Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:70

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-01-2018
Datum publicatie
12-01-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5851
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiseres haar uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) met ingang van 1 januari 2018 verlaagd naar 70% van het minimumloon.

De rechtbank stelt vast dat uit het samenstel van wettelijke bepalingen, waarvan met name artikel 3:8a, derde lid, van de Wajong, beslissend is dat een beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie per 1 januari 2018 plaatsvindt en dat bij afwezigheid daarvan de jonggehandicapte wordt geacht duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie te hebben.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het geval van eiseres, in tegenstelling tot de uit artikel 3:8a, derde lid, van de Wajong expliciete bedoeling van de wetgever, wél een beoordeling van de duurzaamheid uitgevoerd.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten 3:8a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/5851

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2018 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M. Van Benthem)

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: drs. P.F.G. Hermans)

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat haar uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd naar 70% van het minimumloon.

Bij besluit van 12 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Eiseres heeft nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres, geboren op [geboortedatum] 1985, heeft op 1 maart 2009 een uitkering ingevolge de Wajong, zoals die toen luidde, aangevraagd wegens – onder meer – kleptomanie, een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een borderline persoonlijkheidsstoornis. Bij besluit van 7 juli 2009 is aan eiseres met ingang van 1 maart 2008 een Wajong-uitkering toegekend op grond van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De hoogte van deze uitkering bedraagt 75% van het minimumloon. Bij brief van 3 juli 2014 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat, in verband met de inwerkingtreding van de Participatiewet, haar situatie opnieuw zal worden beoordeeld.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Hierbij stelt verweerder zich, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) en het rapport van de arbeidsdeskundige b&b, op het standpunt dat eiseres arbeidsvermogen heeft en dat haar Wajong-uitkering om die reden met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.

3. Eiseres voert aan dat zij geen arbeidsvermogen heeft, aangezien zij niet voldoet aan de criteria zoals gesteld in artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Sb). Ter onderbouwing van deze grond heeft eiseres een drietal verklaringen van haar behandelend sector overgelegd. Daarnaast stelt eiseres dat de verzekeringsartsen ten onrechte geen aanvullende informatie hebben opgevraagd bij de behandelend sector van eiseres en dat er aanleiding is om een medisch deskundige te benoemen. Ter zitting heeft eiseres ten slotte nog aangevoerd dat de verzekeringsarts b&b ten onrechte voorbij is gegaan aan artikel 3:8a, derde lid, van de Wajong. Op grond van dat artikel wordt eiseres geacht duurzaam arbeidsongeschikt te zijn.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op 1 januari 2015 is artikel III van de Invoeringswet Participatiewet (Staatsblad 2014, 270) in werking getreden. Per 1 januari 2015 is ook het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten aangepast. Op grond van artikel III, onderdeel u, van de Invoeringswet Participatiewet is artikel 8:10b aan de Wajong toegevoegd.

4.2.

Ingevolge artikel 8:10b, eerste lid, van de Wajong stelt verweerder vast of de jonggehandicapte met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 3:8a van de Wajong.

4.3.

Ingevolge artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong bepaalt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer dan 75% van de grondslag bedraagt.

4.4.

Artikel III, onderdeel O, van de Invoeringswet Participatiewet bepaalt dat in artikel 3:8, eerste lid, ‘75%’ wordt vervangen door: 70%. Artikel III, onderdeel O, van de Invoeringswet Participatiewet treedt in werking met ingang van 1 januari 2018.

4.5.

Ingevolge artikel 3:8a, eerste lid, van de Wajong bedraagt in afwijking van artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong, de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer 75% van de grondslag, indien de jonggehandicapte duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft.

4.6.

Artikel 1a, eerste lid, van het Sb bepaalt dat betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong heeft indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

4.7.

Ingevolge artikel 3:8a, derde lid, van de Wajong wordt de jonggehandicapte die op 1 januari 2018 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, geacht op die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie te hebben.

5.1.

De primaire verzekeringsarts heeft op 2 januari 2017 een rapport uitgebracht, waaruit volgt dat zij van oordeel is dat eiseres over basale werknemersvaardigheden beschikt, dat eiseres ten minste vier uur per dag belastbaar is en dat zij ten minste een periode van één uur aaneengesloten kan werken. De verzekeringsarts b&b heeft op 14 juni 2017 een rapport uitgebracht, waarin hij heeft uiteengezet waarom hij het eens is met het oordeel van de primaire verzekeringsarts. Daarbij overweegt de verzekeringsarts b&b dat in het kader van de herindeling Wajong sprake te dient te zijn van beperkingen van de belastbaarheid als rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek die langer dan zes maanden zullen voortduren. Specifieker nog, er dient sprake te zijn van beperkingen waarvoor geen verbetering meer te verwachten is. Bij eiseres zijn een aantal ziektebeelden naar voren gekomen waarvoor er nog onderzoeken dienen plaats te vinden en die voorts nog behandelbaar zijn. Voor wat betreft de niet medisch te verklaren klachten overweegt de verzekeringsarts b&b dat die niet uitbehandeld zijn en/of die geen blijvende beperkingen zullen geven. De verzekeringsarts b&b concludeert dat bij eiseres wel sprake is van beperkingen van de belastbaarheid als rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek en dat deze langer dan zes maanden zullen voortduren. Daarnaast kan volgens de verzekeringsarts b&b niet worden gesteld dat eiseres niet ten minste vier uur per dag belastbaar is en niet in staat is aangesloten te werken gedurende ten minste een uur.

5.2.

In beroep heeft eiseres een verklaring van psychiater Kleijn van 13 september 2017 overgelegd, waaruit de rechtbank het navolgende aanhaalt: “Haar leefsituatie is problematisch en stresserend doordat haar vriend veel lichamelijke klachten met veel pijn heeft die hem langere tijd uitgeschakeld hebben. Zij is hierdoor al jaren overbelast. Met groet moeite lukt het haar haar leven nog enigszins inhoud en richting te geven. Er is echter een uitermate fragiel evenwicht. Periodiek ontregelt zij door externe stress waarbij zij zich ook suïcidaal kan uiten. Tot op heden is het mij gelukt een en ander ambulant te managen. Enige maanden overleed haar vader, met wie zij een conflictrijke relatie had, na een kortstondig ziekbed toch nog vrij onverwacht. Deze gebeurtenis heeft veel nare oude herinneringen uit haar jeugd gereactiveerd waardoor zij nu ook klachten heeft die op een Posttraumatische stress stoornis wijzen. Al met al is zij nu telkens op de rand van decompensatie en met een hogere frequentie van de begeleidende gesprekken en medicatie hoop ik het tij te keren. Vanzelfsprekend hoort het inschatten van een arbeidsrestcapcaiteit niet tot het domein van mij als haar behandelaar. Alles overziend ben ik als haar behandelaar de mening toegedaan dat het zeer verstandig zou zijn om op dit moment niets in haar uitkeringssituatie te wijzen. Een mogelijke verandering roept bij haar namelijk op dit moment zoveel stress op dat ik vrees voor een ernstige decompensatie met de al eerder genoemde suïcidaliteit”.

5.3.

De verzekeringsarts b&b heeft in het rapport van 17 november 2017 een reactie gegeven op de onder 5.2 aangehaalde verklaring van psychiater Kleijn. Daarbij overweegt de verzekeringsarts b&b dat hij zich bewust is van de zorgen van de behandelaars en dat deze zorgen bovendien zeker goed te begrijpen zijn, vanwege de onderliggende persoonlijkheidsproblemen, de ADHD en de moeilijke sociale omstandigheden van eiseres. Voorts overweegt hij dat echter gekeken dient te worden naar de duurzame mogelijkheden van eiseres.

6.1.

De rechtbank stelt vast dat uit het samenstel van wettelijke bepalingen, waarvan met name artikel 3:8a, derde lid, van de Wajong, beslissend is dat een beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie per 1 januari 2018 plaatsvindt en dat bij afwezigheid daarvan de jonggehandicapte wordt geacht duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie te hebben. Met artikel 3:8a, derde lid, van de Wajong introduceert de wetgever in feite een fictie. Deze fictie impliceert dat verweerder tijdens de herbeoordelingsoperatie van de uitkeringsgerechtigde de duurzame afwezigheid van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie niet toetst, maar slechts toetst of de uitkeringsgerechtigde mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie. Bij afwezigheid van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie komt verweerder derhalve niet toe aan een duurzaamheidstoetsing.

6.2.

Uit 5.1 tot en met 5.3 leidt de rechtbank af dat de verzekeringsarts b&b, in tegenstelling tot de uit artikel 3:8a, derde lid, van de Wajong expliciete bedoeling van de wetgever, wél een beoordeling van de duurzaamheid heeft uitgevoerd. Hij heeft immers onderzocht of bij eiseres beperkingen aanwezig zijn die langer dan zes maanden zullen voortduren. De beroepsgrond van eiseres dat de verzekeringsarts b&b ten onrechte voorbij is gegaan aan artikel 3:8a, derde lid, van de Wajong en dat daarmee het onderzoek van verweerder gebrekkig en onvolledig is, slaagt daarom. Reeds hierom is het bestreden besluit van verweerder in strijd met artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.

7.1.

Met betrekking tot de vraag of eiseres per 1 januari 2018 mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, overweegt de rechtbank het volgende. De verzekeringsarts b&b overweegt in zijn rapport van 14 juni 2017 dat sprake is van beperkingen van de belastbaarheid die langer dan zes maanden zullen voortduren. Bovendien zijn volgens de verzekeringsarts b&b in bezwaar een aantal ziektebeelden naar voren gekomen waarvoor nog onderzoeken dienen plaats te vinden en die ook nog behandelbaar zijn. In zijn rapport van 17 november 2017 overweegt hij vervolgens dat de behandelend neuroloog Doorlag-de Vries heeft bevestigd dat de hoofdpijnklachten en de klachten aan de hand van eiseres behandelbaar zijn. Daarbij overweegt de verzekeringsarts b&b voorts dat het recente overlijden van de vader van eiseres heeft geleid tot klachten die op PTSS lijken en dat de psychiater die nu behandelt. In dit kader heeft psychiater Kleijn op 13 september 2017 verklaard dat het vrij onverwachte overlijden van de vader van eiseres veel nare oudere herinneringen uit haar jeugd heeft gereactiveerd waardoor zij nu klachten heeft die op PTSS wijzen. Tot slot heeft behandelend neuroloog Doorlag-de Vries op 12 september 2017 verklaard dat eiseres, vanwege het vrij snelle overlijden van haar vader, momenteel in een rouwproces zit die een toename van de hoofdpijnklachten heeft gegeven.

7.2.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien en rekening houdend met de medische informatie van de behandelend sector, stelt de rechtbank vast dat eiseres per 1 januari 2018 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en derhalve op grond van artikel 3:8a, derde lid, van de Wajong wordt geacht op die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie te hebben.

8. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de wet. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal het bezwaar van eiseres gegrond verklaren en het primaire besluit herroepen. Dit betekent dat de Wajong-uitkering van eiseres per 1 januari 2018 niet zal worden verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Daarbij merkt de rechtbank op dat in bezwaar geen sprake is geweest van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Met betrekking tot de op het formulier proceskosten opgevoerde kosten van in totaal € 206,64 voor medische informatie overweegt de rechtbank dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen, nu de medische informatie heeft bijgedragen aan de beoordeling van de zaak en de opgevoerde kosten zijn onderbouwd met facturen. Gelet op het voorgaande bedraagt de totale proceskostenvergoeding € 1.208,64 (€ 1002,- + € 206,64).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het bezwaar van eiseres gegrond, herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.208,64

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Hammer, rechter, in aanwezigheid van mr. C.A.W. Zijlstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.