Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6949

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-05-2018
Datum publicatie
13-06-2018
Zaaknummer
AWB 17/13312 en 17/11660 (vovo)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 ingediend. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat volgens Bureau Medische Advisering (BMA) een medische noodsituatie op korte termijn niet te verwachten is. Wel heeft eiseres een vergroot risico op het ontwikkelen van nierfalen en een verhoogde bloeddruk kan in het geval van eiseres op de middellange termijn tot dermate nierschade leiden dat hemodialyse noodzakelijk zal worden. Het BMA heeft op verzoek van de rechtbank uitgelegd wat met middellange termijn bedoeld wordt. Nierfalen wordt niet binnen een jaar verwacht, zodat naar het oordeel van de rechtbank ook niet kan worden gezegd dat eiseres bij uitzetting naar haar land van herkomst, Ghana, komt te verkeren in een situatie van een ernstige, snelle en onomkeerbare achteruitgang in de gezondheid resulterend in een intens lijden of een significante afname van de levensverwachting, zoals bedoeld in het Paposhvili-arrest. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/13312 (beroep)

AWB 17/11660 (voorlopige voorziening)

[V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 18 mei 2018 in de zaken tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] 1971, van Ghanese nationaliteit, eiseres en verzoekster, hierna te noemen: eiseres

(gemachtigde: mr. I.M. Hagg),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E.P. Pijnenburg).

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 1 mei 2017 om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Eiseres heeft op 7 juni 2017 verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist. Het eveneens op 7 juni 2017 ingediende bezwaar is bij besluit van 26 juli 2017 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 27 juli 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangemerkt als ingediend hangende deze beroepsprocedure.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. J. Werner, als waarnemer van haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig P. Cuijpers, tolk in de Engelse taal. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Op 26 januari 2018 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld om bij het Bureau Medische Advisering (BMA) na te vragen wat wordt bedoeld met ‘middellange termijn’ in het aanvullende BMA advies van 18 juli 2017.

Verweerder heeft op 8 februari 2018 schriftelijk gereageerd.

Eiser heeft hierop bij brief van 23 februari 2018 gereageerd.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek op 18 april 2018 gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van de verzoeken om vrijstelling van de griffierechten

1.1

De rechtbank heeft zowel ten behoeve van de voorlopige voorziening als ten behoeve van het beroep verzoeken van eiseres ontvangen om te worden vrijgesteld van griffierecht vanwege betalingsonmacht.

1.2

Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb wordt van de indiener van een beroepschrift griffierecht geheven. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 20151 volgt dat een rechtzoekende hiervan kan worden vrijgesteld als hij aan de in dezelfde uitspraak genoemde criteria voor betalingsonmacht voldoet. Ter onderbouwing daarvan kan een rechtszoekende zonder geldige verblijfsstatus volstaan met een eigen verklaring omtrent afwezigheid van vermogen en inkomen.

1.3

Op 19 juni 2017 respectievelijk 14 augustus 2017 heeft de rechtbank voornoemde verklaringen van eiseres ontvangen. Eiseres heeft geen geldige verblijfsstatus. De rechtbank stelt vast dat eiseres aan de daarvoor geldende eisen voldoet en wijst de verzoeken om vrijstelling van het griffierecht toe.

Ten aanzien van het beroep

De aanvraag van eiseres

2. Eiseres heeft verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 vanwege haar gezondheidstoestand. Naar aanleiding van de aanvraag van eiseres heeft verweerder advies gevraagd aan het BMA. Het BMA heeft op 10 mei 2017 advies uitgebracht. Naar aanleiding van de gronden van bezwaar heeft verweerder op 6 juli 2017 aan het BMA verzocht een aanvullend medisch advies uit te brengen. Het BMA heeft op 18 juli 2017 een aanvullend advies uitgebracht. Bij schrijven van 8 februari 2018 heeft het BMA antwoord gegeven op de vraag wat wordt bedoeld met ‘middellange termijn’ in het advies van 18 juli 2017.

De adviezen van het BMA

2.1

In de adviezen heeft het BMA geconcludeerd dat eiseres lichamelijke klachten heeft. De lichamelijke klachten bestaan uit vermoeidheid en duizeligheidsklachten, die wisselend optreden. Ook is er een aangeboren nieraandoening, die overerfbaar is. Deze aandoening wordt gekenmerkt door cysten. Er is nierschade, die naar verwachting zal toenemen en volgens de behandelaar de komende jaren achteruit zal gaan en uiteindelijk tot hemodialyse of niertransplantatie zal leiden. Eiseres staat onder behandeling, die bestaat uit regelmatige follow up door een internist. Tevens wordt medicatie voorgeschreven. Het BMA heeft geconcludeerd dat bij het uitblijven van behandeling de verslechtering van de nierfunctie niet tijdig zal worden opgemerkt. Deze verslechtering wordt de komende jaren verwacht. Ook zal de stijging van de bloeddruk door de achteruitgang van de nierfunctie niet worden opgemerkt, waardoor deze meer stijgt dan gewenst wordt geacht. Het uitblijven van de behandeling zal echter niet leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn, omdat op dit moment slechts follow up plaatsvindt en een vooruitzicht van verslechtering (tot nierfalen) in de loop der jaren wordt genoemd. Eiseres wordt geacht in staat te zijn te reizen, waarbij er geen aanwijzingen zijn dat enige medische voorziening noodzakelijk is. In het aanvullend advies heeft het BMA geconcludeerd dat het feit dat eiseres meer medicatie gebruikt dan waar ten tijde van het eerdere advies vanuit werd gegaan, geen gevolgen heeft voor dit eerdere advies. Gelet op het feit dat eiseres slechts beperkte medicatie heeft voor de bloeddruk, kan volgens het BMA van een te verwachten medische noodsituatie op korte termijn niet gesproken worden. Wel merkt het BMA op dat eiseres vanwege de nierproblemen een vergroot risico heeft op het ontwikkelen van nierfalen en dat een verhoogde bloeddruk in haar geval op de middellange termijn reeds tot dermate nierschade kan leiden dat hemodialyse noodzakelijk zal worden.

2.2

Uit het schrijven van 8 februari 2018 van het BMA blijkt dat een middellange termijn langer is dan drie maanden, maar minder lang dan de lange termijn van meerdere jaren tot tientallen jaren. Pragmatisch kan men de periode tussen drie maanden en minder dan vijf jaar aannemen. Uit de richtlijn ‘Voorlopige Nederlandse Federatie voor Nefrologie Richtlijn Diagnostiek en behandeling chronische nierschade’ blijkt dat een snelle achteruitgang een achteruitgang van de GFR van meer dan 5 ml/min/1,73m² betreft. Van nierfalen wordt gesproken bij een GFR van minder dan 15 ml/min/1,73m². In maart 2017 was de GFR van eiseres 37 ml/min/1,73m². Uitgaande van de criteria van een snelle achteruitgang en de noodzakelijke daling van de GFR totdat gesproken moet worden van dialyse, is het BMA van mening dat dit niet op korte termijn te verwachten is, zelfs niet binnen een jaar. Uitgaande van de bloeddruk die eiseres heeft, zal, bij een snelle achteruitgang, een toestand van nierfalen binnen vier jaar ontstaan. Hierbij merkt het BMA op dat niet te voorspellen is hoe snel feitelijk de achteruitgang zal zijn. Een te hoge bloeddruk zal het versnellen, maar er kan winst op andere terreinen worden gemaakt waardoor de snelheid weer afneemt. Hoe meer negatieve factoren, hoe sneller de achteruitgang, maar nu een daling van de GFR van 5 ml/min/1,73m² als snel wordt gedefinieerd en eiseres in maart 2017 een GFR had van 37 ml/min/1,73m², wordt nierfalen niet binnen een jaar verwacht.

De standpunten van partijen

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen onder verwijzing naar het advies van het BMA, het aanvullend advies en de toelichting van 8 februari 2018. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het advies volgt dat eiseres in staat is te reizen en dat het uitblijven van behandeling niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding vormen om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies.

4. Eiseres voert aan dat verweerder in de onderhavige procedure ten onrechte heeft nagelaten onderzoek te doen of de medicatie, de mogelijkheden tot controle dan wel een ‘follow up’ aanwezig zijn in het land van herkomst. Daarbij is volgens eiseres van belang dat de BMA-arts in zijn rapportage heeft opgemerkt dat eiseres vanwege nierproblemen een vergroot risico heeft op het ontwikkelen van nierfalen en dat de verhoogde bloeddruk in haar geval op middellange termijn reeds tot dermate nierschade kan leiden dat hemodialyse noodzakelijk wordt. Daarnaast voert eiseres aan dat zij bij uitzetting in de situatie terecht zal komen die schending van artikel 3 van het EVRM2 oplevert, omdat niet duidelijk is of er in het land van herkomst de noodzakelijke controles en de noodzakelijke ‘follow up’ kunnen worden uitgevoerd om een levensbedreigende situatie te voorkomen.

Het staat namelijk buiten kijf dat binnen afzienbare tijd een ‘follow up’ dient plaats te vinden waarbij medicatie vervangen zal moeten worden door dialyse. Eiseres verwijst hierbij naar het Paposhvili-arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 13 december 20163. Verder voert eiseres aan dat verweerder met de toelichting van het BMA van 8 februari 2018 er niet in is geslaagd alle twijfels over het risico om te worden blootgesteld aan een situatie die strijdig is met artikel 3 van het EVRM weg te nemen. Volgens eiseres heeft zij voldoende bewijs overgelegd dat er serieuze gronden zijn om aan te nemen dat zij bij terugkeer naar haar land van herkomst een dergelijk risico loopt. Tevens voert eiseres aan dat het onredelijk is om de grens tussen de korte termijn en de middellange termijn als een absoluut gegeven te zien. Uit de criteria van het EHRM valt ook niet op te maken dat een dergelijke niet-onderbouwde grens tussen twee termijnen aan eiseres tegengeworpen mag worden.

Het oordeel van de rechtbank

5.1

De rechtbank overweegt als volgt. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 september 2017,4 heeft de Afdeling in rechtsoverweging 6.3 het volgende overwogen:

‘Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat een vreemdeling die medische, sociale of andere zorg ontvangt in beginsel aan artikel 3 van het EVRM geen recht kan ontlenen zijn verblijf voort te zetten in het land waar hij die zorg ontvangt. Alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan uitzetting in verband met de medische toestand van een vreemdeling een schending van artikel 3 van het EVRM opleveren. Uit die rechtspraak kan voorts worden afgeleid dat deze uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen, indien een vreemdeling lijdt aan een ernstige ziekte die een dusdanig stadium heeft bereikt dat hij door uitzetting, bij gebrek aan bestaan van medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, komt te verkeren in een onmenselijke situatie van ondraaglijk lijden, die meteen of vrijwel meteen tot de dood leidt (zie het arrest van 2 mei 1997, D. tegen Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:1997:0502JUD003024096, punt 53). Het EHRM sluit evenwel niet uit dat ook in 'andere zeer uitzonderlijke gevallen' sprake zou kunnen zijn van humanitaire omstandigheden waardoor uitzetting zou leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM (zie het arrest van 27 mei 2008, N. tegen Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0527JUD002656505, punt 43). Uit punt 183 van het arrest Paposhvili volgt dat hiervan sprake kan zijn indien er gewichtige redenen zijn aangevoerd om aan te nemen ('substantial grounds have been shown for believing') dat een ernstig zieke vreemdeling, al is deze niet stervende, bij uitzetting een reëel risico ('real risk') loopt op een ernstige, snelle en onomkeerbare achteruitgang in zijn gezondheid, resulterend in een intens lijden of een significante vermindering van de levensverwachting door de afwezigheid van adequate behandeling in het land van herkomst of gebrek aan toegang tot een dergelijke behandeling. Daarbij benadrukt het EHRM dat de drempel voor een beroep op artikel 3 van het EVRM in zaken die gaan over het uitzetten van ernstig zieke vreemdelingen, onverminderd hoog blijft.’

5.2

In paragraaf A3/7.1.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) staat dat onder een medische noodsituatie een situatie wordt verstaan waarbij de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een termijn van drie maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.

5.3

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling5 strekt, indien en voor zover verweerder een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een daartoe strekkende beroepsgrond beoordeelt of verweerder zich ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ervan heeft vergewist dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

5.4

De rechtbank is van oordeel dat het BMA advies na beantwoording van de vraag wat onder middellange termijn wordt verstaan, naar inhoud inzichtelijk en concludent is en naar wijze van totstandkoming zorgvuldig. De rechtbank stelt vast dat de medische situatie van eiseres wel ernstig is, maar uit het advies en de toelichting van het BMA blijkt niet dat bij het uitblijven van een behandeling een ernstige, snelle en onomkeerbare achteruitgang in haar gezondheid te verwachten is. Uit de toelichting van het BMA van 8 februari 2018 blijkt dat nierfalen niet binnen een jaar wordt verwacht, zodat het achterwege blijven van behandeling niet binnen die termijn en dus ook niet binnen een termijn van drie maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Nu nierfalen niet binnen een jaar wordt verwacht kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet worden gezegd dat eiseres bij uitzetting naar het land van herkomst komt te verkeren in een situatie van een ernstige, snelle en onomkeerbare achteruitgang in de gezondheid resulterend in een intens lijden of een significante afname van de levensverwachting, zoals bedoeld in het Paposhvili-arrest.

6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Ghana wegens haar medische situatie een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Het beroep slaagt dan ook niet. Het voorgaande betekent dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om aan eiseres uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

7. De rechtbank hecht eraan verweerder mee te geven, gelet op de zwaarte en ernst van de medische problematiek van eiseres, dat op het moment dat het daadwerkelijk komt tot uitzetting van eiseres, opnieuw goed zal moeten worden gekeken naar de medische situatie van eiseres. Als dan blijkt dat wel een ernstige, snelle en onomkeerbare achteruitgang in de gezondheid van eiseres te verwachten is, komt de zaak anders te liggen.

8. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

9. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 17/13312,

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 17/11660,

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Belhaj, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 ECLI:NL:CRVB:2015:282.

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3 ECLI:CE:ECHR:2016:1213.

4 ECLI:NL:RVS:2017:2627.

5 Onder meer de uitspraak van 6 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3280.