Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:757

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-01-2018
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5088
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongeldigverklaring rijbewijs door verweerder wegens alcoholmisbruik, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/5088

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. E.A. Breetveld),

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. Kleijbeuker )

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard.

Bij besluit van 22 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2017.

Eiser is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser is op 14 augustus 2012 en 3 april 2016 aangehouden als bestuurder van een motorrijtuig terwijl hij teveel alcohol gedronken had. Naar aanleiding van de laatste aanhouding is aan verweerder de mededeling gedaan als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw).

1.2

Bij besluit van 20 april 2016 heeft verweerder de geldigheid van het rijbewijs van eiser geschorst en hem opgedragen een onderzoek te laten doen naar zijn alcoholgebruik.

1.3

Op 13 januari 2017 is eiser door de psychiater onderzocht. Naar aanleiding van dit onderzoek is de psychiater in zijn onderzoeksrapport van 27 januari 2017 tot de conclusie gekomen dat sprake is van alcoholmisbruik in ruime zin, waarna verweerder bij besluit van 29 maart 2017 het rijbewijs van eiser vanaf 5 april 2017 ongeldig heeft verklaard.

2 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat het onderzoek door de psychiater zorgvuldig is uitgevoerd en hij het rapport van het onderzoek aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. Nu de psychiater heeft geconcludeerd dat sprake is van alcoholmisbruik in ruime zin, heeft verweerder het rijbewijs terecht ongeldig verklaard.

3 Eiser heeft in beroep – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Het rapport van de psychiater is een onvoldoende basis voor het bestreden besluit. Uit het lichamelijk onderzoek, het laboratoriumonderzoek, de psychiatrische voorgeschiedenis de algemene psychiatrische anamnese, de somatiek, medicatie en intoxicaties van eiser zijn geen aanwijzingen gevonden dat sprake is van alchoholmisbruik. De diagnose alcoholmisbruik in ruime zin lijkt in belangrijke mate gebaseerd te zijn op de anamnese omtrent de omstandigheden rond de laatste overtreding, met name de antwoorden die eiser heeft gegeven op vragen van de arts. Dit terwijl eiser op de vraag ‘of hij zich dronken voelde’ niet naar waarheid heeft geantwoord, uit schaamte en schuldgevoel. Daarom kan de conclusie van verhoogde tolerantie en alcoholmisbruik geen stand houden. Hetzelfde geldt – om dezelfde reden - voor de door de arts gestelde onderrapportage. Verweerder heeft verder onvoldoende rekening gehouden met het gegeven dat eiser student is en dat onder studenten soms flink wordt gedronken, maar dat dit hem nog geen alcoholist maakt.

4 De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2289) bestaat in een geval waarin de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is gesteld, slechts aanleiding om de ongeldigverklaring niet in stand te laten indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat verweerder zich daarop niet heeft mogen baseren.

4.2

Uit paragraaf 8.8 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (de Regeling) volgt – voor zover van belang – dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. (...) Daarbij is een strenge opstelling van de keurend arts aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

4.3

Uit het onderzoeksrapport van 27 januari 2017 blijkt het volgende. Eiser werd de afgelopen jaren tweemaal aangehouden in verband met alcohol in het verkeer. De psychiater heeft van belang geacht dat eiser herhaaldelijk alcohol heeft gebruikt in fysiek gevaarlijke situaties. Ondanks het hoge promillage bij de laatste aanhouding vertoonde eiser geen ernstige intoxicatieverschijnselen. Ook voelde hij zich naar eigen zeggen niet dronken. Aannemelijk is dat sprake is van onderrapportage van het normale alcoholgebruik. Voorts heeft de psychiater erop gewezen dat het door eiser opgegeven ‘normale’ drinkpatroon voorafgaand aan de laatste aanhouding niet waarschijnlijk is gelet op de frequentie van de aanhoudingen in relatie tot de pakkans. Er is voorts een opvallende discrepantie tussen het door eiser gestelde gebruikelijke drinkpatroon en het alcoholgebruik bij de laatste aanhouding. De psychiater heeft geconcludeerd dat dat de psychiatrische diagnose alcoholgebruik in ruime zin dient te worden gesteld. Voorts heeft de psychiater het aannemelijk geacht dat na 1 januari 2017 geen sprake meer is van alcoholmisbruik.

4.4

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat niet uit alle onderdelen van het onderzoek hoeft te blijken van alcoholmisbruik. Voorts blijkt uit het rapport dat de psychiater alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen. Dat het rapport het alcoholmisbruik baseert op de anamnese, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet met zich dat verweerder het rapport niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. De keurend arts heeft van belang mogen achten dat eiser herhaaldelijk alcohol heeft gebruikt in gevaarlijke situaties. Uit het onderzoeksrapport komt overigens naar voren dat de psychiater niet alleen de eigen verklaring van eiser aan zijn conclusie alcoholmisbruik in ruime zin ten grondslag heeft gelegd. Hij heeft er immers ook op gewezen dat ondanks het hoge promillage bij de laatste aanhouding eiser geen ernstige intoxicatieverschijnselen vertoonde, dat het door eiser opgegeven ‘normale’ drinkpatroon voorafgaand aan de laatste aanhouding niet waarschijnlijk is gelet op de frequentie van de aanhoudingen in relatie tot de pakkans en hij acht sprake van een opvallende discrepantie tussen het door eiser gestelde gebruikelijke drinkpatroon en het alcoholgebruik (dat wil zeggen het hoge geconstateerde promillage) bij de laatste aanhouding. Dat eiser uit schuldgevoel en schaamte zou hebben verklaard zich tijdens de laatste aanhouding niet dronken te hebben gevoeld, komt daarbij voor zijn eigen rekening en risico.

Dat de keurend arts aannemelijk acht dat eiser gestopt is met zijn alcoholmisbruik op 1 januari 2017 doet aan het vorenstaande niet af, nu ten tijde van het onderzoek nog geen jaar (recidiefvrije periode, voorgeschreven in paragraaf 8.8. van de Regeling) was verstreken sinds de laatste aanhouding. Verweerder heeft het onderzoeksrapport dan ook ten grondslag mogen leggen aan het bestreden besluit.

Dat – zoals door eiser gesteld – onder studenten vaak flink wordt gedronken is in deze niet van belang, aangezien het hier gaat om de gevaren van alcoholgebruik voor de verkeersveiligheid.

4.5

Nu eiser geen deskundig tegenadvies heeft overgelegd noch gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een tweede onderzoek te laten doen, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

4.6

Voor zover eiser betoogt dat het bestreden besluit verstrekkende negatieve gevolgen voor hem heeft en hij onevenredig zwaar in zijn belangen is geschaad, overweegt de rechtbank dat de ongeldigverklaring van het rijbewijs dwingendrechtelijk is voorgeschreven zodat geen ruimte bestaat voor een belangenafweging.

5 Het beroep is ongegrond.

6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.