Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6818

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
18-06-2018
Zaaknummer
17 / 15427
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Guinee, vv reg o.g.v. art. 8 EVRM, geen mvv, arrest Chavez-Vilchez, art. 7 en 24 Handvest, hoorplicht, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2018/173 met annotatie van S.G.A. Meulendijks
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/15427

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , eiseres,

(gemachtigde: mr. M. Erik),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, en diens rechtsvoorgangers, verweerder,

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovács).

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 27 oktober 2017 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2018. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Na de zitting heeft de rechtbank de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

1. Eiseres is van Guinese nationaliteit en geboren op [geboortedatum 1] . Zij is op 6 maart 2011 Nederland binnengekomen. Haar twee asielaanvragen zijn afgewezen, welke beslissingen in rechte vast staan. Verder is haar een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, welke beslissing eveneens in rechte vast staat.

2. Op 6 juli 2017 heeft eiseres een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking familieleven op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) ingediend.

3. Eiseres heeft aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat zij in Nederland wil verblijven bij haar drie minderjarige kinderen, [naam 2] geboren op [geboortedatum 2] , [naam 3] geboren op [geboortedatum 3] en [naam 4] geboren op [geboortedatum 4] . Zij was ten tijde van haar aanvraag zwanger van haar vierde kind (inmiddels geboren op [geboortedatum 5] , [naam 5] ).

De kinderen zijn geboren in Nederland en hun nationaliteit is onbekend. Haar (ex-)partner, tevens de vader van de kinderen, [naam 6] , heeft de Sierraleoonse nationaliteit.

Haar minderjarige kinderen en hun vader zijn allen in het bezit van een reguliere verblijfsvergunning, geldig tot 15 juni 2018. De kinderen hebben met ingang van 6 december 2016 een afhankelijk verblijfsrecht van hun vader. Tussen eiseres en [naam 6] is sprake van een relatie, maar zij wonen niet samen. [naam 6] draagt wel bij in de kosten van het levensonderhoud van de kinderen, maar heeft nooit voor hen gezorgd. De kinderen wonen bij eiseres in [woonplaats] en zij heeft de dagelijkse zorg voor hen. De kinderen kunnen eiseres niet volgen naar Guinee omdat zij altijd in Nederland hebben gewoond, geen Guinees paspoort kunnen krijgen, hier op school zitten, onvoldoende Malinke spreken en erkend familieleven met hun vader hebben.

4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en bij het bestreden besluit het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder stelt dat eiseres niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en dat zij niet in aanmerking komt voor een vrijstelling daarvan, omdat zij niet heeft aangetoond dat uitzetting leidt tot schending van het recht op familie- dan wel privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat van eiseres verwacht kan worden dat zij alleen terugkeert naar Guinee om daar een mvv aan te vragen. Daarnaast heeft verweerder gesteld dat het de vrije keus is van zowel eiseres, als haar (ex-)partner om hun kinderen, al dan niet samen met de (ex-)partner, eiseres te laten volgen naar Guinee.

5. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd wordt - voor zover van belang - hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat eiseres niet beschikt over een geldige mvv. In geschil is of eiseres op grond van artikel 8 van het EVRM vrijgesteld had moeten worden van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

7. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

8. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens1 volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 EVRM beschermde recht op respect voor het privéleven onderscheidenlijk het familie- en gezinsleven een fair balance moet worden gevonden tussen het belang van de betrokken vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

9. De rechtbank moet daarom beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een fair balance tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het privéleven onderscheidenlijk het familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechtbank enigszins terughoudend moet zijn.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiseres betrokken dat zij nimmer in het bezit is gesteld van een geldige verblijfsvergunning die haar tot het uitoefenen van familie- of gezinsleven in staat stelde en dat eiseres in weerwil daarvan toch familieleven is gaan uitoefenen met de heer [naam 6] , waarna inmiddels vier kinderen zijn geboren. Verder heeft verweerder bij zijn afweging mogen betrekken dat eiseres nog maar relatief korte tijd in Nederland verblijft, herhaaldelijk is aangezegd Nederland en de EU te verlaten, nooit heeft willen meewerken aan uitzetting en diverse periodes niet uitzetbaar is geweest vanwege zwangerschappen.

11. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat de kinderen nog relatief jong zijn en derhalve nog niet zodanig geworteld zijn in de Nederlandse samenleving dat zij niet elders zouden kunnen aarden. Zij worden in staat geacht zich met hun moeder in een ander land aan te passen en daar een bestaan op te bouwen. Er wordt immers onderling Malinke gesproken en de kinderen zijn bekend met de Guinese gebruiken en cultuur.

12. Verder heeft verweerder bij de belangenafweging mogen betrekken dat de omstandigheid dat de kinderen verblijfsvergunningen bezitten niet automatisch meebrengt dat ook aan eiseres verblijf in Nederland moet worden toegestaan. Eiseres heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat er een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Guinee uit te oefenen. De stelling van eiseres dat dit niet mogelijk is omdat het voor de kinderen onmogelijk is om Guinese paspoorten te verkrijgen, is onvoldoende onderbouwd. Uit het algemeen ambtsbericht over Guinee van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van juni 2014 (p. 26) blijkt dat in het buitenland geboren kinderen van ongehuwde Guinese ouders van rechtswege de Guinese nationaliteit verkrijgen. Verder kan eiseres de keuze maken om de kinderen bij haar (ex) partner in Nederland te laten verblijven gedurende haar mvv-aanvraag. De heer [naam 6] heeft als vader een zorgplicht voor de kinderen. Verder heeft hij een uitkering en is hij niet economisch gebonden aan verblijf hier in Nederland, zodat hij ook met het gezin mee kan reizen naar Guinee.

13. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet ten onrechte in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen. Verweerder heeft deugdelijk gemotiveerd dat uitzetting van eiseres niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft eiseres daarom terecht niet op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb vrijgesteld van het mvv-vereiste.

14. Het beroep van eiseres op het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 10 mei 20172 treft geen doel, omdat de jurisprudentie van het Hof ziet op ouders-derdelanders van minderjarige kinderen die Burger van de Unie zijn. Daarvan is hier geen sprake. Eiseres, haar ex-partner en haar kinderen zijn geen EU-burgers. Anders dan ter zitting is betoogd, leidt dit arrest niet tot een andere beoordeling van de belangen van eiseres en haar kinderen in het kader van artikel 8 van het EVRM.

15. Ten aanzien van het betoog van eiseres dat de artikelen 7 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) moeten leiden tot een andere afweging, overweegt de rechtbank als volgt.

16. Het Hof heeft in het arrest van 15 november 2011, in de zaken van Dereci e.a., ECLI:EU:C:2011:734, geoordeeld dat aan artikel 7 van het Handvest dezelfde inhoud en reikwijdte dient te worden toegekend als aan artikel 8, eerste lid, van het EVRM3. In het arrest van 6 december 2012, O., S. en L4 heeft het Hof overwogen dat het bij de tenuitvoerlegging van de Gezinsherenigingsrichtlijn5 en bij het onderzoek van de verzoeken om gezinshereniging, tegen de achtergrond van de artikelen 7 en 24 van het Handvest aan de bevoegde nationale autoriteiten is om een evenwichtige en redelijke beoordeling van alle in het geding zijnde belangen te maken en daarbij in het bijzonder rekening te houden met de belangen van de betrokken kinderen.

17. Zoals volgt uit wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder de belangen van de kinderen op deugdelijke wijze betrokken bij de afweging die hij in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft verricht, zodat het betreden besluit niet in strijd met de artikelen 7 en 24 van het Handvest is genomen. De annotatie van professor P. Boeles bij het arrest van het Hof van 27 juni 2006 in JV 2006/313 biedt geen aanknopingspunten voor een andere beoordeling, omdat de strekking hiervan is dat kinderen worden herenigd met ouders, maar dat het wel moet gaan om ouders met rechtmatig verblijf.

18. Ten aanzien van het beroep van eiseres op schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank dat van het horen in bezwaar slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef, en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht mag worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het bestreden besluit en de gronden in het bezwaarschrift is in dit geval aan deze maatstaf voldaan, zodat verweerder van het horen van eiseres heeft mogen afzien.

19. Het beroep is ongegrond.

20. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2018.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 onder meer de arresten Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99, Osman tegen Denemarken van 14 juni 2011, nr. 38058/09, Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011, nr. 55597/09, en Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012, nr. 47017/09, (www.echr.coe.int)

2 ECLI:EU:C:2017:354

3 ECLI:EU:C:2011:734, punt 70

4 ECLI:EU:C:2012:776, punten 80 en 81

5 Richtlijn 2003/86/EG