Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:7464

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-06-2018
Datum publicatie
28-06-2018
Zaaknummer
SGR 17/3754 en 17/3801
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wabo-milieu. Ambtshalve aanpassing vergunningvoorschriften. Bij benutting van de vergunde maximale productiecapaciteit zal de E1-emissie altijd de vergunde hoeveelheid E1 overschrijden. Dit betekent dat de vergunde jaarvracht niet haalbaar is. De rechtbank voorziet zelf in de zaak. Verweerder heeft kunnen besluiten tot de vergunde lozingsnorm FRD-903. Geen aanwijzingen dat de lozing bij aanhouding van de vergunde norm leidt tot nadelige gevolgen voor het milieu en de volkgsgezondheid.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.14
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.26
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.30
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.31
Waterwet 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2018-0182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 17/3754 en 17/3801

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 juni 2018 in de zaken tussen

1 Chemours Netherlands B.V. , te Dordrecht ( Chemours )

(gemachtigden: mr. M.G.J. Maas-Cooymans en mr. B. Ebben),

2 Oasen N.V. , te Gouda ( Oasen )

(gemachtigde: mr. drs. J. Rutteman),

gezamenlijk te noemen: eisers,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder

(gemachtigden: mr. W.J. Bosma en mr. R. Olivier).

Oasen heeft als derde-partij deelgenomen aan het beroep van Chemours . Chemours heeft als derde-partij deelgenomen aan het beroep van Oasen . Voorts hebben als derde-partijen aan de gedingen deelgenomen: de colleges van burgemeester en wethouders van Alblasserdam, Papendrecht en Sliedrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder een aantal voorschriften gewijzigd, die verbonden waren aan de op 3 oktober 2013 verleende revisievergunning voor de inrichting van Chemours aan de Baanhoekweg 22 te Dordrecht .

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep van Chemours is geregistreerd onder zaaknummer SGR 17/3754. Het beroep van Oasen is geregistreerd onder zaaknummer SGR 17/3801.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) als deskundige benoemd. De STAB heeft op 14 februari 2018 een deskundigenbericht uitgebracht.

Chemours heeft bij brief van 15 maart 2018 gereageerd op het deskundigenbericht.

Oasen en verweerder hebben bij brieven van 21 maart 2018 gereageerd.

Chemours heeft bij brief van 26 april 2018 een nader stuk ingediend. Bij brieven van

4 mei 2018 heeft zij nadere reacties ingezonden.

Oasen en verweerder hebben bij brieven van 4 mei 2018 nadere stukken ingediend.

De zaken zijn op 17 mei 2018 gevoegd ter zitting behandeld. Namens Chemours zijn verschenen [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] , bijgestaan door de gemachtigden en vergezeld van [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] , allen werkzaam bij Witteveen+Bos . Namens Oasen zijn verschenen [persoon 8] en [persoon 9] , bijgestaan door de gemachtigde en vergezeld van [persoon 10] , werkzaam bij KRW Watercycle Research Institute en [persoon 11] , werkzaam bij Royal Haskoning DHV . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, vergezeld van [persoon 12] en [persoon 13] , beiden werkzaam bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Namens het college van burgemeester en wethouders van Alblasserdam is verschenen [persoon 15] . De colleges van burgemeester en wethouders van Papendrecht en Sliedrecht hebben zich niet laten vertegenwoordigen. Namens de STAB zijn verschenen [persoon 14] , [persoon 16] , [persoon 17] en [persoon 18] .

Overwegingen

1. Chemours drijft een inrichting ten behoeve van onder meer de productie van de synthetische organische polymeren Teflon PFTE en Teflon FEP. Tot 2013 maakte zij daarbij gebruik van PerFluoroOctanoicAcid (PFOA). Het gebruik daarvan is beëindigd omdat PFOA op de lijst van zeer zorgwekkende stoffen is geplaatst, waarbij wordt gestreefd naar een nulemissie. Vanaf 2013 maakt Chemours bij de productie gebruik van de zogenoemde GenX-technologie. Als gevolg daarvan worden de stoffen FRD-903 (naar de lucht en het water) en E1 (naar de lucht) geëmitteerd. Uit de aan de revisievergunning verbonden voorschriften volgt dat per jaar maximaal 6.400 kg FRD-903 op de gemeentelijke riolering mag worden geloosd. De emissie van E1, afkomstig uit de Teflon FEP-fabriek, mag de jaarvracht van 450 kg (inclusief vrijmaakemissie) niet overschrijden.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder op grond van de artikelen 2.30 en 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) diverse vergunningvoorschriften aangepast. In vergunningvoorschrift 1.1.1 is onder meer bepaald dat op de gemeentelijke riolering maximaal 2.035 kg/jaar FRD-903 geloosd mag worden. In vergunningvoorschrift 2.1.1 is – voor zover van belang – bepaald dat de emissiegrenswaarde van de stof E1 afkomstig uit de Teflon FEP-fabriek, de jaarvracht van 50 kg niet mag overschrijden.

3. Ingevolge artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo beziet het bevoegd gezag, voor zover de omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, regelmatig of de voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

Ingevolge artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo wijzigt het bevoegd gezag voorschriften van de omgevingsvergunning indien door toepassing van artikel 2.30, eerste lid, blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu, verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt.

Het beroep van Chemours

4. Het beroep van Chemours richt zich uitsluitend tegen vergunningvoorschrift 2.1.1, voor zover het de emissie van E1 van de Teflon FEP-fabriek betreft.

5.1

Chemours betoogt dat verweerder niet bevoegd is de vergunning ambtshalve te actualiseren. Artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo biedt uitsluitend grondslag voor actualisering bij ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu of wanneer er (negatieve) ontwikkelingen zijn van de kwaliteit van het milieu die een halt moeten worden toegeroepen. Deze ontwikkelingen moeten zich hebben voorgedaan na verlening van de revisievergunning. Aan deze voorwaarden wordt volgens Chemours niet voldaan. Zij voert in dit verband aan dat eventuele technische ontwikkelingen niet in het bestreden besluit zijn genoemd. Verweerder volstaat slechts met de stelling dat de emissies van Chemours met toepassing van de beste beschikbare technieken (BBT) kunnen worden gereduceerd. De door Chemours toegepaste technieken zijn evenwel in overeenstemming met de technieken die zijn beschreven in de BREF’s “Polymeren” en “Afgas- en afvalwaterbehandeling”. Dat de milieukwaliteit in het geding is, is evenmin gebleken. De stelling in het bestreden besluit dat vanwege de onzekerheid over de mogelijke bioaccumulatie van E1 en de slechte afbreekbaarheid in het milieu niet kan worden gewacht op de resultaten van nader onderzoek naar deze stof, vormt onvoldoende grondslag voor de actualisering. De verwijzing in het bestreden besluit naar het RIVM-rapport “Evaluation of substances used in the GenX technology by Chemours , Dordrecht ” van 14 december 2016 (het RIVM-rapport) biedt eveneens onvoldoende onderbouwing. In dit rapport is namelijk vermeld dat de uitstoot van E1 naar verwachting geen risico vormt voor de gezondheid van omwonenden en dat E1 waarschijnlijk minder schadelijk is dan PFOA.

5.2

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu de primaire grondslag is voor de ambtshalve actualisatie. In het bestreden besluit is daarover – kort samengevat – vermeld dat de kennis over de schadelijke milieugevolgen en eigenschappen van E1 is toegenomen sinds de verlening van de revisievergunning. Uit het RIVM-rapport volgt namelijk dat niet kan worden uitgesloten dat de stof E1 voldoet aan de criteria voor zeer zorgwekkende stoffen. Gezien de mogelijke risico’s voor gezondheid en milieu, acht verweerder het niet wenselijk nader onderzoek af te wachten.

5.3

Uit het bestreden besluit volgt dat de aanleiding voor de actualisatie niet is de ontwikkeling (verslechtering) van de kwaliteit van het milieu zelf, maar dat uit nieuwe informatie blijkt dat E1 slechter is voor het milieu dan aanvankelijk gedacht. De rechtbank stelt vast dat uit de tekst van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo niet expliciet volgt dat onder “de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu” ook kan worden begrepen de ontwikkeling van de kennis over de kwaliteit van het milieu. De rechtbank is evenwel van oordeel dat ook nieuwe kennis over de milieugevolgen van de activiteiten van een inrichting grondslag kan zijn voor een ambtshalve actualisatie. De rechtbank acht daarbij van belang dat artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, blijkens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Wabo tot doel heeft een zo groot mogelijke bescherming van het milieu te bewerkstelligen (Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, p. 116). Gelet op dit doel, is naar het oordeel van de rechtbank ook niet vereist dat er wetenschappelijke zekerheid bestaat over de exacte milieugevolgen van E1. Voorts benadrukt de rechtbank dat niet alleen de effecten van E1 op de gezondheid van omwonenden van belang zijn, maar alle gevolgen van de emissie van deze stof voor de fysieke leefomgeving.

5.4

In het RIVM-rapport is vermeld dat nagenoeg zeker is dat E1 een (zeer) persistente stof is. Over de bioaccumulatie van de stof is nog onvoldoende bekend om een conclusie te kunnen trekken. Aangezien E1 geen hydrofiele groep bevat, is de verwachting dat de eliminatie van E1 trager is en daarmee een hogere potentie voor bioaccumulatie heeft dan PFOA. Aan de andere kant wordt E1 waarschijnlijk weer gemakkelijk uitgeademd. Voorts volgt uit de beschikbare informatie dat E1 een lage tot zeer lage toxiciteit heeft en dat de stof waarschijnlijk niet mutageen is, aldus het RIVM. In het deskundigenbericht van de STAB zijn de bevindingen van het RIVM herhaald en is geconcludeerd dat er vanwege de nadelige eigenschappen van E1, zoals persistentie, aanleiding bestaat de nodige voorzichtigheid te betrachten.

5.5

Gelet op de conclusies van RIVM over de persistentie van E1 – wat Chemours overigens ook niet betwist – en de onzekerheid over de potentie van bioaccumulatie, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van ontwikkelingen van de kennis over de kwaliteit van het milieu waaruit blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt verder moeten worden beperkt. Deze bevindingen dateren voorts van na de revisievergunning. Verweerder was dan ook bevoegd de vergunning ambtshalve te actualiseren met toepassing van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Deze bevoegdheid laat overigens onverlet dat moet worden gemotiveerd tot welk niveau de jaarvracht van E1 wordt verlaagd. Dit zal hierna onder 6 worden besproken.

5.6

Gelet op het voorgaande behoeft het betoog van Chemours dat er geen ontwikkeling is van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu geen bespreking.

6.1

Met vergunningvoorschrift 2.1.1 van het bestreden besluit is de toegestane jaarvracht van E1 afkomstig uit de Teflon FEP-fabriek verlaagd van 450 kg naar 50 kg. Verweerder heeft daaraan de bevindingen uit het RIVM-rapport ten grondslag gelegd. Deze bevindingen nopen er volgens verweerder toe dat de emissie van E1 wordt beperkt tot het laagst haalbare niveau. Verweerder heeft dit niveau vastgesteld op 50 kg/jaar omdat de E1-emissie van de Teflon FEP-fabriek in de periode 2012 tot en met 2015 varieerde tussen de 11 en 48 kg/jaar. De thans vastgestelde jaarvracht van 50 kg is volgens verweerder (al dan niet met toepassing van aanvullende emissiebeperkende technieken) haalbaar, zodat het bestreden besluit er niet toe leidt dat Chemours de vergunde activiteiten niet of niet volledig kan uitvoeren.

6.2

Chemours betwist dat de E1-jaarvracht van 50 kg haalbaar is. In de periode van 2012 tot en met 2015 benutte Chemours niet de volledige vergunde productiecapaciteit van de Teflon FEP-fabriek. Als zij dat wel zou doen, zou zij de jaarvracht van 50 kg overschrijden. Het bestreden besluit komt dan ook neer op een impliciete intrekking van de revisievergunning voor zover deze ziet op de Teflon FEP-fabriek. Artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo biedt daarvoor geen grondslag. Chemours betoogt voorts dat verweerder ten onrechte niet heeft gespecificeerd welke aanvullende technieken kunnen worden toegepast om te voldoen aan de nieuwe emissiegrenswaarde.

6.3

In het deskundigenbericht is vastgesteld dat Chemours in de periode van 2012 tot en met 2015 niet de volledige vergunde productiecapaciteit van 3.500 ton Teflon FEP per jaar benutte. In 2014 – het jaar waarin de grootste emissie van E1 plaatsvond – werd bij een productie van 1.750 ton FEP 48 kg E1 uitgestoten. Bij een evenredig verband tussen de productie van FEP en de emissie van E1, zou bij benutting van de maximale productiecapaciteit van 3.500 ton FEP een uitstoot behoren van 96 kg E1 per jaar. In het deskundigenbericht is voorts vermeld dat de uitstoot van E1 kan worden gereduceerd door aanvullende emissiebeperkende technieken toe te passen op emissiebron TL31. Bij volledige benutting van de vergunde productiecapaciteit zou de E1-emissie van deze bron thans 44,7 kg/jaar bedragen. Bij toepassing van een afgasreinigingstechniek met actief kool – dat als BBT moet worden beschouwd – zou de resterende E1-emissie bij volledige benutting van de vergunde productiecapaciteit 2,2 tot 8,8 kg/jaar bedragen. Opgeteld bij emissiebron TL20 (31,2 kg E1 per jaar), waar deze techniek al wordt toegepast en emissiebron TL36 (19 kg E1 per jaar), waarvoor geen emissiebeperkende voorzieningen mogelijk zijn, zou maximale benutting van de vergunde productiecapaciteit van de Teflon FEP-fabriek leiden tot een jaarvracht van E1 van 59 kg, aldus de STAB.

6.4

Chemours ziet in het deskundigenbericht bevestigd dat de vergunde E1-jaarvracht van 50 kg niet haalbaar is. Anders dan de STAB stelt, is het toepassen van een afgasreinigingstechniek met actief kool op emissiebron TL31 echter niet kosteneffectief, en daarom niet aan te merken als BBT. Ook de door de STAB berekende E1-jaarvracht van 59 kg is dus niet haalbaar. Chemours verwijst in dit verband naar de notitie van Witteveen+Bos van 16 maart 2018, waarin is vermeld dat de ingangsconcentratie van E1 bij emissiebron TL20 vele malen hoger is dan bij TL31. De lagere ingangsconcentratie heeft mogelijk een negatief effect op het rendement van het actief kool filter. Daarnaast is de afgassamenstelling en het vochtgehalte van de afgassen van invloed op de werking van een dergelijk filter. Zonder onderzoek kan daarom niet worden aangenomen dat deze techniek economisch en technisch haalbaar is bij emissiebron TL31. Voorts moet onderzoek worden gedaan naar zogenoemde cross-media-effecten; eventuele negatieve gevolgen van de emissiebeperkende techniek moeten worden meegewogen. Chemours betoogt verder dat de E1-emissie van TL31 onder de vrijstellingsgrens valt voor gO.1- en gO.2-stoffen van artikel 2.6 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

6.5

Verweerder beaamt de stelling van de STAB dat toepassing van een afgasreinigingstechniek met actief kool op emissiebron TL31 als BBT moet worden aangemerkt en dat de E1-jaarvracht bij benutting van de maximale vergunde productiecapaciteit daarmee tot 59 kg kan worden verlaagd. Anders dan de STAB stelt, is er volgens verweerder geen evenredig verband tussen de productie van FEP en de uitstoot van E1 en is de E1-emissie feitelijk lager dan de STAB heeft berekend. Als Chemours ook stuurt op het batchtype is een E1-jaarvracht van 44,4 tot 51,2 kg/jaar haalbaar. Indien deze maatregelen onvoldoende blijken te zijn om aan de vergunde jaarvracht te voldoen of Chemours deze niet wenst toe te passen, kan zij ervoor kiezen minder FEP te produceren, aldus verweerder.

6.6

De rechtbank stelt met Chemours en verweerder vast dat afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is op de inrichting. Zij gaat daarom voorbij aan het betoog van Chemours over de vrijstellingsgrens voor gO.1- en gO.2-stoffen. De rechtbank is voorts van oordeel dat Chemours onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het toepassen van een afgasreinigingstechniek met actief kool op emissiebron TL31 niet als BBT kan worden aangemerkt. Zoals de STAB ter zitting heeft toegelicht, wordt deze techniek algemeen gebruikt en geaccepteerd, ook bij kleine emissiebronnen. De techniek is onder meer als BBT-conclusie opgenomen in de BREF “Polymeren”, die direct op de inrichting van toepassing is. Daarmee is in beginsel gegeven dat deze techniek kosteneffectief is. Chemours heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt en ook niet onderbouwd met welke cross-media-effecten rekening moet worden gehouden. De rechtbank zal de gevolgen van deze techniek voor de emissie van E1 dan ook betrekken bij de beoordeling van de haalbaarheid van de vergunde jaarvracht van 50 kg.

6.7

De STAB heeft ter zitting meegedeeld dat de stelling van verweerder dat een jaarvracht van E1 van 44,4 tot 51,2 kg haalbaar is, onjuist is. De berekening van verweerder is volgens de STAB niet navolgbaar. Volgens de STAB zal de E1-emissie bij benutting van de vergunde maximale productiecapaciteit altijd de thans vergunde 50 kg/jaar overschrijden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de juistheid van zijn berekeningswijze en de uitgangspunten die daaraan ten grondslag liggen onvoldoende onderbouwd. Verweerder is er evenmin in geslaagd aannemelijk te maken dat de berekening van de STAB gebreken bevat. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de emissie van E1 bij volledige benutting van de vergunde productiecapaciteit van de Teflon FEP-fabriek 59 kg/jaar bedraagt.

6.8

Het voorgaande betekent dat de vergunde jaarvracht van 50 kg niet haalbaar is. Het bestreden besluit is om die reden onzorgvuldig voorbereid en gebrekkig gemotiveerd. Dit besluit is dus genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor zover verweerder meent dat de vergunde jaarvracht haalbaar is omdat Chemours de productie van FEP kan aanpassen aan de vergunde jaarvracht, overweegt de rechtbank dat dit zich niet verdraagt met artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Bij een ambtshalve actualisatie van de vergunning dient te worden uitgegaan van de bestaande situatie conform de vigerende vergunning, waaronder de vergunde maximale productiecapaciteit. De actualisatie kan niet tot gevolg hebben dat de vergunde bedrijfsvoering onmogelijk wordt gemaakt, omdat dit zou neerkomen op een intrekking van de vergunning, waarvoor deze bepaling niet de bevoegdheid geeft.

6.9

Het beroep van Chemours is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het betreft de toegestane jaarvracht van E1 afkomstig uit de Teflon FEP-fabriek. Nu verweerder met het bestreden besluit heeft beoogd de toegestane emissie van E1 te verlagen tot het laagst haalbare niveau en uit het deskundigenbericht volgt dat dit 59 kg/jaar bedraagt, ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien door vergunningvoorschrift 2.1.1 in die zin aan te passen.

6.10

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door Chemours gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het geven van een schriftelijke zienswijze naar aanleiding van het deskundigenbericht van de STAB en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

6.11

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan Chemours het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Het beroep van Oasen

7. Oasen is een drinkwaterbedrijf met als voorzieningengebied het oosten van Zuid-Holland. Zij pompt (oever)grondwater op dat indirect afkomstig is van de rivieren de Noord, de Nieuwe Maas en de Lek. Vervolgens wordt het water gezuiverd. In het opgepompte water is FRD-903 aangetroffen. De concentratie van deze stof in het water is in de loop van de tijd toegenomen. In zuiveringsstations die zich bovenstrooms van de inrichting van Chemours bevinden zijn geen of veel lagere gehaltes FRD-903 aangetroffen. Gelet daarop is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat de lozing van FRD-903 door Chemours invloed heeft op het (oever)grondwater dat Oasen gebruikt voor drinkwater. Oasen is dan ook belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

8. Het beroep van Oasen richt zich uitsluitend tegen vergunningvoorschrift 1.1 van het bestreden besluit. In onderdeel 1 van dit voorschrift (vergunningvoorschrift 1.1.1) is bepaald dat op de gemeentelijke riolering maximaal 2.035 kg/jaar FRD-903 geloosd mag worden. In de overige onderdelen van vergunningvoorschrift 1.1 is onder meer een verplichting opgenomen tot onderzoek naar de reductiemogelijkheden van de emissies naar het water van FRD-903. Ook moet worden onderzocht of en, zo ja, op welke termijn volledige uitfasering van het GenX-proces mogelijk is (vergunningvoorschrift 1.1.2). Chemours dient tevens ter goedkeuring door verweerder een emissiemeetprotocol voor het vaststellen van de hoeveelheid FRD-903 in het bedrijfsafvalwater aan te bieden (vergunningvoorschrift 1.1.3). Verder dient ter goedkeuring door verweerder een onderzoeksvoorstel voor het aanleveren van gegevens om een waterkwaliteitsnorm voor FRD-903 te worden overgelegd (vergunningvoorschrift 1.1.4), dat na goedkeuring wordt uitgevoerd (vergunningvoorschrift 1.1.5).

9.1

Oasen betoogt dat verweerder de lozingsnorm voor FRD-903 in het bestreden besluit had moeten beperken tot 20 kg/jaar. Zij voert daartoe aan dat uit het Protocol voor monitoring en toetsing drinkwaterbronnen KRW van 17 september 2015 (het Protocol) volgt dat, indien de concentratie van een opkomende stof (zoals FRD-903) in het grond- of oppervlaktewater de signaleringswaarde van 0,1 µg/l overschrijdt, de waterkwaliteitsbeheerder moet nagaan of de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water (KRW) in het geding komen en of verdere vervolgacties nodig zijn. Uit het advies van Rijkswaterstaat van 15 februari 2017 over het ontwerpbesluit volgt dat de lozingsnorm van 2.035 kg/jaar zal leiden tot overschrijding van de signaleringswaarde. Rijkswaterstaat heeft geadviseerd de lozing van FRD-903 per direct tot dit niveau te beperken en op korte termijn terug te brengen naar 20 kg/jaar. Dit advies is bindend op grond van artikel 2.26, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo, omdat het Protocol is gebaseerd op het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009, dat een algemene maatregel van bestuur is als bedoeld in dit artikel. Nu het advies van Rijkswaterstaat niet geheel in de vergunningvoorschriften is opgenomen, is het bestreden besluit in strijd met artikel 2.26 van de Wabo. Dat de lozingsnorm voor FRD-903 tot 20 kg/jaar had moeten worden beperkt, volgt voorts uit de REACH-Verordening (nr. 1907/2006/EG). Volgens Oasen verbiedt deze verordening de lozing van FRD-903 in het geheel. Oasen heeft ter zitting toegelicht dat zij hiermee beoogt te betogen dat de REACH-Verordening bij de belangenafweging had moeten worden betrokken en dat dit had moeten leiden tot een lozingsnorm voor FRD-903 van 20 kg/jaar.

Oasen voert subsidiair aan dat een redelijke uitleg van artikel 2.14 van de Wabo met zich brengt dat ter bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit de nodige maatregelen worden voorgeschreven, zodat de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Waterwet (het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van de watersystemen) en artikel 7, derde lid, van de KRW (het voorkomen van de achteruitgang van de waterkwaliteit teneinde het zuiveringsniveau voor de productie van drinkwater te verlagen) worden nageleefd.

9.2

Ingevolge artikel 2.26, eerste lid, van de Wabo, stelt het bevoegd gezag, naar aanleiding van een aanvraag die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, waarbij vanuit een inrichting of mijnbouwwerk afvalwater of andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater worden gebracht, het bestuursorgaan dat zorg draagt voor het beheer van het zuiveringtechnisch werk, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet, of het oppervlaktewater waarop het afvalwater vanuit die voorziening wordt gebracht, in de gelegenheid advies uit te brengen.

Het tweede lid bepaalt – voor zover van belang – dat, indien ten gevolge van de activiteit waarvoor vergunning wordt gevraagd, de bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer ter uitvoering van een EU-richtlijn of een EU-verordening gestelde milieukwaliteitseisen voor oppervlaktewaterlichamen zouden worden overschreden, het advies kan inhouden dat de daarin opgenomen voorschriften die nodig zijn om die gevolgen te voorkomen, aan de vergunning moeten worden verbonden. Indien die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, kan het advies inhouden dat de vergunning geheel of gedeeltelijk moet worden geweigerd.

Artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, aanhef en 4°, van de Wabo bepaalt – voor zover van belang – dat het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht neemt de onderdelen van het advies, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, ten aanzien waarvan in het advies is aangegeven dat daaraan moet worden voldaan.

9.3

Gelet op de wetssystematiek en parlementaire geschiedenis, zijn voornoemde bepalingen ook van toepassing op de ambtshalve actualisatie van de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. De rechtbank verwijst in dit verband tevens naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Wabo (Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, p. 116).

9.4

In het advies van Rijkswaterstaat is geadviseerd de lozingsnorm voor FRD-903 te verlagen naar 2.035 kg/jaar. Deze stof is namelijk reeds aangetroffen in het drinkwater, met een concentratie van 0,02 µg/l. Wanneer geen actie wordt ondernomen, zal de concentratie in het drinkwater op termijn toenemen tot de concentratie in het oppervlaktewater. Een verlaging naar 2.035 kg/jaar biedt een oplossing voor de korte termijn. Rijkswaterstaat heeft voorts geadviseerd eisen te stellen aan verandering van processen en inzet op nieuwe technologie, met als doel de uitfasering van FRD-903 zo spoedig mogelijk in gang te zetten. Omdat er over deze stof nog weinig bekend is, raadt Rijkswaterstaat aan om de emissie naar water te beperken tot het laagst haalbare niveau van 20 kg/jaar. Dit onderdeel van het advies heeft als doel ook op de lange termijn zorg te kunnen dragen voor een goede waterkwaliteit en veilig drinkwater. In het advies is vermeld dat Rijkswaterstaat erop vertrouwt dat verweerder het advies in de definitieve beschikking ter harte neemt.

9.5

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het advies van Rijkswaterstaat niet dat dit een bindend advies is als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, van de Wabo. De rechtbank overweegt daartoe dat Rijkswaterstaat niet heeft vermeld dat de twee onderdelen van het advies als voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden. Ook overigens kan uit de bewoordingen van het advies niet worden afgeleid dat dit een bindend karakter heeft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet gehouden was het advies van Rijkswaterstaat in acht te nemen. De rechtbank merkt daarbij ten overvloede op dat het eerste onderdeel van het advies is overgenomen in vergunningvoorschrift 1.1.1. Of vergunningvoorschrift 1.1.2 een adequate implementatie is van het tweede onderdeel van het advies, kan gelet op het voorgaande in het midden blijven.

9.6

Wat betreft het betoog van Oasen over de REACH-Verordening stelt de rechtbank vast dat de stoffen FRD-903 en FRD-902 (de stof waarin FRD-903 na reactie met ammoniumhydroxide wordt omgezet) niet zijn vermeld op de lijst van autorisatieplichtige stoffen van bijlage XIV van de Verordening. De stoffen zijn evenmin opgenomen op de lijst van stoffen waarvoor beperkingen gelden op de vervaardiging, het in de handel brengen en gebruiken, zoals opgenomen in bijlage XVII van de REACH-Verordening. Oasen heeft dit ter zitting ook niet betwist. De rechtbank neemt daarom aan dat lozing van deze stoffen niet verboden is. Dat Chemours in het REACH-registratiedossier van FRD-902 zou hebben vermeld dat deze stof niet in watergangen mag komen, leidt niet tot een ander oordeel, nu niet is gebleken dat daaruit een publiekrechtelijk verbod op lozing van deze stof volgt.

9.7.

Het subsidiaire betoog van Oasen slaagt evenmin. Oasen heeft niet onderbouwd en de rechtbank is evenmin gebleken dat het niet opnemen van een lozingsnorm voor FRD-903 van 20 kg/jaar in strijd is met (een redelijke uitleg van) artikel 2.14 van de Wabo. Voor zover Oasen beoogt te betogen dat uit artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo volgt dat de overschrijding van de signaleringswaarde van 0,1 µg/l uit het Protocol bij het bestreden besluit dient te worden betrokken, overweegt de rechtbank dat het Protocol geen algemene maatregel van bestuur is als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo. De signaleringswaarde is bovendien geen milieukwaliteitseis als bedoeld in voornoemde bepaling. Hieruit volgt dan ook niet dat verweerder de lozingsnorm verder had moeten beperken.

10.1

Oasen betoogt dat de lozingsnorm voor FRD-903 van 2.035 kg/jaar ertoe leidt dat de indicatieve richtwaarde voor de concentratie van deze stof in het drinkwater geheel wordt opgevuld door Chemours . Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met huidige en toekomstige bovenstroomse lozingen van FRD-903 door soortgelijke fabrieken in binnen- en buitenland. Uit onderzoek blijkt namelijk dat in de Rijn bij Leverkusen een hoge concentratie FRD-903 is aangetroffen. Doordat Chemours de milieuruimte voor FRD-903 geheel opsoupeert, moet Oasen vergaande en kostbare aanvullende zuiveringsmaatregelen nemen. Dat is in strijd met artikel 7, derde lid, van de KRW en het beginsel dat de vervuiler betaalt. Bovendien is het nemen van maatregelen bij Chemours in plaats van bij de waterzuivering kosteneffectief; verontreinigende stoffen zijn namelijk gemakkelijker te verwijderen uit een afvalwaterstroom met een geconcentreerde verontreiniging dan uit rivierwater.

10.2

De rechtbank stelt vast dat voor FRD-903 geen milieukwaliteitseis is opgenomen in de relevante wet- en regelgeving. Wel heeft het RIVM in een brief van 23 november 2016 een voorlopige richtwaarde voor de som van de GenX-componenten (FRD-902, FRD-903 en de anionen) in drinkwater vastgesteld van 0,15 µg/l bij levenslange blootstelling. Voorts is in de rapportage “Risicoschatting FRD-903 in drinkwater in het voorzieningengebied van drie oevergrondwaterproductielocaties” van het RIVM van 27 juli 2017 geconstateerd dat – uitgaande van de lozingsnorm van 2.035 kg/jaar – de voorlopige richtwaarde pas na het jaar 2090 kan worden overschreden.

10.3

De rechtbank is niet gebleken dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met bovenstroomse lozingen van FRD-903. Zoals toegelicht in het verweerschrift, is in het door Oasen aangehaalde onderzoek vermeld dat HFPO-DA (de stof waarin FRD-903 in water dissocieert) slechts eenmaal in de Rijn bij Leverkusen is aangetroffen. Deze waarneming kan volgens de onderzoekers zijn veroorzaakt door een lozing die tijdelijk, incidenteel of per ongeluk heeft plaatsgevonden. Oasen heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat er structureel andere bovenstroomse lozingen van FRD-903 plaatsvinden. Verder is verweerder niet gehouden eventuele toekomstige - en daarmee onzekere – lozingen van bovenstroomse inrichtingen bij het bestreden besluit te betrekken. Gelet op de conclusie van het RIVM dat de voorlopige richtwaarde voor FRD-903 in het drinkwater niet vóór 2090 zal worden overschreden, is naar het oordeel van de rechtbank ook niet aannemelijk dat eventuele lozingen van andere inrichtingen op zeer korte termijn tot overschrijding van de richtwaarde zullen leiden, ook indien een veiligheidsmarge wordt gehanteerd. Dat Oasen aanvullende zuiveringsmaatregelen zou moeten nemen, kan evenmin leiden tot het oordeel dat de lozingsnorm verder had moeten worden verlaagd. De bepalingen van de KRW, het beginsel “de vervuiler betaalt” en de kosteneffectiviteit kunnen niet, althans, niet rechtstreeks, bij de ambtshalve actualisatie van de omgevingsvergunning worden betrokken.

11.1

Oasen betoogt dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom de lozingsnorm voor FRD-903 van 2.035 kg/jaar acceptabel is vanuit waterkwaliteitsoogpunt. De Algemene Beoordelingsmethodiek 2016 (ABM-toets) en het Handboek Immissietoets 2016 (Immissietoets) – beiden Nederlandse informatiedocumenten over BBT – zijn niet kenbaar en juist toegepast. Voorts volgt uit het RIVM-rapport dat de waterkwaliteitsnorm voor FRD-903 waarschijnlijk strenger wordt dan de voorlopige richtwaarde voor drinkwater. Verweerder heeft deze verwachting ten onrechte niet bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de lozing betrokken. Oasen betoogt verder dat onvoldoende inzicht bestaat in de eigenschappen van FRD-903 en de effecten op humane toxicologie. Zonder kennis hierover kan de lozing niet worden toegestaan. Oasen verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 januari 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF3544.

11.2

Uit het verweerschrift volgt dat verweerder de ABM-toets, waarmee saneringsinspanning bij lozingen wordt bepaald, heeft uitgevoerd. Oasen heeft ter zitting meegedeeld dat zij zich kan verenigen met de uitkomst van deze toets en dat haar beroepsgrond over de ABM-toets zich thans beperkt tot het ontbreken van een kenbare toepassing daarvan in het bestreden besluit. De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit inderdaad niet volgt dat de ABM-toets is uitgevoerd. Het bestreden besluit bevat op dit punt derhalve een motiveringsgebrek. Omdat de ABM-toets wel is uitgevoerd en Oasen zich met de uitkomst daarvan kan verenigen, is de rechtbank van oordeel dat Oasen niet is benadeeld door de handelwijze van verweerder. De rechtbank ziet daarom aanleiding het gebrek in het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

11.3

Door middel van de Immissietoets wordt een lozing getoetst aan de milieukwaliteitseis voor de betreffende stof. Voor FRD-903 is geen milieukwaliteitseis gesteld. In het deskundigenbericht is daarom uitgegaan van de indicatieve waterkwaliteitsnorm volgens het rapport “Onderzoek naar indicatieve waterkwaliteitsnormen voor stoffen in de GenX-technologie” van het RIVM van 11 mei 2017. De STAB heeft ter zitting toegelicht dat deze norm 41,7 µg/l bedraagt. Verder heeft de STAB de indicatieve richtwaarde voor drinkwater van 0,15 µg/l bij haar onderzoek betrokken. De STAB heeft vastgesteld dat de lozingsnorm van 2.035 kg/jaar leidt tot een toename van de concentratie van FRD-903 in het oppervlakte water van minder dan 10% van de indicatieve waterkwaliteitsnorm. De indicatieve richtwaarde voor drinkwater wordt niet vóór 2090 overschreden. De STAB concludeert daarom dat de lozingsnorm vanuit waterkwaliteitsoogpunt aanvaardbaar moet worden geacht.

11.4

Royal Haskoning DHV ( RHDHV ) heeft in opdracht van Oasen een eigen Immissietoets uitgevoerd. Daarbij is uitgegaan van een indicatieve waterkwaliteitsnorm voor FRD-903 in zout water van 4,2 µg/l en de indicatieve richtwaarde voor drinkwater van 0,15 µg/l. In het rapport van 22 januari 2018 is geconcludeerd dat de lozingsnorm niet voldoet aan de Immissietoets. Alleen een lozingsnorm kleiner dan of gelijk aan 34 kg/jaar kan worden toegestaan. Daarmee wordt de door Rijkswaterstaat geadviseerde lozingsnorm voor op de lange termijn van 20 kg/jaar benaderd.

11.5

Chemours voert aan dat Oasen het rapport van RHDHV pas op 21 maart 2018 heeft overgelegd. Voor zover met dit rapport nieuwe gronden worden aangevoerd, dienen deze wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten omdat zij niet zijn aangevoerd binnen drie weken nadat de STAB als deskundige is benoemd. Chemours betoogt voorts dat RHDHV de Immissietoets niet correct heeft uitgevoerd. Uit de notitie van Witteveen+Bos van 26 april 2018 volgt namelijk onder meer dat RHDHV ten onrechte is uitgegaan van een nieuwe lozing in plaats van een bestaande lozing. Voorts heeft RHDHV getoetst aan de indicatieve norm voor FRD-903 in zout water van 4,2 µg/l in plaats van de indicatieve zoetwaternorm voor FRD-903 van 41,7 µg/l. De lozingsnorm van 2.035 kg/jaar voldoet ruim aan de indicatieve norm voor zoet water. Verder heeft RHDHV de norm voor drinkwater ten onrechte toegepast op oppervlaktewater, is getoetst op een verkeerde locatie omdat het water voor de productie van drinkwater op een veel grotere afstand wordt gewonnen dan de toetsingsafstand en gebruikt Oasen het oppervlaktewater niet direct, maar indirect via oeverinfiltratie. De Immissietoets kan in dergelijke gevallen niet worden toegepast, aldus Chemours .

11.6

De rechtbank stelt vast dat het rapport van RHDHV geen nieuwe beroepsgronden bevat, maar een onderbouwing is van het betoog van Oasen dat verweerder de Immissietoets onjuist heeft uitgevoerd. Nu partijen voorafgaand aan en ter zitting hebben kunnen reageren op het rapport, ziet de rechtbank geen aanleiding het rapport van RHDHV buiten beschouwing te laten.

11.7

De STAB heeft ter zitting bevestigd dat het water dat Oasen gebruikt zoet getijdewater betreft, zodat de indicatieve norm voor zoet water voor FRD-903 van 41,7 µg/l moet worden gebruikt. Met de lozingsnorm van 2.035 kg/jaar wordt die norm niet overschreden. De STAB heeft voorts verklaard dat zij de kritiekpunten van Witteveen+Bos op het rapport van RHDHV onderschrijft. Zij ziet daarom geen aanleiding de conclusie in het deskundigenbericht dat de lozingsnorm volgens de Immissietoets aanvaardbaar kan worden geacht, te herzien.

11.8

Oasen betwist niet dat in het rapport van RHDHV ten onrechte de indicatieve waterkwaliteitsnorm voor zout water is gehanteerd. Deze norm is een factor tien lager dan de indicatieve waterkwaliteitsnorm voor zoet water. Reeds gelet op dit onjuiste uitgangspunt leidt het rapport van RHDHV niet tot de conclusie dat de indicatieve norm zal worden overschreden. Mede gelet op de overige kritiekpunten op het rapport van RHDHV en nu Oasen niet heeft onderbouwd dat de conclusies van de STAB onjuist zijn, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om de conclusies van het deskundigenrapport niet over te nemen. Het betoog van Oasen over de Immissietoets faalt.

11.9

De stelling van Oasen dat verweerder er rekening mee had moeten houden dat een strengere waterkwaliteitsnorm voor FRD-903 wordt vastgesteld slaagt evenmin. De rechtbank overweegt daartoe dat de voorlopige richtwaarde voor drinkwater van 0,15 µg/l is vastgesteld op basis van een worst-case-benadering, zodat verweerder niet gehouden was rekening te houden met een aanscherping van de richtwaarde of andere relevante normen. De rechtbank overweegt voorts dat de Afdelingsuitspraak van 29 januari 2003, waarnaar Oasen heeft verwezen, ziet op een tijdelijke vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, waarbij een ander toetsingskader gold. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het betoog van Oasen dat uit deze uitspraak volgt dat de lozing van FRD-903 niet mag plaatsvinden dan nadat de precieze eigenschappen van deze stof duidelijk zijn.

12.1

Oasen betoogt dat het bestreden besluit ten onrechte niet verzekert dat in de inrichting van Chemours de beste beschikbare technieken worden toegepast. De reverse osmosis-techniek, zoals opgenomen in de BREF “Organische fijnchemie” kan worden aangemerkt als BBT en Chemours past deze techniek reeds toe bij de FRD-903 rijke afvalwaterstroom. Omdat toepassing van deze techniek op de FRD-903 arme afvalwaterstroom voor Chemours aanzienlijk lagere kosten met zich brengt dan indien Oasen deze techniek toepast op het drinkwater, had verweerder in het bestreden besluit moeten voorschrijven dat Chemours reverse osmosis toepast bij het filtreren van FRD-903 uit de FRD-903 arme afvalwaterstroom. Oasen voert verder aan dat bij de inrichting van Chemours in de Verenigde Staten het afvalwater met FRD-903 dat niet kan worden hergebruikt, wordt verbrand. Onduidelijk is waarom dit niet kan bij de inrichting in Dordrecht .

12.2

In het deskundigenbericht is vermeld dat partijen het met elkaar eens zijn dat reverse osmosis geschikt is om FRD-903 uit het oppervlaktewater te filteren. Chemours past deze techniek reeds toe op de FRD-903 rijke afvalwaterstroom. Omdat deze stroom weinig andere stoffen bevat, kan het gefilterde FRD-903 hergebruikt worden. Chemours heeft meegedeeld dat de techniek ook kan worden toegepast op de FRD-903 arme afvalwaterstroom. Omdat deze stroom ook andere chemicaliën dan FRD-903 bevat, blijft echter een geconcentreerde reststroom over die verdere behandeling behoeft. De reststroom kan niet worden hergebruikt en vanwege het vochtgehalte is verbranding volgens Chemours geen optie. Dat zou betekenen dat ook deze geconcentreerde reststroom teruggekoppeld moet worden naar het actief koolfilter, zodat toepassing van reverse osmosis nog steeds tot een lozing van FRD-903 leidt. De STAB heeft ter zitting meegedeeld dat zij de redelijkheid van dit standpunt van Chemours onderschrijft. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder reverse osmosis-techniek in het bestreden besluit had moeten voorschrijven.

12.3

Chemours heeft meegedeeld dat ook in de inrichting in de Verenigde Staten alleen reverse osmosis wordt toegepast op de FRD-903 rijke afvalwaterstroom. Ter zitting heeft zij toegelicht dat verbranding van het afvalwater met FRD-903 dat niet wordt hergebruikt geen optie is voor de inrichting in Dordrecht . De inrichting in de Verenigde Staten is volgens haar niet vergelijkbaar met de onderhavige inrichting. Nu Oasen niet heeft onderbouwd dat de inrichting in de Verenigde Staten op relevante punten overeenkomt met de inrichting in Dordrecht , terwijl Chemours dit ontkent, gaat de rechtbank voorbij aan het betoog van Oasen dat op de FRD-903 arme afvalwaterstroom reverse osmosis moet worden toegepast en dat de reststroom kan worden verbrand.

13.1

Oasen betoogt tot slot dat het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel omdat onduidelijk is op welke termijn en tot welke hoeveelheid Chemours de lozing van FRD-903 verder moet afbouwen. De lozingsnorm van 2.035 kg/jaar leidt ertoe dat de richtwaarde van 0,15 µg/l op termijn wordt bereikt. Nu deze lozingsnorm voor onbepaalde tijd geldt, moet Oasen kostbare aanvullende zuiveringsmaatregelen nemen. Omdat het ontwerpen, aanbesteden en bouwen van aanvullende zuiveringsmaatregelen ongeveer twaalf jaar in beslag zal nemen, moet Oasen binnen twee jaar een beslissing nemen hierover.

13.2

De rechtbank stelt vast dat uit vergunningvoorschrift 1.1.1 blijkt hoeveel FRD-903 Chemours jaarlijks mag lozen. Vergunningvoorschriften 1.1.2 tot en met 1.1.5 bevatten overige (onderzoeks)verplichtingen, waaraan termijnen zijn verbonden. Dat in de vergunningvoorschriften niet is opgenomen dat Chemours de lozing van FRD-903 binnen een bepaalde termijn verder terug moet brengen, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet met zich dat het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Daarbij komt dat, zoals hiervoor is overwogen, verweerder niet gehouden was de lozingsnorm van FRD-903 verder te verlagen. De rechtbank overweegt voorts dat het toetsingskader van artikel 2.30 en artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo geen ruimte biedt om de financiële belangen van derden bij de actualisering te betrekken. Het betoog faalt.

14.1

Uit het voorgaande volgt dat het beroep van Oasen ongegrond is.

14.2

De rechtbank realiseert zich dat met deze uitkomst van het beroep de lozing van FRD-903 zoals deze door verweerder is vergund, toegestaan blijft. De rechtbank heeft oog voor de maatschappelijke onrust die de lozing van FRD-903 teweeg heeft gebracht. Zij komt echter binnen het juridisch kader waaraan verweerder gebonden is en dat voor de rechtbank als toetsingsmaatstaf fungeert, tot geen andere uitkomst. Bij de huidige stand van de wetenschap, zoals verwoord in de zich in het dossier bevindende wetenschappelijke informatie, zijn er geen aanwijzingen dat de lozing van FRD-903 bij aanhouding van de vergunde norm leidt tot nadelige gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid. Verweerder heeft dan ook tot de vergunde lozingsnorm kunnen besluiten.

15. Gelet op het gebrek geconstateerd in overweging 11.2, ziet de rechtbank ten slotte aanleiding verweerder te veroordelen in de door Oasen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het geven van een schriftelijke zienswijze naar aanleiding van het deskundigenbericht van de STAB en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

16. De rechtbank bepaalt voorts dat verweerder aan Oasen het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

in het beroep van Chemours

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover het betreft de toegestane jaarvracht van E1 afkomstig uit de Teflon FEP-fabriek van 50 kg, zoals opgenomen in vergunningvoorschrift 2.1.1;

- bepaalt dat dit vergunningvoorschrift wordt aangepast in die zin dat de emissies naar de lucht van de stof E1 afkomstig uit de Teflon FEP-fabriek de jaarvracht van 59 kg niet mag overschrijden;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van Chemours tot een bedrag van € 1.252,50;

- draagt verweerder op het door Chemours betaalde griffierecht van € 333,- aan haar te vergoeden.

in het beroep van Oasen

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van Oasen tot een bedrag van € 1.252,50;

- draagt verweerder op het door Oasen betaalde griffierecht van € 333,- aan haar te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.P.M. Meskers, voorzitter, en mr. D.R. van der Meer en mr. M.M. Meessen, leden, in aanwezigheid van mr. J.V. Veldwijk, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 28 juni 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.