Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6912

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-04-2018
Datum publicatie
16-07-2018
Zaaknummer
09/765006-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onder andere naam verblijfsvergunning en rijbewijs aanvragen en gebruiken, schuldheling, taakstraf 240 uren, voorwaardelijke gevangenisstraf 3 maanden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/765006-18

Datum uitspraak: 13 april 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officieren van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats 1] ,

BRP-adres: [adres verdachte] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 20 maart 2018 tot en met 22 maart 2018 en het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 6 april 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. C. Sam-Sin en N. Coenen en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. F.N. Dijkers naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 01 februari 2017 te [plaats] opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een rijbewijs, op naam van [valse naam verdachte] door dit document te overhandigen aan de rechter-commissaris;

2.

hij op of omstreeks 20 juni 2016 te [plaats] een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een Nederlands paspoort op naam van [valse naam verdachte] (voorzien van documentnummer [documentnummer] ) en/of een verblijfsdocument (regulier onbepaalde tijd voorzien van documentnummer [documentnummer] ) op naam van [valse naam verdachte] , waarvan hij, verdachte, wist dat deze vals of vervalst was, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 21 juni 2016 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer goed(eren), te weten

- eenentwintig, althans één of meer micro SD-kaartjes en/of

- drie, althans één of meer polo's (merk Puma en/of Iceberg) en/of

- een pullover (merk Tommy Hilfiger) en/of

- twaalf, althans één of meer string(s) (merk Hunkemöller)

heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

hij op 21 juni 2016 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen heeft witgewassen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader een of meer geldbedrag(en), te weten (tot) een bedrag van totaal 46.650,- euro verworven en/of voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) - onmiddellijk of middellijk - van misdrijf afkomstig(e) geldbedrag(en) betrof(fen).

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

Op 21 juni 2016 is verdachte aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij een ontvoering. Voor dit feit is verdachte vervolgd onder dagvaarding met parketnummer 09/767181-16, waarin eveneens vandaag uitspraak zal worden gedaan. In deze dagvaarding met parketnummer 09/767181-16 is verdachte aangeduid als [verdachte] en als [valse naam verdachte] .

Op 21 juni 2016 heeft eveneens een doorzoeking plaatsgevonden in de woning aan de [adres] .2 Dit is de woning van de vriendin van verdachte, waar verdachte meestal verblijft.3 In deze woning zijn in beslag genomen een geldbedrag van

€ 46.650, een Nederlands paspoort, een verblijfsdocument op naam van [valse naam verdachte] en een koffer met kleding (o.a. een polo van het merk Iceberg, twee polo’s van het merk Puma, een trui/pullover van het merk Tommy Hilfiger en twaalf strings van het merk Hunkemöller aan een hangertje).4 Alle genoemde kleding was voorzien van een prijssticker/kaartje en een anti-diefstaltag.5 De auto van verdachte, een Renault Kangoo met kenteken [kenteken] , is op 21 juni 2016 ook doorzocht. In deze auto zijn in een Albert Heijn-tas onder andere negentien micro-sd kaarten van Albert Heijn en drie micro-sd kaarten van het Kruidvat aangetroffen. De drie micro-sd kaarten van het Kruidvat zaten nog in de verpakking en waren voorzien van een beveiligingstag.6

Bij een verhoor als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris in strafzaken op

1 februari 2017 heeft verdachte zich gelegitimeerd met een rijbewijs op naam van [valse naam verdachte] . De officier van justitie heeft op die dag dat rijbewijs in beslag genomen.7

Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat het aangetroffen geld het gezamenlijke spaargeld van hem en zijn vriendin is en dat de aangetroffen persoonsdocumenten en kleding van hem zijn. Over de sd-kaarten heeft hij verklaard dat die van een collega zijn die in zijn auto heeft meegereden.8

Over deze feiten, waarvan onderdelen in de tenlastelegging zijn terug te vinden, bestaat geen discussie.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten.

3.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de aan verdachte onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle tenlastegelegde feiten, zoals verwoord in zijn schriftelijke pleitnota. Daarnaast heeft de raadsman nog aangevoerd dat indien verdachte wordt vrijgesproken van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, reeds daarom ook vrijspraak van de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten dient te volgen, omdat de naam waaronder is gedagvaard niet overeenkomt met de naam van zijn cliënt.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Vrijspraak feit 4

Verdachte wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 46.650. Niet ter discussie staat dat aan de omstandigheden waaronder dit geldbedrag is aangetroffen een vermoeden van witwassen kan worden ontleend.

De rechtbank overweegt dat het onderzoek in deze zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd voor het van enig misdrijf afkomstig zijn van het in beslag genomen geldbedrag.

De rechtbank overweegt voorts dat verdachte verklaringen heeft afgelegd over de manier waarop hij het bedrag heeft gespaard en hiertoe veel bankafschriften en ander bewijsmateriaal heeft overgelegd. Anders dan de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van verdachte niet van dien aard zijn dat deze als ongeloofwaardig terzijde dienen te worden gesteld.

De rechtbank merkt hierbij op dat verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en, naar het oordeel van de rechtbank, niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken herkomst van het geldbedrag heeft benoemd. Hij heeft daarbij stukken overgelegd waaruit blijkt van uitkeringen door de verzekering, van inkomsten uit een eerder dienstverband en van inkomsten uit zijn in februari 2014 opgerichte klusbedrijf. Verdachte heeft een min of meer volledig overzicht gegeven van de inkomsten en uitgaven van hem en zijn partner gedurende de periode van 2007 tot en met juni 2016.

In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van het openbaar ministerie had gelegen de verklaringen van de verdachte niet enkel te betwisten maar ze juist verder te onderzoeken. Dergelijk onderzoek is niet verricht, althans de rechtbank heeft geen resultaten daarvan in het dossier aangetroffen.

Conclusie ten aanzien van feit 4

Nu niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het bij verdachte aangetroffen geldbedrag een legale herkomst heeft en een criminele herkomst niet als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden kan gelden, is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen wat verdachte is tenlastegelegd, zodat hij van dit feit moet worden vrijgesproken.

Bewijs feiten 1 en 2

Verdachte wordt verweten dat hij een valse identiteit gebruikt. Hij zou niet [valse naam verdachte] (geboren [geboortedatum] 1985) zijn, maar een persoon met de naam [verdachte] (geboren [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats 2]9). Het belangrijkste bewijsmiddel voor deze verdenking is een telefoongesprek dat op 19 juni 2016 wordt gevoerd via het nummer [telefoonnummer] met een Armeens telefoonnummer.10 Het nummer [telefoonnummer] staat op naam van [bedrijf] , het bedrijf van verdachte.11 De beller van dit nummer geeft in dit gesprek te kennen dat hij [verdachte] is, maar in Nederland zijn achternaam en datum anders zijn. Bij dit gesprek wordt door de tolk aangegeven (middels de aanduiding (sh) dat staat voor stemherkenning) dat de stem van verdachte herkend wordt als degene die het nummer [telefoonnummer] gebruikt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan genoegzaam worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die dit gesprek heeft gevoerd. In de eerste plaats wijst de rechtbank op het feit dat dit telefoonnummer op naam van het bedrijf van verdachte staat. De telefoon met dit nummer is ook op 21 juni 2016 aangetroffen bij de doorzoeking van de auto en woning aan de [adres] .12 Verdachte heeft verklaard dat alleen dit nummer staat geregistreerd op naam van zijn bedrijf en dat hij de telefoon nooit voor langere tijd uitleent, hoogstens wordt er wel eens door een ander mee gebeld.13 In dit verband valt op dat de gebruiker van dit nummer in bedoeld gesprek aan het einde op de vraag of “dit zijn telefoonnummer is” als antwoord geeft “ja, dit heb ik altijd bij me”.

In de tweede plaats wordt de deelnemer aan dit gesprek door de tolk aan zijn stem herkend als verdachte. Het betreft de tolk in de Armeense taal met nummer 00211. Deze tolk is vanuit het onderzoek King bekend met de stem van verdachte en heeft onder andere delen van gesprekken vertaald, waarvan verdachte heeft erkend daaraan deelgenomen te hebben.14 Het betreft bovendien de tolk die enkele weken voor dit gesprek van eerdere aan verdachte toegeschreven tapgesprekken aangeeft dat deze ten onrechte aan verdachte worden toegeschreven.15 Gelet op deze bevindingen kan de herkenning door de tolk van de stem van verdachte als deelnemer aan het gesprek van 19 juni 2016 naar het oordeel van de rechtbank als betrouwbaar worden aangemerkt.

In de derde plaats wijst de rechtbank op de opmerking van de beller in bedoeld telefoongesprek dat “in Nederland de achternaam en datum anders is” en de overeenkomsten tussen voornaam (beide keren “ [verdachte] ”) en geboortedatum van [valse naam verdachte] en [verdachte] ([geboortedatum] 1985 en [geboortedatum] 1982). Ook de opmerking van de beller in bedoeld gesprek dat “het gaat niet goed met mijn schoonvader” komt overeen met de situatie van verdachte, wiens schoonvader aan longkanker leed16 en die enkele dagen na het telefoongesprek is overleden.17

Gelet op het voorgaande wordt de verklaring van verdachte dat dit gesprek niet door hem is gevoerd, maar waarschijnlijk door één van zijn werknemers, als niet aannemelijk ter zijde geschoven.

Ten slotte merkt de rechtbank nog op dat is gebleken dat [valse naam verdachte] niet bekend is bij het Staatsbevolkingsregister PVU van de politie van de Republiek Armenië en de naam [verdachte] wel.18 De eerst ter zitting door verdachte betrokken stelling dat zijn geboorteplaats in het huidige Azerbeidzjan ligt en dat daarom zijn naam niet bekend is bij de autoriteiten in Armenië, is in een zodanig laat stadium aangevoerd dat dit niet geverifieerd kan worden, maar kan gelet op de opgesomde bevindingen sowieso niet tot een ander oordeel leiden.

Conclusie ten aanzien van de feiten 1 en 2

Gelet op al deze bevindingen, in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van de rechtbank de ware identiteit van verdachte “ [verdachte] ” en heeft hij zich ten onrechte voorgedaan als [valse naam verdachte] . Daarmee zijn de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Bewijs feit 3

Verdachte heeft erkend dat de aangetroffen kleding van hem is. De in de tenlastelegging genoemde micro sd-kaarten zijn aangetroffen in zijn auto en daarover heeft verdachte enkel verklaard dat ze niet van hem zijn. Dit bevreemdt omdat van de overige in de auto aangetroffen goederen niet is gebleken dat ze niet van verdachte zijn. Ook is de Albert Heijn-tas waarin de micro sd-kaarten zaten op 20 september 2016 aan verdachte teruggegeven en door hem in ontvangst genomen.19 Wat hier verder ook van zij, nu verdachte kennelijk wel wist dat de micro sd-kaarten in zijn auto lagen, had hij de feitelijke zeggenschap over deze goederen en heeft hij ze daarmee voorhanden gehad.

Op de kleding en op drie van de micro sd-kaarten zat een prijssticker/kaartje en een anti-diefstaltag. Blijkens navraag bij de Hunkemöller wordt bij verkoop van strings (en elk ander kledingstuk) de antidiefstaltag verwijderd en worden de kledingstukken zonder hangertje geleverd.20 Gelet hierop en op het feit dat het in het algemeen gebruikelijk is dat bij aankoop van kleding en micro-sd-kaarten de antidiefstaltags worden verwijderd, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat deze goederen van enig misdrijf afkomstig zijn en had verdachte zich door het op deze wijze verwerven en voorhanden hebben van deze goederen ook moeten realiseren dat er een gerede kans bestond dat deze goederen van enig misdrijf afkomstig waren.

Conclusie ten aanzien van feit 3

Gelet op de hierboven genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling. Van de heling van de micro sd-kaarten waarop geen antidiefstaltag zat zal verdachte worden vrijgesproken.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op 01 februari 2017 te [plaats] opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een rijbewijs, op naam van [valse naam verdachte] door dit document te overhandigen aan de rechter-commissaris;

2.

hij omstreeks 20 juni 2016 te [plaats] een reisdocument en identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een Nederlands paspoort op naam van [valse naam verdachte] (voorzien van documentnummer [documentnummer] ) en een verblijfsdocument (regulier onbepaalde tijd voorzien van documentnummer [documentnummer] ) op naam van [valse naam verdachte] , waarvan hij, verdachte, wist dat deze vals waren, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 21 juni 2016 te [plaats] goederen, te weten

- drie micro SD-kaartjes en

- drie polo's (merk Puma en/of Iceberg) en

- een pullover (merk Tommy Hilfiger) en

- twaalf strings (merk Hunkemöller)

voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd (cursief weergegeven). Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd om aan verdachte – voor deze zaak en de zaak met parketnummer 09/767181-16 – op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijfentwintig maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om een straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest eventueel aangevuld met een onvoorwaardelijke werkstraf.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte is onder een andere naam dan zijn eigen naam in Nederland gaan leven en heeft op die andere naam een verblijfsvergunning en een rijbewijs verkregen. Verdachte heeft deze documenten voorhanden gehad en het rijbewijs gebruikt om zich te legitimeren toen hij een verklaring bij de rechter-commissaris kwam afleggen. Verdachte heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met een bewijsbestemming als de onderhavige. Verdachte heeft geen openheid van zaken gegeven over de reden van het aannemen van een valse identiteit, zodat de rechtbank hier geen rekening mee kan houden.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan schuldheling. De verdachte heeft hiermee aangetoond geen respect te hebben voor andermans eigendommen en bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen goederen.

Gelet op de aard en de ernst van de feiten, alsmede op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, is naar het oordeel van de rechtbank in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 21 maart 2018. Daaruit blijkt dat verdachte op 21 november 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld vanwege uitkeringsfraude. Deze veroordeling is niet onherroepelijk.

De rechtbank ziet in de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding af te wijken van het uitgangspunt van oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegende acht de rechtbank een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De rechtbank legt aan verdachte de voorwaardelijke gevangenisstraf op, om verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw uit te geven als [valse naam verdachte] en zich met valse identiteitsdocumenten als zodanig te legitimeren, alsmede om verdachte ervan te weerhouden opnieuw andere strafbare feiten te plegen. De door de rechtbank op te leggen straf wijkt af van de door de officieren van justitie gevorderde straf gelet op voornoemde omstandigheden alsmede op de omstandigheid dat de rechtbank verdachte vrij zal spreken van het witwassen van het geldbedrag en de officieren van justitie in twee zaken één straf hebben geëist. De rechtbank gaat in het vonnis met parketnummer 09/767181-16 in op deze andere zaak.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 321 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk gebruik maken van een vals identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk gebruik maken van een vals identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht;

ten aanzien van feit 3:

schuldheling;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 240 (TWEEHONDERDTWINTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (honderdtwintig) DAGEN;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (DRIE) MAANDEN;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P. Verbeek, voorzitter,

mr. J. Holleman, rechter,

mr. N.I.S. Wallet, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. B. Schaafsma, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 april 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit, tenzij anders vermeld, de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2015-209439, zaaksdossier genaamd ‘King’, van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 1406) en het beslagdossier (doorgenummerd p. 1 t/m 159)

2 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, beslagdossier, p. 58-59

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 485

4 Proces-verbaal Beslagdossier locatie [adres] , beslagdossier, p. 3 en p. 150-152

5 Proces-verbaal goederen uit koffer [adres] , beslagdossier, p. 138-139

6 Proces-verbaal Beslagdossier locatie [adres] , beslagdossier, p. 5 en proces-verbaal van bevindingen, beslagdossier, p. 144-149

7 Proces-verbaal verhoor getuige bij de rechter-commissaris d.d. 1 februari 2017

8 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 21 maart 2018

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1038-1040

10 Proces-verbaal van tapgesprek, p. 1278-1279

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1274-1277

12 Proces-verbaal van bevindingen, Algemeen Dossier, p. 453

13 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 493

14 Proces-verbaal van tapgesprek, p. 812/836 en verklaring verdachte ter terechtzitting van 21 maart 2018

15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1221-1222

16 Zie door de raadsman overgelegde brief d.d. 22 juni 2016 van de partner van verdachte

17 Proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling

18 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1038

19 Proces-verbaal ontvangstbewijs, beslagdossier, p. 155-156

20 Proces-verbaal goederen uit koffer [adres] , beslagdossier, p. 138