Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:7111

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-05-2018
Datum publicatie
29-06-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6566
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit is door verweerder tijdig genomen. Rechtbank verklaart het beroep van eiser niet-ontvankelijk en wijst verzoek om dwangsom af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/6566

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de Politiechef eenheid Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. L.B.M. van ‘t Hek).

Procesverloop

Bij brief van 4 mei 2017 heeft eiseres bij de politie Delft een verzoek ingediend om inzage in de gegevens als bedoeld in artikel 25 van de Wet politiegegevens (Wpg).

Op 22 augustus 2017 dient eiseres een beroepschrift niet-tijdig beslissen in bij de rechtbank.

Bij besluit van 25 september 2017 neemt verweerder een besluit naar aanleiding van het verzoek om inzage.

Eiseres heeft het beroep niet ingetrokken omdat zij een uitspraak wil over de dwangsom van € 1260,-- en een uitspraak wenst over een proceskostenveroordeling.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2017.

Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Bij brief van 4 mei 2017 heeft eiseres bij de politie Delft een verzoek ingediend om inzage in de gegevens als bedoeld in artikel 25 van de Wet politiegegevens (Wpg).

1.2

Bij brief van 16 mei 2017 verzoekt verweerder - politie Den Haag - om toezending van een kopie van het identiteitsbewijs van eiseres.

1.3

Volgens de gemachtigde van eiseres heeft hij per (niet-aangetekende) brief van 19 mei 2017 een kopie van het identiteitsbewijs gestuurd aan de politie Delft.

Verweerder heeft de ontvangst c.q. doorzending hiervan ontkend.

1.4

Volgens de gemachtigde van eiseres heeft hij per (niet-aangetekende) brief van 21 juni 2017 de politie Delft in gebreke gesteld tijdig een besluit te nemen.

Verweerder heeft de ontvangst van deze brief eveneens ontkend.

1.5

Naar aanleiding van een telefoongesprek met verweerder op 28 juni 2017 stuurt de gemachtigde van eiseres een email met daarbij een afschrift van een inzageverzoek van

19 mei 2017 en een (blanco) machtiging. Een kopie van het identiteitsbewijs is niet meegezonden.

1.6

Op 25 september 2017 heeft verweerder een besluit genomen op het verzoek om inzage. Desgevraagd heeft eiseres op 28 oktober 2017 laten weten het beroep te handhaven en verzocht om toekenning van dwangsommen en een proceskostenveroordeling.

2 Verweerder stelt zich in het verweerschrift primair op het standpunt dat sprake is van misbruik van bevoegdheid door de gemachtigde en wijst daarbij op:

- het verzenden van poststukken naar onjuiste postadressen;

- het voeren van meerdere procedures met betrekking tot dwangsommen en proceskostenvergoedingen;

- het gebruikmaken van onjuiste zaaknummers van de rechtbank(en).

Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat geen sprake is van te laat beslissen. Verweerder heeft betoogd dat de brieven van 19 mei en 21 juni 2017 niet zijn ontvangen en dat een kopie van het identiteitsbewijs van eiseres eerst op 21 september 2017 is ontvangen. Tevens kan de brief van 21 juni 2017 niet als ingebrekestelling worden aangemerkt. Van een professioneel gemachtigde mag worden verlangd dat een ingebrekestelling als zodanig herkenbaar is en een termijn stelt. Het besluit is genomen op 25 september 2017, dus van termijnoverschrijding kan geen sprake zijn.

3 Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

4.1

De rechtbank overweegt ten aanzien van de vraag of in dit geval sprake is van misbruik van recht het volgende.

4.2

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129) kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich derhalve tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

4.3

Dat de gemachtigde in dit geval poststukken niet naar het postadres van verweerder, maar naar de politie Delft heeft verstuurd, meerdere procedures met betrekking tot dwangsommen en proceskostenvergoedingen voert en onjuiste zaaknummers van rechtbank(en) heeft vermeld, vormt naar het oordeel van de rechtbank vooralsnog onvoldoende aanwijzing voor misbruik van recht.

4.4

De enkele stelling van de gemachtigde van eiseres dat in zijn brieven van 19 mei en 21 juni 2017 het juiste adres - van de politie Delft - zou zijn opgenomen en dat voor een bestuursorgaan een doorzendplicht geldt, is niet voldoende om aan te nemen dat de brieven daadwerkelijk zijn verzonden (dan wel hadden moeten zijn doorgezonden naar verweerder).

Verweerder heeft de ontvangst van de brieven op niet ongeloofwaardige wijze ontkend. Verweerder heeft een printscreen overgelegd van zijn postregistratiesysteem. Daarin staat geen vermelding van de brieven van 19 mei en 21 juni 2017.

Het is in dit geval aan de gemachtigde van eiseres om aannemelijk te maken dat hij de brieven ter post heeft bezorgd dan wel bij verweerder heeft afgegeven, bijvoorbeeld door getuigenverklaringen of ander bewijsmateriaal, zoals een deugdelijke verzendadministratie. Het komt daarbij - hoewel aangetekende verzending niet wettelijk is verplicht - voor rekening en risico van eiseres dat de brieven niet aangetekend zijn verzonden.

Dat - zoals door gemachtigde betoogd - bij verzending van vergelijkbare brieven aan verweerder van verzendproblemen niet is gebleken en dat (andere) wèl aangetekende post naar deze rechtbank kennelijk niet is ontvangen, kan niet de door hem voorgestane betekenis worden toegekend. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat de brieven van 19 mei en 21 juni 2017 daadwerkelijk zijn verzonden.

Dat eiseres wellicht kan bewijzen dat andere post die in dezelfde periode is verzonden wel is aangekomen, laat onverlet dat dit geen bewijs oplevert dat de brieven van 19 mei 2017 en 21 juni 2017 zijn verzonden. Nu niet is gesteld of gebleken dat ander bewijs voorhanden is van de verzending, ziet de rechtbank geen aanleiding eiseres in de gelegenheid te stellen bewijs in te brengen.

4.5

Nu verweerder eerst op 21 september 2017 de vereiste kopie van het identiteitsbewijs van eiseres heeft ontvangen, is het besluit van 25 september 2017 tijdig genomen en was het beroep niet-tijdig beslissen prematuur en derhalve niet-ontvankelijk.

5 Omdat van niet-tijdig beslissen geen sprake is (en de ingebrekestelling op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb een vereiste is voor het toekennen van een dwangsom) heeft verweerder geen dwangsom verbeurd.

De rechtbank wijst het verzoek om vaststelling van een dwangsom dan ook af.

6 Het beroep is ongegrond.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

  • -

    wijst het verzoek om vaststelling van een dwangsom af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

4 mei 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.