Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6874

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2018
Datum publicatie
14-06-2018
Zaaknummer
NL18.27
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VA, Uganda, Homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.27


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. H. Martens),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 december 2017 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Totosashvili. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

  1. Eiser is van Ugandese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . Op 24 september 2016 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft hij het volgende ten grondslag gelegd. Eiser stelt homoseksueel te zijn. Na zijn universitaire studie heeft hij gewerkt voor een belangenorganisatie voor homoseksuelen in het westen van Uganda. Op vrijdag 1 juli 2016 zijn eiser en een aantal van zijn collega’s opgepakt. Zij werden verdacht van het verrichten van homoseksuele handelingen. Na het betalen van steekpenningen is eiser op 4 juli 2016 weer vrijgelaten, waarna hij naar de woning van zijn baas is gegaan. Daar is hij gebleven tot 8 juli 2016. Eisers familie was door de politie op de hoogte gesteld van eisers geaardheid en tijdens een familieberaad op 15 juli 2016 hebben zij hem verstoten. De partner van eiser is eind juli 2016 naar eiser in Mbarara gekomen en tijdens een bezoek aan een winkel aangevallen door buurtbewoners. Bij dit incident is ook zijn telefoon gestolen. Hij is op de vlucht geslagen en eiser is hem uit het oog verloren. Op 8 augustus 2016 is eiser, moe van de situatie, naar Nairobi gegaan om daar zelfmoord te plegen. De volgende dag is hij echter weer naar zijn woning in Mbarara teruggekeerd. Tijdens zijn verblijf in Mbarara is eiser voortdurend bedreigd en uitgescholden vanwege zijn geaardheid. Op 15 augustus 2016 is er bij hem ingebroken, zijn zijn spullen vernield en is hij belaagd door een groep mensen. Daarop is eiser naar een bekende in Kampala gegaan. Deze persoon kende weer iemand die een visum kon regelen, zodat eiser Uganda kon verlaten. Eiser heeft verder nog verklaard dat hij twee keer eerder is aangehouden, maar arrestatie heeft weten te voorkomen door de politie om te kopen. Eiser vreest bij terugkeer voor de politie, voor zijn familie en voor de mensen uit zijn omgeving.

  2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Zijn gestelde homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen acht verweerder echter niet geloofwaardig.

  3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
    De rechtbank oordeelt als volgt.

  4. Verweerder heeft allereerst aan eiser tegengeworpen dat hij bij de aanvraag van zijn visum de geboorteakte van een kind heeft overgelegd, genaamd [naam 2] , geboren op [geboortedatum 2] . In deze geboorteakte wordt eiser genoemd als vader van dit kind. Verweerder concludeert hieruit dat eiser een relatie heeft gehad met een vrouw en dat uit die relatie een kind is geboren. Dit doet op voorhand afbreuk aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen over zijn gestelde homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen, aldus verweerder. Eiser heeft bij zienswijze een brief van het Mulgao National Referral Hospital in Kampala overgelegd, waarin wordt gesteld dat de geboorteakte niet authentiek is. Er is geen bewijs dat het document bij het ziekenhuis verkregen is, of dat het genoemde kind in het ziekenhuis geboren is. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze brief niet tot een ander oordeel kan leiden. Allereerst kan de echtheid van de brief niet worden nagegaan. Verder is een ziekenhuis geen instantie die officiële identiteitsdocumenten uitgeeft, deze op echtheid controleert en daarvan onderzoeksrapporten uitbrengt. Ook is onduidelijk welke documenten en welk onderzoek aan de brief ten grondslag liggen.

  5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte geen waarde heeft gehecht aan de brief van het ziekenhuis. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het eisers eerste asielaanvraag betreft. Uit verweerders Werkinstructie 2014/10 volgt dat indien de vreemdeling documenten heeft overgelegd ter staving van zijn verklaringen, deze in beginsel worden onderzocht op echtheid. Verder volgt uit die instructie dat bij een eerste asielaanvraag als uitgangspunt geldt dat indien de authenticiteit van documenten niet kan worden vastgesteld, dit niet ten nadele van de vreemdeling gebruikt mag worden. Verweerder had daarom niet zonder nader onderzoek voorbij kunnen gaan aan de brief van het ziekenhuis. Verweerder heeft zich dus ten onrechte op het standpunt gesteld dat de geboorteakte op voorhand afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen. Alvorens hier verdere conclusies aan te verbinden, zal de rechtbank eerst ingaan op verweerders beoordeling van eisers verklaringen over zijn gestelde homoseksuele gerichtheid.

  6. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1630) volgt dat verweerder bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van een gestelde homoseksuele gerichtheid terecht veel waarde hecht aan de verklaringen van een vreemdeling over zijn eigen ervaringen. Daarbij gaat het met name om het bewustwordingsproces. De vreemdeling moet kunnen verklaren over het moment waarop of de periode waarin hij zich bewust is geworden van zijn seksuele gerichtheid, wat deze seksuele gerichtheid voor hem heeft betekend en welke invloed dit heeft gehad voor de manier waarop hij uiting heeft gegeven aan zijn seksuele gerichtheid. Dit alles moet worden bezien tegen de achtergrond van het land van herkomst en de omgeving waar de vreemdeling vandaan komt, waarbij relevant zijn het moment van bewustwording en eventuele andere belangrijke momenten, zoals het aangaan van een relatie.

  7. Eiser heeft in beroep verwezen naar een artikel van drs. J.W.M. Renkens, getiteld ‘Kunt u dat moment eens beschrijven? Een analyse van de interviewmethode van de IND in lhbti-zaken’, verschenen in A&MR 2018 nr. 2. In dit artikel wordt de hiervoor beschreven onderzoeksmethode van verweerder bekritiseerd. Eiser heeft echter onvoldoende concreet gemaakt waarom deze onderzoeksmethode in zijn geval niet geschikt zou zijn. De verwijzing naar het genoemde artikel treft daarom geen doel. Verweerder heeft terecht zijn vaste onderzoeksmethode, zoals beschreven in Werkinstructie 2015/9, toegepast.

  8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers gestelde homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig is. Eiser heeft vaag, summier en weinig concreet verklaard over zijn proces van bewustwording. Hij heeft geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang en blijft hangen in algemeenheden. Ook bevatten zijn verklaringen geen details over persoonlijke gebeurtenissen, zijn gedachten daarbij en de gevolgen daarvan voor zijn persoonlijke ontwikkeling. Over zijn zelfacceptatie heeft eiser verklaard dat hij zijn geaardheid heeft geaccepteerd toen hij in 2009 met een vriend voor het eerst naar een homobar was gegaan. Daar heeft hij mensen ontmoet met dezelfde geaardheid, hij was erg blij en hij heeft toen zijn geaardheid voor zichzelf geaccepteerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat van eiser een uitgebreidere verklaring over zijn zelfacceptatie had mogen worden verwacht.

  9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht opgemerkt dat eiser afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit niet geaccepteerd en zelfs strafbaar is. Van hem mocht daarom verwacht worden dat hij meer inzicht kon geven in zijn proces van bewustwording en meer concrete verklaringen kon afleggen. De stelling dat eiser afkomstig is uit een land waar het niet mogelijk is om over je gevoelens te praten, kan niet tot een ander oordeel leiden. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, is eiser hoogopgeleid is en heeft hij jarenlang onder andere homoseksuelen verbleven. Niet valt in te zien dat hij niet in staat zou zijn om meer te verklaren over zijn proces van bewustwording en zijn gedachten en gevoelens omtrent zijn geaardheid. Ook de subsidiaire stelling van eiser dat verweerder door had moeten vragen, volgt de rechtbank niet. Het is aan eiser om zijn relaas naar voren te brengen en niet aan verweerder om dit middels vragen boven tafel te krijgen. Daarbij komt dat de antwoorden van eiser voor verweerder geen aanleiding hoefden te zijn om door te vragen. Bovendien blijkt uit het rapport van het nader gehoor dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn relaas naar voren te brengen. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers gestelde homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig is. Daartoe acht de rechtbank ook van belang dat eiser in beroep een verklaring heeft overgelegd waarin hij nogmaals vertelt over zijn leven in Oeganda. In die verklaring komen echter een aantal elementen naar voren die eiser tijdens zijn nader gehoor niet naar voren heeft gebracht, zoals een relatie met ene [naam 3] op de middelbare school. Ook zijn een aantal elementen in deze verklaring tegenstrijdig met de verklaringen die eiser tijdens het nader gehoor heeft afgelegd. Deze verklaring doet daarom verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van eisers gestelde homoseksuele gerichtheid.

  10. Eiser heeft in beroep verder aangevoerd dat de gehoren van homoseksuelen en lesbiennes uit Cuba op een heel andere wijze plaatsvinden dan bij homoseksuelen uit Uganda. Ter onderbouwing heeft eiser delen uit vijf rapporten van gehoren van Cubanen overgelegd. Eisers stelt dat verweerder met twee maten meet. Naar het oordeel van de rechtbank is het overleggen van een aantal delen van rapporten van nader gehoor echter onvoldoende om tot de conclusie te komen dat verweerder handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Deze beroepsgrond faalt.

  11. Omdat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers gestelde homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig is, heeft verweerder ook kunnen concluderen dat de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser daarom terecht afgewezen. Wat hiervoor onder 5 is overwogen, is op zich onvoldoende om tot een ander oordeel te leiden omdat verweerders beoordeling van eisers eigen verklaringen over zijn gestelde geaardheid de afwijzing kan schragen.

12. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.