 inhoudelijk beoordeeld. Verder merkt verweerder op dat de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, zoals die nu wordt toegepast, geen wijziging van het beleid is als bedoeld in artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, Vw en dus geen wijziging van recht betreft. Ook daarom ziet verweerder geen aanleiding om het verzoek tot herbeoordeling van de asielaanvragen in te willigen.
In het verweerschrift heeft verweerder zich, in reactie op de gronden van beroep, op het volgende standpunt gesteld. In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 14 mei 2012 wordt bevestigd dat verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser inhoudelijk heeft beoordeeld. Daarbij heeft de rechtbank vervolgens ook getoetst of er sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden, als bedoeld in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland (ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494).Het is verweerder daarom niet duidelijk welke feiten en omstandigheden in het geheel niet aan bod zouden zijn gekomen en ten onrechte niet zouden zijn getoetst. Ook de daarop ingediende opvolgende asielaanvraag is door verweerder inhoudelijk beoordeeld bij besluit van 14 december 2014, waarin de aanvraag is afgewezen op grond van artikel 31 Vw. Verweerder ziet niet in hoe een herbeoordeling van de hier bedoelde besluiten tot een ander oordeel zouden moeten leiden nu daarvoor in de onderhavige zaak geen inhoudelijk aanknopingspunt is gegeven. Voor zover eiser meent dat de rechtbank een uitspraak zou moeten herzien, is verweerder van mening dat eiser zich hiervoor tot de rechtbank moet wenden.
Ter zitting heeft verweerder aan zijn standpunt toegevoegd dat als eiser meent dat hij op medische gronden voor een verblijfsvergunning in aanmerking komt, hij daartoe een aanvraag kan indienen.

2.2

De rechtbank overweegt als volgt.

2.2.1.1 De Afdeling heeft in de voornoemde uitspraak van 22 juni 2016 overwogen dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de implementatiewetgeving van de Procedurerichtlijn blijkt dat de wetgever ervoor heeft gekozen om de beoordelingssystematiek van de Procedurerichtlijn volledig te implementeren in de Vw. Verweerder kan daarom nu een opvolgende asielaanvraag op verschillende manieren afdoen. In de uitspraak van 22 juni 2016 is voorts overwogen dat de Afdeling in de keuze van de wetgever om de uitdrukkelijk voor de behandeling van opvolgende asielaanvragen bedoelde systematiek uit de Procedurerichtlijn onverkort in de Vw te implementeren, aanleiding ziet om het toetsingskader van ne bis in idem niet langer toe te passen. Dat betekent dat de bestuursrechter voortaan elk besluit op een opvolgende asielaanvraag overeenkomstig artikel 8:69 Awb moet toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden. De thans te verrichten toetsing houdt onder meer in, dat als verweerder de opvolgende aanvraag met toepassing van artikel 30a Vw of 4:6 Awb afdoet, de bestuursrechter moet toetsen of verweerder dat in het licht van zijn beleid niet ten onrechte heeft gedaan.

2.2.1.2 Ook heeft de Afdeling in haar uitspraak van 22 juni 2016, in rechtsoverweging 4.8, overwogen dat als een vreemdeling geen opvolgende aanvraag indient maar in plaats daarvan betoogt dat een eerder afgewezen asielaanvraag alsnog met terugwerkende kracht vanaf de datum van die eerdere aanvraag moet worden ingewilligd, verweerder op dat verzoek moet beslissen. Verweerder kan niet volstaan met de beoordeling of de vreemdeling vanaf het moment van indiening van het verzoek terug te komen van het eerdere in rechte onaantastbare besluit, in aanmerking komt voor verlening van de asielvergunning. Als verweerder een dergelijk verzoek niet inwilligt, en de vreemdeling beroep instelt, moet de bestuursrechter dat besluit toetsen zoals hiervoor in 2.2.1.1 aangegeven. Ook in dat geval speelt het belang van de rechtszekerheid een belangrijke rol.

2.2.2

De rechtbank stelt voorop dat de Afdelingsuitspraak van 22 juni 2016 ziet op de toetsingsmaatstaf van en wijze van toetsing door de bestuursrechter. Verweerder is onverminderd bevoegd een opvolgende asielaanvraag af te wijzen met toepassing van artikel 30a, aanhef en onder d, Vw en artikel 4:6 Awb. Ten aanzien van het verzoek van eiser in de zin van rechtsoverweging 4.8 van deze Afdelingsuitspraak, geldt dat verweerder hierop heeft beslist. Verweerder heeft aan zijn afwijzende beslissing onder meer ten grondslag gelegd dat onduidelijk is welke feiten en omstandigheden in het geheel niet aan bod zouden zijn gekomen en ten onrechte niet zouden zijn getoetst.

2.2.3.1 Zoals blijkt uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 14 mei 2012 (zie met name rechtsoverweging 7), heeft verweerder het gehele asielrelaas van eiser betrokken bij de beoordeling van zijn eerste en tweede asielaanvraag. Verweerder heeft ook in de derde asielprocedure onderzocht of hetgeen eiser naar voren heeft gebracht tot een ander oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas leidt. De derde asielaanvraag is dus inhoudelijk beoordeeld en niet verkort afgedaan onder verwijzing naar artikel 4:6 Awb.

2.2.3.2 Ook bij besluit van 14 december 2014 heeft verweerder de (vierde) asielaanvraag van eiser inhoudelijk beoordeeld.

2.2.3.3 In zijn herbeoordelingsverzoek aan verweerder heeft eiser geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht die verweerder zouden moeten nopen tot herbeoordeling. Mede gelet op het feit dat verweerder eisers asielaanvragen inhoudelijk heeft beoordeeld, bestaat dan ook geen aanknopingspunt voor het oordeel dat verweerder aanleiding heeft moeten zien om de eerder ingediende asielaanvragen opnieuw te beoordelen. De enkele verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 22 juni 2016, zonder verdere inhoudelijke aanknopingspunten voor herbeoordeling, heeft verweerder onvoldoende kunnen achten.

2.2.3.4 Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij met elke procedure die hij heeft gevoerd iets verder is gekomen in die zin dat verweerder eisers asielrelaas steeds meer geloofwaardig acht. Ook heeft eiser op zitting naar voren gebracht dat in deze periode het arrest van het EHRM in de zaak Paposhvili tegen België van 13 december 2016 (ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810) is ontwikkeld en dat de psychiatrische rapportage die is overgelegd in het kader van de artikel 64 Vw-procedure, de herbeoordeling van de asielaanvragen in een ander daglicht kan stellen. Immers, uit de medische rapportage blijkt dat eiser is gemarteld, wat een ondersteuning is voor eisers asielaanvragen.

2.2.3.5 Nog afgezien van de vraag of dit betoog van eiser ter zitting tardief is, is de rechtbank van oordeel dat eiser hiermee onvoldoende duidelijk en onvoldoende concreet heeft gemaakt waarom verweerders besluitvorming op de eerdere (asiel)aanvragen onjuist zou zijn.


2.2.4.1 Voor zover eiser met zijn stelling dat het besluit van 14 december 2014 door het ne bis in idem-toetsingskader is onttrokken aan een rechterlijke beoordeling, heeft bedoeld te betogen dat de rechtbank in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2016 aanleiding moet zien om voornoemde uitspraak van 9 juli 2015 te herzien, is de rechtbank van oordeel dat ook deze stelling niet slaagt. De Afdelingsuitspraak behelst immers geen herzieningsmogelijkheid van rechtbankuitspraken die met toepassing van het ne bis in idem-kader in het verleden zijn gedaan. Dit zou ook in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel, zoals de Afdeling dat in rechtsoverweging 4.8 van haar uitspraak noemt. Deze rechtsoverweging 4.8 ziet op een aan verweerder gedaan herbeoordelingsverzoek en de toetsing door de bestuursrechter van de door verweerder genomen beslissing op dat verzoek.

2.2.4.2 Indien eiser herziening wenst van de betreffende (onherroepelijk geworden) uitspraak van 9 juli 2015, dan staat hiervoor de mogelijkheid open die artikel 8:119 Awb biedt. Eiser dient zijn verzoek in dat geval te richten tot de rechtbank en concrete feiten of omstandigheden naar voren te brengen die hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, bij eiser vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn en, waren zij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. Niet gesteld of gebleken is dat aan deze voorwaarden is voldaan.

3. Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. de Greef, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2018.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.