Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6752

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
08-06-2018
Zaaknummer
AWB15/9255, 15/22895, 16/21015, 16/21016 en 17/2604
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Asiel. Ivoorkust. Intrekking verblijfsvergunning asiel met terugwerkende kracht. Geen dwingende redenen als bedoeld in artikel 37e van het VV 2000. Ex-tunc en ex-nunc toetsing. Artikel 8 van het EVRM. Artikel 64 van de Vw 2000. Medische omstandigheden. Arrest Paposhvili.

Verweerder was bevoegd de verleende verblijfsvergunningen asiel met terugwerkende kracht in te trekken op de grond dat de grond voor verlening is komen te vervallen, en verweerder heeft in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kunnen maken. Verweerder heeft kunnen verwijzen naar WBV 2012/12 (lees: 2012/2), welk WBV in werking is getreden op 14 maart 2012. Hoewel de in WBV 2012/2 neergelegde beleidswijziging ziet op het niet verlengen van het destijds geldende besluit- en vertrekmoratorium voor asielzoekers uit Ivoorkust, heeft verweerder dit WBV niettemin kunnen betrekken bij het bepalen van de intrekkingsdatum van de aan eisers verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dit WBV is gebaseerd op de gewijzigde en verbeterde (veiligheids)situatie in Ivoorkust vanaf mei 2011. Verweerder heeft afdoende gemotiveerd dat als gevolg van de regimewijziging in 2011 sprake is van een wijziging van omstandigheden in Ivoorkust van een voldoende ingrijpend en niet voorbijgaand karakter als bedoeld in artikel 3.37e van het VV 2000.

De rechtbank oordeelt dat verweerder in het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen volledige integrale geloofwaardigheidsbeoordeling van de door eiseres in Ivoorkust ondervonden problemen heeft verricht. De rechtbank ziet met het oog op een finale geschillenbeslechting aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder heeft de verklaringen van eiseres niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een schending van artikel 3 van het EVRM, dan wel dat zij bij terugkeer naar Ivoorkust ernstige schade zal lijden.

Het beroep van eisers op het arrest Paposhvili van 13 december 2016 slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat eisers – in aanmerking genomen hun medische situatie – niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij uitzetting naar Ivoorkust in een door artikel 3 van het EVRM verboden situatie zal geraken. Verweerder heeft in de medische situatie van eisers terecht geen aanleiding gezien om aan eisers ambtshalve uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Verder heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM wat betreft familie- en gezinsleven in het nadeel van eisers uitvalt.

De rechtbank volgt eiser 2 en eiser 3 in de beroepsgrond dat de bestreden besluiten van 29 augustus 2016, voor zover verweerder daarin de verblijfsvergunningen regulier van eiser 2 en eiser 3 met terugwerkende kracht heeft ingetrokken, nieuwe besluiten zijn. De beroepen, voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunningen regulier, zijn op verzoek van verweerder met toepassing van artikel 6:15 van de Awb doorgezonden ter beoordeling als bezwaarschrift. Reeds hierom komen de bestreden besluiten op dat onderdeel voor vernietiging in aanmerking en dienen de beroepen gegrond te worden verklaard. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten, omdat verweerder bij besluit op bezwaar van 12 januari 2017 heeft beslist op het bezwaarschrift. De rechtbank oordeelt dat verweerder in het bestreden besluit afdoende heeft gemotiveerd waarom de verblijfsvergunningen van eiser 2 en eiser 3 met terugwerkende kracht zijn ingetrokken. Nu verweerder bevoegd was de verblijfvergunningen asiel van de ouders in te trekken, is daarmee ook de grond voor verlening van de aan de kinderen verleende verblijfsvergunningen regulier komen te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/9255, 15/22895, 16/21015, 16/21016 en 17/2604

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 april 2018 in de zaken tussen

[naam 1] , eiser 1,

geboren op [geboortedatum] ,

V-nummer: [nummer] ,

[naam 2] , eiseres,

geboren op [geboortedatum] ,

V-nummer: [nummer] ,

[naam 3] , eiser 2,

geboren op [geboortedatum] ,

V-nummer: [nummer]

[naam 4] , eiser 3,

geboren op [geboortedatum] ,

V-nummer: [nummer] ,

allen van Ivoriaanse nationaliteit,

(gemachtigde: mr. J.G. Brands),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G.J. Douma).

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2015 heeft verweerder de aan eiser 1 op 19 april 2010 verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken tot

14 maart 2012 en de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen. Tevens is geen reguliere vergunning of uitstel van vertrek verleend.

Op 7 mei 2015 heeft eiser 1 tegen dit besluit beroep ingesteld. Het beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 15/9255. Op 8 juni 2015 zijn de gronden van beroep ingediend. Op 13 juli 2015 heeft eiser 1 een brief van Stichting Centrum ’45 overgelegd.

Op 14 juli 2015 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 17 juli 2015 zijn door eiser 1 nadere stukken ingediend. Bij brief van 20 juli 2015 heeft verweerder een reactie gegeven. Op verzoek van eiser 1 is het onderzoek ter zitting op 22 juli 2015 geschorst om gezamenlijke behandeling met de beroepen van eiseres en eiser 2 en eiser 3 mogelijk te maken. Bij brief van 11 maart 2016 hebben eisers een handtekeningenlijst overgelegd, waaruit blijkt van steun voor eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning. Op 24 maart 2016 hebben eisers nadere informatie van Stichting Centrum ’45, gedateerd 21 maart 2016, over de actuele situatie van eiser 1 overgelegd.

Bij besluit van 10 december 2015 heeft verweerder de aan eiseres op 16 december 2010 verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken tot 14 maart 2012 en geen reguliere vergunning of uitstel van vertrek verleend.

Op 28 december 2015 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld. Op 9 februari 2016 zijn de gronden van beroep ingediend. Het beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 15/22895.

Op 23 maart 2016 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 20 april 2016 heeft verweerder de aanvragen van eiser 2 en eiser 3 om verlenging van de aan hen verleende vergunningen afgewezen. Bij besluiten van

29 augustus 2016 zijn de hiertegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en zijn de aan eiser 2 en eiser 3 verleende vergunning ingetrokken per respectievelijk 14 maart 2012 en

8 april 2014.

Op 16 september 2016 hebben eiser 2 en eiser 3 tegen deze besluiten afzonderlijk beroep ingesteld. Op 26 oktober 2016 zijn de gronden van beroep ingediend. De beroepen zijn bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummers 16/21015 en 16/21016.

Bij brief van 20 december 2016 heeft verweerder de rechtbank verzocht de beroepen van eiser 2 en eiser 3, gericht tegen het besluit van 29 augustus 2016, door te zenden als bezwaarschrift voor zover deze zijn gericht tegen de intrekking van de verleende verblijfsvergunningen. Bij brief van 22 december 2016 hebben eisers daarop gereageerd. De rechtbank heeft aan het verzoek van verweerder voldaan.

Op 22 december 2016 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 12 januari 2017 heeft verweerder de bezwaren van eiser 2 en 3 tegen het besluit van 29 augustus 2016, voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning, ongegrond verklaard. Hiertegen hebben eisers op 2 februari 2017 beroep ingesteld. Het beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 17/2604.

Op 3 april 2017 heeft verweerder een (aanvullend) verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 29 maart 2017 (AWB 16/21017) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats Groningen het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.

Op 15 mei 2017 hebben eisers informatie van Stichting Centrum ’45, gedateerd 2 mei 2017, die ziet op eiser 1 overgelegd. Bij brief van januari 2018 hebben eisers informatie van Stichting Centrum ’45, gedateerd 25 januari 2018, die ziet op de situatie van eiser 1 overgelegd.

Bij brief van 1 februari 2018 heeft verweerder een (aanvullend) BMA-advies, gedateerd

25 september 2017, dat ziet op eiser 1, overgelegd.

Bij brief van 2 februari 2018 hebben eisers een schrijven van de psycholoog en psychiater van Stichting Centrum ’45, gedateerd 5 januari 2018, dat ziet op de actuele medische situatie van eiser 1, ingezonden.

Het onderzoek ter zitting in de gevoegde zaken heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van het navolgende.

1.1.

Eiser 1 is op 10 september 2009, met een op 31 december 2008 afgegeven Ivoriaans paspoort, Nederland ingereisd. Bij aankomst heeft eiser te kennen gegeven asiel te willen aanvragen. Bij zijn aanvraag is een akte van zijn op 2 december 2004 gesloten huwelijk met eiseres overgelegd.

1.2.

Bij brief van 30 september 2009 is door de gemachtigde van eiser 1 aan verweerder bericht dat eiser 1 lid was (en is) van de politieke partij RDR (Rassemblement des Républicains) en dat hij als gevolg van activiteiten voor deze partij in ernstige problemen is geraakt. Bijgevoegd zijn lidmaatschapskaarten van de RDR, een arrestatie- en opsporingsbevel en een aantal foto’s van vernielingen.

1.3.

Eiser 1 heeft tijdens het nader gehoor van 9 oktober 2009 naar voren gebracht dat hij in het jaar 2000 lid is geworden van de RDR, dat hij op 29 december 2008 door de autoriteiten is gearresteerd vanwege activiteiten voor de RDR, dat hij tijdens zijn detentie is mishandeld, dat hij op 15 januari 2009 is vrijgelaten met de mededeling dat hij eraan zou gaan als hij nog iets zou doen voor de RDR, dat hij door is gegaan met zijn activiteiten voor de RDR, dat op 30 juni 2009 een arrestatiebevel is uitgevaardigd en dat hij op 21 augustus 2009 Ivoorkust heeft verlaten.

1.4.

Bij besluit van 19 april 2010 is aan eiser 1 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van (het toen luidende) artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, met ingang van 11 september 2009 tot 11 september 2014. Volgens verweerder is dit gebeurd omdat werd aangenomen dat eiser 1 wegens politieke activiteiten voor de RDR van Ouattara in de negatieve belangstelling stond van het regime van Gbagbo.

1.5.

Op 23 november 2010 is eiseres, na afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf, Nederland ingereisd. Op respectievelijk 16 en 20 december 2010 heeft een eerste en nader gehoor plaatsgevonden. Bij besluit van 22 december 2010 is aan eiseres een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van (het toen luidende) artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, met ingang van 16 december 2010 tot 16 december 2015.

1.6.

Bij besluit van de toenmalige Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van

28 februari 2012, nr. WBV 2012/2, is geconcludeerd dat in Ivoorkust niet langer sprake is van een situatie die een besluit- en vertrekmoratorium rechtvaardigt (Stcrt. 2012, nr. 5106).

1.7.

In het algemeen ambtsbericht Ivoorkust van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 31 maart 2012 is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

‘Op 11 april 2011 werden ex-president Laurent Gbagbo en zijn echtgenote Simone in hun bunker gearresteerd door soldaten van Ouattara. Na zijn aanhouding werd Gbagbo onder toezicht van de Verenigde Naties in bewaring gesteld en later uitgeleverd aan het Internationaal Strafhof. Op 6 mei 2011 legde Ouattara de eed af als president. (…)

De laatste verkiezingen voor de Assemblée vonden plaats op 11 december 2011. Daarbij zou het aantal leden worden verhoogd van 225 tot 255. De partij van president Ouattara, de Rassemblement des Républicains (RDR), behaalde de meerderheid.’

1.8.

Eiser 1 heeft op 13 mei 2014 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingediend.

1.9.

Op 22 oktober 2014 heeft verweerder het voornemen uitgebracht de aan eiser 1 verleende verblijfsvergunning met ingang van 14 maart 2012 in te trekken en de gevraagde verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet te verlenen. Ook is het voornemen geuit niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen op grond van 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of aan eiser 1 ambtshalve uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

1.10.

Eiser 1 heeft op 26 november 2014 zijn zienswijze op het voornemen gegeven.
Op 5 februari 2015 heeft een intrekkingsgehoor met eiser 1 plaatsgevonden. Tijdens dit gehoor heeft eiser onder andere naar voren gebracht dat Ouattara is geholpen door traditionele jagers, Dozos, dat hij daarmee steun geniet van moslims en dat Ivoorkust voor hem als christen niet veilig is.

1.11.

Bij het bestreden besluit van 13 april 2015 heeft verweerder de aan eiser 1 verleende verblijfsvergunning met ingang van 14 maart 2012 ingetrokken en de gevraagde verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet verleend. Evenmin is ambtshalve een verblijfsvergunning regulier verleend of is overgegaan tot uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

1.12.

Op 13 april 2014 (lees: 2015) heeft verweerder voorts het voornemen, dat mede betrekking heeft op eiser 2 en eiser 3, kenbaar gemaakt de aan eiseres (tot 16 december 2015) verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 14 maart 2012 in te trekken, niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen en geen uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

1.13.

Eiseres heeft op 18 juni 2015 haar zienswijze op het voornemen gegeven. Op 28 juli 2015 heeft een intrekkingsgehoor met eiseres plaatsgevonden. Tijdens dit gehoor heeft eiseres onder andere naar voren gebracht dat zij na vertrek van eiser 1 in Ivoorkust is meegenomen en verkracht en dat kort na haar vertrek naar Nederland haar zus is besneden.

1.14.

Eiseres heeft op 23 september 2015 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingediend.

1.15.

Bij het bestreden besluit van 10 december 2015 heeft verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning asiel met ingang van 14 maart 2012 ingetrokken. Er is niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier verleend of overgegaan tot uitstel van vertrek.

1.16.

Op 15 december 2015 is het voornemen uitgebracht om de aanvraag van eiseres om de geldigheidsduur van de verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlengen, en de onder 1.14. genoemde aanvraag af te wijzen. Bij brief van 15 januari 2016 is het besluit van 10 december 2015 aangevuld met de afwijzing van de aanvraag van eiseres van 23 september 2015.

1.17.

Bij (primair) besluit van 20 april 2016 heeft verweerder de aanvragen van eiser 2 en eiser 3 om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hen verleende vergunningen regulier afgewezen. Tegen dit besluit is op 12 mei 2016 bezwaar gemaakt.

1.18.

Bij de bestreden besluiten van 29 augustus 2016 zijn de bezwaren tegen het onder 1.17. genoemde besluit van 20 april 2016 ongegrond verklaard en zijn de vergunningen van eiser 2 en eiser 3 respectievelijk per 14 maart 2012 en 8 april 2014 ingetrokken. Hiertegen is beroep ingesteld, geregistreerd onder zaaknummers 16/21015 en 16/21016, en is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

1.19.

Bij het bestreden besluit van 12 januari 2017 is het bezwaar gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunningen van eiser 2 en eiser 3 kennelijk ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is op 2 februari 2017 beroep ingesteld.

2. De rechtbank zal hierna de bestreden besluiten van respectievelijk 13 april 2015,

10 december 2015, 15 januari 2016, 29 augustus 2016 en 12 januari 2017 inhoudelijk beoordelen.

Bestreden besluit van 13 april 2015 (AWB 15/9255).

3. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de grond voor de verleende verblijfsvergunning asiel is komen te vervallen. Ter beantwoording van deze vraag overweegt de rechtbank het volgende.

3.1.

Verweerder heeft de verblijfsvergunning asiel van eiser 1 ingetrokken op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 en (de toen luidende) paragraaf C2/8.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), omdat de grond voor verlening is komen te vervallen, op het moment van de verlening geen andere gronden voor verlening aanwezig waren en eiser ook ten tijde van het bestreden besluit niet voor een asielvergunning in aanmerking kwam.

3.2.

Bij de beoordeling van het ten aanzien van eiser 1 genomen bestreden besluit van

13 april 2015, waarbij de tot 11 september 2014 verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 14 maart 2012 is ingetrokken, slaat de rechtbank acht op het navolgende toetsingskader (zoals van toepassing ten tijde van het bestreden besluit).

3.3.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan kan worden afgewezen, indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen.

3.4.

Ingevolge artikel 3.105d van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29&g=2014-09-01&z=2016-12-07) Vw 2000, ingetrokken indien sprake is van de situatie, bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

3.5.

Ingevolge artikel 3.37e van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000), voor zover hier van belang, wordt bij de beoordeling of een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw, wordt ingetrokken op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, in aanmerking genomen of de wijziging van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees voor vervolging dan wel het reële risico op ernstige schade weg te nemen. De rechtsgrond voor verlening van de desbetreffende verblijfsvergunning heeft niet opgehouden te bestaan indien de vreemdeling dwingende redenen kan aanvoeren die voorvloeien uit vroegere vervolging dan wel uit vroegere ernstige schade, om te weigeren de bescherming in te roepen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, of, in het geval van een staatloze, van het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfsplaats had.

3.6.

In IND-werkinstructie nr. 2013/5 (intrekken van de verblijfsvergunning asiel bepaalde en onbepaalde tijd) is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

‘Uitgangspunt is dat de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt ingetrokken vanaf de datum waarop niet (meer) werd voldaan aan de voorwaarden (zie per intrekkingsgrond verder onder de betreffende paragrafen van deze werkinstructie). Dit geldt ook wanneer deze datum zich uitstrekt tot een eerdere, reeds van rechtswege verlopen, verblijfsvergunning.’

3.7.

Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat verweerder een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan intrekken met terugwerkende kracht in het geval die intrekking, ook al is de geldigheidsduur van de vergunning reeds verlopen, zich uitstrekt over een periode waarin de vergunning nog van kracht was (zie onder meer de uitspraak van 15 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2007). De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat een verblijfsvergunning na het verstrijken van een periode van vijf jaar niet meer kan worden ingetrokken. De rechtbank gaat voorbij aan de verwijzing door eiser 1 naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Middelburg, van 16 mei 2013 (AWB 12/22238).

4. Eiser 1 heeft betwist dat de op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 aan hem verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 14 maart 2012 kon worden ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit, en het daarin ingelaste voornemen van

22 oktober 2014, afdoende heeft gemotiveerd waarom per 14 maart 2012 de rechtsgrond voor verlening, bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is komen te vervallen. Verweerder heeft daarbij van belang mogen achten dat als gevolg van de regimewijziging in 2011 in Ivoorkust sprake is van een wijziging van omstandigheden, waardoor de rechtsgrond voor verlening is komen te vervallen. Verweerder heeft in dat verband kunnen verwijzen naar WBV 2012/12 (lees: 2012/2), welk WBV in werking is getreden op 14 maart 2012. Hoewel aan eiser 1 moet worden toegegeven dat de in WBV 2012/2 neergelegde beleidswijziging, waar verweerder in het voornemen naar heeft verwezen, ziet op het niet verlengen van het destijds geldende besluit- en vertrekmoratorium voor asielzoekers uit Ivoorkust, heeft verweerder dit WBV niettemin kunnen betrekken bij het bepalen van de intrekkingsdatum van de aan eiser 1 verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank acht hiertoe van belang dat dit WBV is gebaseerd op de gewijzigde en verbeterde (veiligheids)situatie in Ivoorkust vanaf mei 2011 met de benoeming van Ouatarra als president van Ivoorkust, zoals blijkt uit het thematisch ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 november 2011. Daaruit blijkt onder andere dat de (veiligheids)situatie in Ivoorkust vanaf mei 2011 aan het verbeteren is. Wat eiser 1 in de zienswijze, die in de gronden van beroep is herhaald en ingelast, heeft aangevoerd over de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht, kan aan het voorgaande niet afdoen.

4.1.

Eiser 1 heeft voorts betwist dat de wijziging van de omstandigheden in Ivoorkust een voldoende ingrijpend en niet voorbijgaand karakter heeft. De rechtbank overweegt daarover als volgt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit afdoende heeft gemotiveerd dat als gevolg van de regimewijziging in 2011 in Ivoorkust, met de beëdiging van Ouattara als president van Ivoorkust in mei 2011, sprake is van een wijziging van omstandigheden in Ivoorkust van een voldoende ingrijpend en niet voorbijgaand karakter als bedoeld in artikel 3.37e van het VV 2000. Verweerder heeft eiser 1 niet hoeven volgen in zijn standpunt dat christenen een kwetsbare minderheidsgroep vormen, omdat uit het (door eiser aangehaalde) artikel van Reuters van januari 2015 niet blijkt dat het gaat om kinderen van christenen. In het betoog van eiser 1 wordt geen grond gezien het bestreden besluit, en de daarin gegeven deugdelijke motivering, op dit onderdeel niet in stand te laten. De rechtbank voegt daar aan toe dat verweerder in het verweer in beroep van 14 juli 2015 heeft benadrukt dat er sinds 2011 niet langer sprake is van dat president Gbagbo de machthebber is in Ivoorkust, zoals ten tijde van de door eiser 1 ondervonden problemen uit hoofde van zijn politieke activiteiten ten behoeve van (thans: residerend president) Ouattara. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de wijziging van de omstandigheden geen voldoende ingrijpend of niet-voorbijgaand karakter hebben om de gegronde vrees voor vervolging dan wel het reële risico op ernstige schade weg te nemen. De stelling van eiser dat een aantal personen uit zijn omgeving, dat eveneens aanhanger was van Ouattara, is vermoord en gevlucht, is niet met (bewijs)stukken onderbouwd. Dat eiser 1, naar hij stelt, ook in Ivoorkust zou zijn mishandeld en dat hij door die mishandeling getraumatiseerd is geraakt, vindt geen steun in de verklaringen van eiser tijdens het intrekkingsgehoor van 5 februari 2015. In hetgeen door eiser 1 in beroep, onder verwijzing naar de in de zienswijze naar voren gebrachte argumenten, is aangevoerd over de dwingende redenen, leidt niet tot het oordeel dat wel sprake is van dwingende redenen als bedoeld in artikel 37e van het VV 2000.

4.2.

De rechtbank volgt eiser 1 niet in zijn beroepsgrond dat de intrekking van de asielvergunning met terugwerkende kracht in strijd is met het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel. Immers, nu op 14 maart 2012 aan het bepaalde in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 was voldaan, was verweerder ten tijde van het bestreden besluit bevoegd de verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in te trekken over een periode waarin de verleende vergunning nog van kracht was. Het rechtszekerheidsbeginsel staat daaraan, mede gelet op de aard van de vergunning, niet in de weg. Voorts stelt de rechtbank vast dat gesteld noch gebleken is dat verweerder uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen aan eiser 1 heeft gedaan die het gerechtvaardigde vertrouwen hebben kunnen wekken dat de verblijfsvergunning van eiser 1 niet zou worden ingetrokken.

4.3.

Uit wat in 3. tot en met 4.2. is overwogen volgt dat verweerder bevoegd was de aan eiser 1 verleende verblijfsvergunning asiel met toepassing van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 met terugwerkende kracht tot 14 maart 2012 in te trekken op de grond dat de grond voor verlening genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is komen te vervallen, en dat verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

5. Partijen verschillen verder van mening over de vraag of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser 1 ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning (ex tunc) en ten tijde van het bestreden besluit (ex nunc) niet in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning op een van de andere gronden van artikel 29 van de Vw 2000.

5.1.

Eiser heeft in het kader van zijn asielrelaas tijdens het nader gehoor van 9 oktober 2009, voor zover van belang, naar voren gebracht dat hem tussen 29 december 2008 en

15 januari 2009 het volgende is overkomen: ‘Ze hebben me daar mishandeld. (…) Ik werd geslagen. (…) Zij hebben mij met de dood bedreigd. (…) Ik werd met de knuppels geslagen. Ik kreeg schoppen in mijn buik. Ik had zwellingen, maar geen verwondingen. (…) Na mijn vrijlating in januari uit de gevangenis hebben mensen mij overgehaald om weer voor de RDR te werken. Dus ging ik door met mijn activiteiten voor de RDR.’ Eiser heeft verder brieven overgelegd van Stichting Centrum ’45 over de behandeling van zijn PTSS-klachten.

5.2.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat bescherming voor eiser 1 niet meer nodig is, nu er in Ivoorkust een regimewisseling heeft plaatsgevonden. Eiser 1 komt volgens verweerder daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Eiser 1 heeft dit standpunt van verweerder betwist.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de in het bestreden besluit gegeven overwegingen – in onderlinge samenhang bezien – afdoende heeft gemotiveerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Verweerder heeft in dat verband voldoende gemotiveerd en niet ten onrechte van belang geacht dat bescherming voor eiser 1 tegen het regime in Ivoorkust niet meer nodig is, omdat er een regimewisseling heeft plaatsgevonden en niet gebleken is dat eiser 1 als politiek opposant in de negatieve belangstelling van de huidige autoriteiten staat en dat om die reden niet aannemelijk is dat sprake is van vervolging in de zin van het Verdrag. Naar het oordeel van de rechtbank is hetgeen eiser 1 in de gronden van het beroep daar tegenin heeft gebracht onvoldoende voor de conclusie dat het bestreden besluit de rechterlijke toets op dit onderdeel niet kan doorstaan.

5.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voorts in het bestreden besluit afdoende gemotiveerd waarom op 11 september 2014, het moment waarop de verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgelopen, geen reden is om aan te nemen dat eiser 1 in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op één van de andere gronden van artikel 29 van de Vw 2000. In het betoog van eiser 1 wordt geen grond gezien het bestreden besluit, en de daarin gegeven deugdelijke motivering, op dit onderdeel niet in stand te laten.

5.5.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voorts in het bestreden besluit afdoende gemotiveerd waarom eiser 1 ten tijde van het bestreden besluit niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op één van de gronden van artikel 29 van de Vw 2000. Daaraan wordt toegevoegd dat verweerder in het verweerschrift in beroep van 14 juli 2015, in aanvulling op het bestreden besluit, gemotiveerd heeft uiteengezet waarom de detentie tussen 28 december 2009 (lees: 2008) en 15 januari 2009 geen grond voor verlening vormt. Daartoe is er onder meer op gewezen dat geen ziekenhuisopname nodig was en eiser 1 na zijn detentie voor de RDR een dienstreis naar Benin heeft gemaakt en vervolgens weer is teruggekeerd naar Ivoorkust. Eiser 1 heeft hier naar het oordeel van de rechtbank geen reactie op gegeven die maakt dat voornoemd verweer niet volstaat.

6.1.

Eiser 1 heeft voorts nog betoogd dat aanhangers van Ouattara om het leven zijn gebracht en dat dit is gerelateerd aan de omstandigheid dat deze christenen zijn en Ouattara moslim is. Bij brief van 17 juli 2015 zijn overlijdensaktes overgelegd, onder de mededeling dat hieruit blijkt dat [naam 5] op [geboortedatum] en [naam 6] op [geboortedatum] als gevolg van geweld zijn overleden.

6.2.

Bij brief van 20 juli 2015 is door verweerder betoogd dat het gaat om ziekenhuisverklaringen (en niet overlijdensaktes), opgesteld door een gynaecoloog en is gewezen op een typefout en opmerkelijk tijdsverloop in de documenten. Daarnaast is er op gewezen dat uit de documenten niet blijkt door wiens toedoen of nalaten beide mannen zouden zijn overleden en wat de toedracht precies was. Verweerder hecht aan de documenten daarom niet de waarde die eiser 1 hieraan gehecht wil zien. Verweerder heeft in het verweerschrift uiteengezet dat eiser 1 geen stukken heeft ingebracht waaruit blijkt van een negatieve bejegening richting christenen. In het betoog van eiser 1 wordt geen grond gezien het bestreden besluit, en de daarin gegeven deugdelijke motivering, op dit onderdeel niet in stand te laten.

7. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of het standpunt van verweerder dat aan eiser 1 geen verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt toegekend, in rechte stand kan houden. Ingevolge artikel 33, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is verweerder bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd af te wijzen. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft verweerder de aan eiser 1 verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht vanaf 14 maart 2012 kunnen intrekken. Verweerder heeft derhalve de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd kunnen afwijzen. In hetgeen eiser 1 in de gronden van het beroep daar tegen heeft ingebracht, wordt geen grond gezien het bestreden besluit, en de daarin gegeven deugdelijke motivering, op dit onderdeel niet in stand te laten.

8. Voor wat betreft het beroep van eiser 1 op artikel 8 van het EVRM, oordeelt de rechtbank als volgt.

8.1.

Omdat de verblijfsvergunning van eiser 1 met terugwerkende kracht is ingetrokken, dient verweerder te toetsen of aan eiser 1 op grond van artikel 3.6a van het Vb 2000 ambtshalve een verblijfsvergunning verleend moet worden.

8.2.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven. Op grond van het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

8.3.

Beoordeeld dient te worden of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden (kenbaar) in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich, gelet op de “fair balance” tussen de belangen die in de onderhavige zaak een rol spelen, niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de weigering eiser 1 een verblijfsvergunning regulier te verlenen geen schending van het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van zijn gezinsleven en privéleven betekent. Deze maatstaf betekent een enigszins terughoudende toetsing. Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM dient voor het aannemen van schending van het privéleven sprake te zijn van een zeer langdurige verblijfsduur én van een zodanige intensiteit van de hier door of met eiser aangegane sociale banden dat om die reden het privéleven van eiser gerespecteerd dient te worden.

8.4.

Verweerder heeft in het kader van het recht op eerbiediging van het gezinsleven de individuele belangen van eiser 1 afgewogen tegen het algemeen belang gediend door de Nederlandse overheid. Verweerder heeft bij de belangenafweging in het bestreden besluit in aanmerking genomen dat inmenging gerechtvaardigd is, nu eiser 1 voor het gezinsleven een beroep moet doen op de openbare kas. Verder heeft verweerder daarbij van belang geacht dat er geen objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven voort te zetten in Ivoorkust. Tot slot heeft verweerder in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat eiser 1 banden is aangegaan met Nederland die de gebruikelijke banden overstijgen.

8.5.

Niet in geschil is dat er sprake is van gezinsleven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de gegeven motivering niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat de ambtshalve weigering een reguliere vergunning te verlenen geen strijd met artikel 8 van het EVRM oplevert en dat de belangenafweging in dit geval in het nadeel van eiser 1 uitvalt.. Hierbij is van belang dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden op inzichtelijke wijze in de belangenafweging heeft betrokken. Het in beroep gevoerde betoog is te algemeen van aard om de rechtbank tot een ander oordeel te brengen.

8.6.

Verweerder heeft bij de beoordeling of sprake is van inmenging in het privéleven in aanmerking genomen dat er slechts onder bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat een schending van artikel 8 van het EVRM aan te nemen. Hij heeft daarbij niet ten onrechte in aanmerking genomen dat eiser 1 vijf jaar in Nederland woont, maar dat dit geen uitzonderlijke omstandigheid oplevert die maakt dat het onredelijk is om van eiser 1 te verlangen dat hij elders nieuw privéleven opbouwt. Verweerder heeft hiervoor verwezen naar de uitspraak van de ABRvS van 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2081. Verweerder heeft daarmee in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat van bijzondere omstandigheden, als hiervoor bedoeld, niet is gebleken. Ofschoon eiser 1 tijdens zijn verblijf in Nederland een sociaal netwerk heeft opgebouwd, heeft verweerder niet ten onrechte groter gewicht toegekend aan het feit dat eiser 1 (onbetwist) niet zelfstandig beschikt over duurzame en voldoende middelen van bestaan. Verweerder heeft zich daarbij voldoende rekenschap gegeven van de belangen van eiser 1 en zijn gezin. Verweerder heeft zich voorts niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het hebben van privéleven in Nederland niet betekent dat het weigeren van verblijf leidt tot een schending van het recht op het uitoefenen van dat privéleven. Hij heeft daarbij niet ten onrechte in aanmerking genomen dat de banden die eiser 1 met Nederland is aangegaan de gebruikelijke banden niet overstijgen. De rechtbank acht de door verweerder gegeven motivering deugdelijk.

8.7.

De beroepsgrond van eiser 1 dat de motivering voor wat betreft artikel 8 van het EVRM en de door verweerder verrichte belangenafweging onbegrijpelijk is, slaagt niet. Die beroepsgrond is onvoldoende geconcretiseerd en niet duidelijk is wat er aan de door verweerder in het bestreden besluit verrichte belangafweging schort. Daar komt bij dat verweerder in het verweerschrift van 14 juli 2015 in reactie op de gronden van beroep afdoende heeft uiteengezet dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiser 1 uitvalt. Eiser 1 heeft hier geen reactie op gegeven die maakt dat voornoemd verweer niet volstaat. Dat, zoals de gemachtigde van eiser 1 ter zitting heeft verklaard, er in Nederland een netwerk rond de kinderen is en dat dat netwerk in Abidjan ontbreekt, leidt niet tot een ander oordeel. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd dat eiser 1, zijn echtgenote en de kinderen slechts met behulp van het in Nederland opgebouwde netwerk in staat zijn te functioneren. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM wat betreft familie- en gezinsleven in het nadeel van eiser 1 uitvalt.

9. Met betrekking tot de medische omstandigheden van eiser, overweegt de rechtbank als volgt.

9.1.

De rechtbank stelt voorop dat de medische omstandigheden van eiser 1 niet kunnen leiden tot het verlenen van een asielvergunning. De rechtbank wijst hiervoor op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak M’Bodj tegen de Belgische Staat van 18 december 2014 (ECLI:EU:C:2014:2452) en de uitspraak van de ABRvS van

30 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1733), waaruit volgt dat geen subsidiaire beschermingsstatus kan worden toegekend als uitzetting in verband met de medische toestand van een vreemdeling wegens uitzonderlijke omstandigheden leidt tot een schending van artikel 3 van het EVRM. Dit betekent dat de door eiser 1 naar voren gebrachte medische omstandigheden en de vraag naar de feitelijke toegankelijkheid, zoals gehanteerd in WBV 2017/8, alleen aan de orde kan komen bij de vraag of uitzetting krachtens artikel 64 van de Vw 2000 en het in dat kader gevoerde beleid achterwege moet blijven. In het onderhavige geval heeft verweerder ambtshalve beoordeeld of er reden is voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000.

9.2.

Eiser 1 voert aan dat hij gezien zijn medische situatie niet naar Ivoorkust terug kan keren en dat aan hem uitstel van vertrek dient te worden verleend. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser 1 informatie van zijn behandelaars, werkzaam bij Stichting Centrum ’45, gedateerd 8 juli 2015, 10 maart 2016 en 21 maart 2016, overgelegd. In beroep heeft eiser 1 nog nadere informatie over zijn medische situatie van Stichting Centrum ’45, gedateerd 2 mei 2017 en 25 januari 2018, ingezonden. Eiser 1 betoogt dat in Ivoorkust geen sprake is van een veilige behandelomgeving en dat een door hem gebruikte medicijn, chloorprotixeen niet beschikbaar is.

9.3.

In het BMA-advies van 14 september 2016 is vermeld dat eiser 1 psychische klachten heeft die voortkomen uit een PTSS en een psychotische stoornis NAO (niet anderszins omschreven, dat wil zeggen een stoornis die niet voldoet aan de criteria van PTSS), de klachten betreffen slaapstoornissen en nachtmerries. Eiser 1 lijdt aan een ziekte waarvoor behandeling is geïndiceerd (behandeling vanuit Stichting Centrum ’45), dat het uitblijven van behandeling eiser 1 fataal (een psychische ontregeling met (toename van) suïcidaliteit is niet uitgesloten) zal kunnen worden (een medische noodsituatie op korte termijn kan ontstaan) en dat behandeling in Ivoorkust aanwezig is, te weten in het Psychiatric Hospital Bingerville te Abidjan. Aldaar zijn verschillende vormen van traumabehandeling mogelijk en mogelijkheden voor crisisinterventie. De door eiser 1 gebruikte medicatie is volgens de arts van het BMA aanwezig, met uitzondering van chloorprotixeen. Er zijn echter alternatieve anti-psychotica, waarbij het gaat om flupentixol en verder bijvoorbeeld haloperidol, pimozide, flufenazine en perfenazine.

9.4.

Bij brief van 15 mei 2017 is een verklaring van Stichting Centrum ’45 van 2 mei 2017 over eiser 1 en een artikel over het psychiatrisch ziekenhuis Bingerville in Abidjan, gedateerd 23 juli 2012, ingezonden. Hierin is, voor zover van belang, opgenomen dat, gezien de ernst van de psychiatrische aandoening, wij (de behandelaars) van oordeel zijn dat afbreken van de huidige behandeling zal leiden tot een toename van de PTSS klachten en psychotische fenomenen en suïcidaliteit. Op basis van de individuele achtergronden en omstandigheden horend bij de psychiatrische problematiek van patiënt achten wij vanuit onze professionele contacten met patiënt een effectieve behandeling in het land van herkomst niet mogelijk. Wij verwachten dat de angst en gevoelens van onveiligheid bij patiënt zo de overhand zullen krijgen in zijn land van herkomst dat er geen sprake kan zijn van een als veilig ervaren behandelomgeving en dus niet van een effectieve behandeling. Dit zal leiden tot verergering van de bestaande psychotische fenomenen en suïcidaliteit, waarin het risico voor suïcide als zeer reëel moet worden gezien.

9.5.

Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS is een BMA-advies aan te merken als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Uit onder meer de uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1674) blijkt voorts dat verweerder zich er, indien hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, ingevolge artikel 3:2 van de Awb van moet vergewissen dat dit advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. Indien het advies niet aan deze eisen voldoet, zal het daarop gebaseerde besluit reeds daarom in rechte geen stand kunnen houden. Met een contra-expertise of stukken van zijn behandelaars kan de vreemdeling concrete aanknopingspunten aanvoeren voor twijfel aan de inhoud daarvan.

9.6.

Eiser 1 heeft ter zitting verwezen naar de uitspraak van de ABRvS van 4 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3472) over de veilige behandelomgeving en acht deze ook op de situatie van eiser 1 toepasbaar. De rechtbank volgt eiser 1 hierin niet. In de uitspraak van de ABRvS van 17 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:4019) is geoordeeld dat het BMA dient te beoordelen of aanleiding bestaat tot gerede twijfel over de effectiviteit van de behandeling of de te leveren zorg in het land, indien en voor zover de informatie van de behandelaar daartoe aanleiding geeft. Uit de uitspraak van de ABRvS van 18 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:52) blijkt voorts dat de informatie van een behandelaar, als deze geen concrete op de aard en het ontstaan van de psychische klachten van de betrokkene toegesneden uiteenzetting bevat over de effectiviteit en het te verwachten verloop van een voortgezette behandeling in het land van herkomst, niet hoeft te worden voorgelegd aan het BMA.

9.7.

De behandelaars hebben in hun brieven van 21 maart 2016 en 2 mei 2017 naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig concrete informatie verstrekt dat daaruit gerede twijfel blijkt over de effectiviteit van de in Ivoorkust voor eiser 1 verkrijgbare behandeling voor zijn psychische klachten. Deze twijfel blijkt evenmin uit de brief van de behandelaars van 25 januari 2018. Ook met de opmerkingen van eiser 1 over de deplorabele toestand van het Bingerville ziekenhuis in Abidjan en het beperkt aantal beschikbare plaatsen, is deze twijfel niet gezaaid. Dat geldt ook voor het internetartikel dat dateert uit juli 2012, omdat daaruit niet blijkt dat er slechts een beperkt aantal plaatsen beschikbaar is. De rechtbank ziet in hetgeen eiser 1 overigens in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding om aan te nemen dat Ivoorkust niet kan worden aangemerkt als een veilige behandelomgeving voor zijn psychiatrische klachten dan wel dat een effectieve behandeling van eiser voor zijn psychische klachten in Ivoorkust niet mogelijk is. Anders dan eiser 1 betoogt, heeft verweerder het BMA niet hoeven vragen om nader onderzoek te doen naar de veilige behandelomgeving in Ivoorkust.

9.8.

De BMA-arts heeft bij brief van 25 september 2017 hierover opgemerkt dat de behandelaars in hun schrijven alleen wijzen op de traumatische gebeurtenissen die eiser heeft ondergaan in Ivoorkust en geen andere specifieke individuele achtergronden en omstandigheden noemen waarom de behandelomgeving voor eiser onveilig is. De arts van het BMA verwijst vervolgens naar de “in het tuchtrecht uitgekristalliseerde regel dat de stelling dat de behandeling van psychische klachten in het land waar de oorzaak van die klachten ligt of wordt vermoed te liggen niet of niet succesvol kan plaatsvinden, in het algemeen niet als juist kan worden aanvaard”. Deze reactie van het BMA heeft verweerder eerst bij een nader verweerschrift van 1 februari 2018 aangehecht, zodat eiser niet eerder van deze reactie op de hoogte was.

9.9.

Ter zitting heeft eiser 1 verzocht alsnog de reactie van de behandelaars op het BMA-advies van 25 september 2017, dat bij de brief van verweerder van 1 februari 2018 was gevoegd, te mogen overleggen. Gelet op het late moment hiervan, heeft de rechtbank dit in strijd met de goede procesorde geacht. Weliswaar is eiser 1 bij brief van verweerder van 1 februari 2018 op een vrij laat moment door verweerder op de hoogte gebracht van het BMA-advies van 25 september 2017, maar wel op een zodanig moment dat eiser 1 de behandelaars nog om een inhoudelijke reactie kon verzoeken en dit aan de rechtbank voorafgaand aan de zitting had kunnen melden. De rechtbank had hier dan voorafgaand aan de zitting rekening mee kunnen houden. Hierbij heeft de rechtbank betrokken dat eiser 1 ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat in deze brief van de behandelaars onder meer wordt geschreven dat door het BMA in het advies van 14 september 2016 genoemde alternatieve medicatie mogelijkerwijs leidt tot decompensatie en een medische noodsituatie. De rechtbank stelt vast dat de reactie van de behandelaars derhalve betrekking heeft op het eerdere BMA-advies van 14 september 2016 en dus op een eerder moment ingebracht had kunnen worden. Verder overweegt de rechtbank dat gelet op de door eiser 1 gegeven toelichting op de reactie van de behandelaars, geen reden bestaat deze alsnog aan het BMA voor te leggen. De rechtbank overweegt hiertoe dat de behandelaars hiermee niet specifieke omstandigheden vermelden waarom een veilige behandelomgeving in het individuele geval van eiser 1 in Ivoorkust niet aanwezig is.

9.10.

Onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 december 2016, Paposhvili, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810, stelt eiser 1 dat zijn uitzetting in strijd is met artikel 3 van het EVRM, omdat hij in een medische noodsituatie zal komen te verkeren nu hij vanwege het ontbreken van een sociaal vangnet en financiële middelen en de omstandigheid dat zijn psychische klachten in het land van herkomst is ontstaan geen feitelijke toegang zal hebben tot de medisch noodzakelijke zorg in Ivoorkust. De rechtbank overweegt dat de bewijslast dat sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in het arrest Paposhvili in eerste instantie bij de vreemdeling ligt (zie de uitspraak van de ABRvS van 28 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2627). De rechtbank is van oordeel dat eiser 1 – in aanmerking genomen het hiervoor overwogene over zijn medische situatie – niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting naar Ivoorkust in een door artikel 3 van het EVRM verboden situatie zal geraken. Eiser 1 heeft niet aannemelijk gemaakt dat de benodigde medische behandeling in Ivoorkust niet aanwezig is dan wel dat de behandeling van zijn psychische klachten in het ziekenhuis Bangerville in Abidjan voor hem niet toegankelijk is. Dat uit het door eiser 1 aangehaalde internetartikel over het psychiatrisch ziekenhuis Bingerville in Abidjan naar voren komt dat er slechts een beperkt aantal plaatsen beschikbaar is, is – nog daargelaten dat het artikel geschreven is in juli 2012 – geen reden om aan te nemen dat de psychiatrische behandeling van eiser bij terugkeer naar Ivoorkust in dat ziekenhuis niet toegankelijk is. Eiser 1 heeft in beroep geen recente andere informatie ingediend, waaruit het tegendeel blijkt.

9.11.

Dat, zoals eiser 1 ter zitting betoogt, bij uitzetting en terugkeer naar Ivoorkust sprake is van een risico op suïcide, is onvoldoende onderbouwd en is daarom geen concreet aanknopingspunt op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de juistheid van het BMA-advies van 14 september 2016.

9.12.

Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft mogen uitgaan van de inhoud van voormelde BMA-adviezen en in de medische situatie van eiser 1 terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser 1 ambtshalve uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Uit het BMA-advies van 14 september 2016 blijkt immers dat eiser 1 kan reizen en dat eventuele behandeling in Ivoorkust aanwezig is voor zover een risico bestaat op het ontstaan van een medische noodsituatie.

Bestreden besluit van 10 december 2015 (AWB 15/22895)

10. Bij de beoordeling van het ten aanzien van eiseres genomen bestreden besluit van

10 december 2015, waarbij de tot 16 december 2015 verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 14 maart 2012 is ingetrokken, is het vanaf rechtsoverweging 3.3 genoemde toetsingskader eveneens van belang.

10.1.

Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning asiel met terugwerkende kracht tot 14 maart 2012 terecht heeft ingetrokken. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en verwijst hiervoor naar hetgeen daarover ten aanzien van eiser 1 is overwogen. In hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om daarover anders te oordelen.

11. Ten aanzien van de situatie ten tijde van de vergunningverlening (ex tunc toetsing), is tussen partijen in geschil of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning op een van de andere gronden van artikel 29 van de Vw 2000, dan de grond als neergelegd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, zoals dat artikel luidde ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd.

11.1.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, en het daarin vervatte voornemen van 13 april 2015, op het standpunt gesteld dat er ten tijde van de vergunningverlening geen andere gronden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, en c, van de Vw 2000, zoals dat artikel luidde ten tijde van de vergunningverlening, bestonden. Verweerder heeft overwogen dat eiseres haar stelling dat zij een jaar voor het vertrek is verkracht door vier mannen niet met medische verklaringen heeft onderbouwd. Onder verwijzing naar het toenmalige traumatabeleid, heeft verweerder overwogen dat de gestelde verkrachting niet kan leiden tot de conclusie dat er destijds een andere grond voor verlening van toepassing was. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit de reden voor haar vertrek is geweest, nu er meer dan zes maanden liggen tussen de gebeurtenissen en het daadwerkelijk vertrek. Daarnaast heeft eiseres tijdens het nader gehoor verklaard dat zij naar Nederland is gekomen om bij haar man te zijn.

11.2.

Eiseres voert aan dat in het bestreden besluit ten onrechte geen inhoudelijke beoordeling van haar zelfstandige asielmotieven heeft plaatsgevonden, zodat reeds om die reden het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

11.3.

In het verweerschrift van 23 maart 2016 heeft verweerder erop gewezen dat de problemen van eiseres wel degelijk inhoudelijk beoordeeld zijn. Ten aanzien van de problemen die pas zijn aangevoerd ná het uitbrengen van het voornemen, heeft verweerder erkend dat de in het bestreden besluit gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling niet op alle onderdelen voldoet aan de eisen van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, zoals geformuleerd in Werkinstructie 2014/10. Verweerder heeft daarin aanleiding gezien in het verweerschrift een nadere motivering op te nemen, waarbij de relevante elementen in het kader van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling alsnog zijn beoordeeld.

11.4.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen volledige integrale geloofwaardigheidsbeoordeling van de door eiseres in Ivoorkust ondervonden problemen heeft verricht. Het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt dat in het verweerschrift geen aanvullende motivering is gegeven op het bestreden besluit en dat het ook met de in het bestreden besluit gegeven motivering voor wat betreft de ex tunc toets kon worden afgedaan, volgt de rechtbank niet. Weliswaar is verweerder in het bestreden besluit in het kader van de ex tunc toets inhoudelijk ingegaan op het door eiseres aangevoerde dat zij een jaar voor het vertrek is verkracht door vier mannen, maar dit laat onverlet dat in het bestreden besluit geen volledige integrale geloofwaardigheidsbeoordeling van de door eiseres naar voren gebrachte problemen heeft plaatsgevonden, zoals Werkinstructie 2014/10 voorschrijft. Daar komt bij dat verweerder in het bestreden besluit de verklaring van eiseres dat zij door haar familie is bedreigd, niet inhoudelijk heeft beoordeeld. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. De beroepsgrond slaagt.

11.5.

Met het oog op een finale geschillenbeslechting zal de rechtbank beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit – gelet op de in het verweerschrift in beroep van

23 maart 2016 neergelegde aanvullende motivering van het bestreden besluit – in stand kunnen worden gelaten. Zij overweegt daarover als volgt.

11.6.

Verweerder heeft in verweer in beroep de volgende relevante elementen vastgesteld:
- eiseres heeft verklaard na het vertrek van haar echtgenoot te zijn ontvoerd, verkracht, mishandeld en bedreigd door vier onbekende mannen;

- eiseres heeft verklaard dat haar familie bedreigd werd omwille van eiseres.

11.7.

Verweerder volgt eiseres niet in haar verklaringen dat zij door vier onbekende mannen is ontvoerd, verkracht, mishandeld en bedreigd, als gevolg waarvan zij in een ziekenhuis is opgenomen, nu zij die verklaringen niet met objectieve bewijsstukken heeft onderbouwd en hij acht het element ten aanzien van de verkrachting van eiseres niet geloofwaardig. Verweerder volgt eiseres wel in haar verklaring over de bedreiging door de familie, gelet op de geloofwaardig bevonden verklaringen van haar echtgenoot (eiser 1).

11.8.

De rechtbank stelt vast dat eiseres in beroep niet heeft bestreden dat verweerder in dit geval de relevante elementen juist heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt, zoals ter zitting nader is toegelicht, gesteld dat het eerstgenoemde element van het asielrelaas ongeloofwaardig is. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiseres in Ivoorkust door vier onbekende mannen is verkracht, mishandeld en is ontvoerd. Daartoe heeft verweerder niet ten onrechte van belang geacht dat eiseres bij aankomst in Nederland in 2010 niet reeds melding heeft gemaakt over de gebeurtenissen die haar zijn overkomen. Dat eiseres hier tijdens het nader gehoor niet over heeft durven verklaren, ook uit angst voor de reactie van haar echtgenoot, heeft verweerder niet tot een ander standpunt hoeven brengen. Daarbij heeft verweerder niet ten onrechte in aanmerking genomen dat uit het verslag van het nader gehoor uit 2010 blijkt dat eiseres is gewezen op het belang om volledige verklaringen af te leggen en dat haar verklaringen vertrouwelijk zouden worden behandeld. Daarbij heeft verweerder van belang geacht dat eiseres niet met medische documenten heeft onderbouwd dat zij in 2010 vanwege psychische redenen niet in staat was om over de gebeurtenissen te verklaren. Verweerder heeft voorts niet ten onrechte overwogen dat eiseres haar gestelde verkrachting niet met objectieve bewijsstukken heeft gestaafd. De stelling van eiseres dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar asielrelaas wel geloofwaardig is, is onvoldoende om tot een ander oordeel te kunnen leiden. Dat eiseres, zoals zij ter zitting heeft verklaard, heeft gekozen voor een aanvraag om ‘gezinshereniging’ bij haar echtgenoot en dat dat niet betekent dat zij geen eigen gerechtvaardigde asielmotieven had, maakt niet dat haar relaas daarom geloofwaardig moet worden geacht.

11.9.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, voor wat betreft de geloofwaardigheid van de verklaring van eiseres over de bedreiging door de familie, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vermoedens van eiseres over wat haar bij terugkeer in Ivoorkust te wachten staat niet aannemelijk zijn. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit, en het daarin ingelaste voornemen van 13 april 2015, zoals ter zitting nader toegelicht, deugdelijk gemotiveerd. Verweerder heeft in het bestreden besluit op dat onderdeel niet ten onrechte overwogen en afdoende gemotiveerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat de negatieve aandacht van de toenmalige Ivoriaanse autoriteiten vanwege activiteiten van haar familieleden op de persoon van eiseres is gericht. Voor zover de vrees van eiseres is ontleend aan de activiteiten van haar echtgenoot, heeft verweerder niet ten onrechte verwezen naar de overwegingen in het bestreden besluit in zijn zaak. Verweerder heeft zich in het verweerschrift in beroep op het standpunt gesteld dat ex tunc toetsend niet aan het destijds geldende traumatabeleid wordt voldaan.

11.10.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het relaas van eiseres over de gestelde verkrachting, mishandeling en ontvoering door vier onbekende mannen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Gelet hierop heeft verweerder zich ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het toenmalige traumatabeleid. Om die reden is er geen grond voor het oordeel dat de weigering een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vw 2000, zoals dat op 10 december 2015 luidde, te verlenen ten tijde van de verlening van de vergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000, niet in stand kan blijven. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de uitkomst van het geschil, als verweerder een nieuw besluit zou nemen, geen andere zou zijn dan in het bestreden besluit en dat dit nieuwe besluit de toetsing in rechte zou kunnen doorstaan. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten.

12. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit, voor wat betreft de situatie ten tijde van het bestreden besluit (ex nunc toetsing), over de vrees van eiseres te worden besneden afdoende heeft gemotiveerd dat eiseres niet heeft onderbouwd dat haar zus door stamgenoten alsnog besneden werd. Verweerder heeft in dat verband niet ten onrechte betrokken dat eiseres geen medische verklaringen heeft ingebracht waaruit blijkt dat haar zus op latere leeftijd is besneden. Voorts heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiseres geen rapportage heeft ingebracht waaruit blijkt dat christelijke vrouwen van de Gouro bevolkingsgroep in Ivoorkust besneden worden. Verweerder heeft daarbij kunnen verwijzen naar hetgeen daarover in het algemeen ambtsbericht inzake Ivoorkust van 10 april 2012 (kenmerk: DCM/AT506/11/26348) is opgenomen. Daaruit blijkt dat ondanks een wettelijk verbod, genitale verminking van vrouwen in de praktijk nog steeds veel voorkomt in Ivoorkust, met name op het platteland, en dat besnijdenis voor komt binnen moslimgemeenschappen (zoals de Malinké-gemeenschap) en onder groepen die traditionele (animistische) geloven aanhangen. Verweerder heeft in dat verband niet ten onrechte overwogen dat gelet op het feit dat eiseres een christelijke vrouw uit het Zuiden van Ivoorkust is en universitair geschoold, het niet aannemelijk is dat zij het risico loopt om te worden besneden. De stelling van eiseres dat zij van geboorte moslim is, heeft verweerder niet tot een ander standpunt hoeven brengen, omdat daarin geen aanleiding is gelegen om aan te nemen dat eiseres bij terugkeer zal worden besneden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres niet hoeven volgen in haar niet onderbouwde stelling dat zij vreest voor vrouwenbesnijdenis en dat haar vrees niet tot verblijfsaanvaarding leidt. Verweerder heeft daarbij niet ten onrechte in aanmerking genomen dat haar man haar kan beschermen tegen (mogelijk) seksueel geweld. Dat eiseres, zoals zij betoogt, zich bij terugkeer zal moeten vestigen in het dorp van haar ouders alwaar besnijdenis nog op grote schaal plaatsvindt, doet daar niet aan af.

13.1.

Op grond van wat in 12. is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een schending van artikel 3 van het EVRM, dan wel dat zij bij terugkeer naar Ivoorkust ernstige schade zal lijden.

13.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder bij besluit van 15 januari 2016 het bestreden besluit van 10 december 2015 – waarin de verblijfsvergunning van eiseres is ingetrokken – heeft aangevuld. Het beroep is derhalve op grond van artikel 6:19 van de Awb mede gericht tegen dit besluit. Bij dat besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 23 september 2015 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 34 in verbinding met artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Verweerder heeft hiervoor verwezen naar het voornemen van 15 december 2015 en daarin, onder verwijzing naar Werkinstructie 2013/5, overwogen dat op het moment van toetsing of de grond voor verlening nog bestond, te weten de datum waarop de verleende verblijfsvergunning voor het laatst geldig is, 15 december 2015, de grond voor verlening reeds was komen te vervallen. De rechtbank acht de door verweerder gegeven motivering deugdelijk. Eiseres heeft hier geen reactie op gegeven die maakt dat de aanvullende motivering van verweerder niet volstaat.

14. Voor wat betreft het beroep van eiseres op artikel 8 van het EVRM, oordeelt de rechtbank als volgt. Omdat de verblijfsvergunning van eiseres met terugwerkende kracht is ingetrokken, dient verweerder te toetsen of aan eiseres op grond van artikel 3.6a van het Vb 2000 ambtshalve een verblijfsvergunning verleend moet worden.

14.1.

Bij de beoordeling of eiseres in het kader van artikel 8 van het EVRM aanspraak op een verblijfsvergunning kan ontlenen, is het onder 8.3. genoemd toetsingskader eveneens van belang. Niet in geschil is dat tussen eiseres en haar echtgenoot en haar twee minderjarige kinderen familie- en gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. In het bestreden besluit, en het daarin ingelaste voornemen van 13 april 2015, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiseres uitvalt. In het bestreden besluit heeft verweerder er daartoe op gewezen dat eiseres nog geen vijf jaar in Nederland woont, dat niet gebleken is dat Nederland het land is waar eiseres bijzondere banden mee heeft en dat het feit dat haar kinderen in Nederland zijn geboren niet maakt dat van haar in redelijkheid niet verwacht kan worden dat zij (weer) een leven opbouwt in het land van herkomst. Daarbij heeft verweerder mede betrokken dat niet gebleken is dat de banden die eiseres is aangegaan met Nederland de gebruikelijke banden overstijgen. In het verweerschrift in beroep heeft verweerder zich aanvullend op het standpunt gesteld dat eiseres in staat is om – samen met haar man en kinderen – het privéleven in Ivoorkust, waar zij het grootste gedeelte van haar leven heeft gewoond, weer op te bouwen. Over de omstandigheden dat eiseres in Nederland vriendschappen heeft opgebouwd en actief is in de plaatselijke kerkgemeenschap – ten bewijze waarvan zij een handtekeningenlijst heeft ingezonden – heeft verweerder opgemerkt dat het gaat om activiteiten die de gebruikelijke banden met Nederland niet overstijgen. De rechtbank acht de door verweerder gegeven (aanvullende) motivering voldoende deugdelijk. Anders dan eiseres betoogt, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in het bestreden besluit niet alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging heeft betrokken.

14.2.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM wat betreft familie- en gezinsleven en het privéleven in het nadeel van eiseres uitvalt.

15. Met betrekking tot het besluit niet op grond van artikel 64 van de Vw 2000 ambtshalve uitstel van vertrek aan eiseres te verlenen, overweegt de rechtbank als volgt.

15.1.

In het BMA-advies van 17 augustus 2016 is, voor zover van belang, opgenomen dat eiseres psychische klachten heeft die voortkomen uit een chronische posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een lichte depressieve stoornis. Verder vermeldt het BMA-advies dat eiseres behandeling krijgt vanuit Stichting Centrum ’45, dat zij zich niet bevindt in een levensbedreigend stadium van een ongeneeslijke ziekte en dat de gevolgen bij het uitblijven van behandeling naar verwachting, zeker op korte termijn, beperkt zijn. Volgens het BMA-advies is eiseres in staat om te reizen en is behandeling in Ivoorkust aanwezig, te weten in het Psychiatric hospital Bingerville te Abidjan. Eiseres kan worden behandeld door een psychiater en er zijn diverse vormen van psychotherapie en traumabehandeling mogelijk, alsook een ruime beschikbaarheid van psychofarma, aldus het gestelde in het BMA-advies.

15.2.

De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiseres ambtshalve uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw 2000. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en verwijst hiervoor naar hetgeen onder 9.1., 9.5 en 9.10. is overwogen ten aanzien van eiser 1. De rechtbank voegt daaraan toe dat verweerder het BMA-advies aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen, omdat deze naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Bij zijn oordeelsvorming heeft de BMA-arts de van de behandelaars verkregen informatie betrokken. In het verweerschrift in beroep heeft verweerder zich aanvullend op het standpunt gesteld dat de ingezonden verklaring van Centrum 45’ van 24 maart 2016 niet tot de conclusie leidt dat aan eiseres uitstel van vertrek dient te worden verleend. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit het BMA-advies van 17 augustus 2016 niet blijkt dat eiseres zich in een terminaal en direct levensbedreigend stadium van een ziekte bevindt, zodat geen sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM. Daarnaast heeft verweerder daarbij niet ten onrechte van belang geacht dat geen sprake is van een medische noodsituatie en dat eiseres in staat is om te reizen.

15.3.

Onder verwijzing naar het arrest van het EHRM van 13 december 2016 heeft eiseres betoogd dat haar uitzetting in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank overweegt dat de bewijslast dat sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in het arrest Paposhvili in eerste instantie bij de vreemdeling ligt. De rechtbank is van oordeel dat eiseres – in aanmerking genomen het hiervoor overwogene over haar medische situatie – niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij uitzetting naar Ivoorkust in een door artikel 3 van het EVRM verboden situatie zal geraken.

Bestreden besluiten van 29 augustus 2016 (AWB 16/21015 en AWB 16/21016)

16. Eiser 2 en eiser 3 hebben op 22 september 2015 aanvragen ingediend om verlenging van de geldigheidsduur van hun van eiseres afhankelijke vergunningen regulier. Deze aanvragen zijn bij besluit van 20 april 2016 afgewezen, onder verwijzing naar de besluitvorming ten aanzien van de moeder van eiser 2 en eiser 3. Verweerder heeft daartoe overwogen dat het verblijfsrecht van eiser 2 en eiser 3 afhankelijk is van het verblijfsrecht van eiseres. Verder heeft verweerder in het kader van artikel 8 van het EVRM overwogen dat weliswaar sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiser 2 en eiser 3 en eiseres, maar dat van schending van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven geen sprake is. Bij de bestreden besluiten van 29 augustus 2016 heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser 2 en eiser 3 alsnog ingetrokken met terugwerkende kracht per respectievelijk

14 maart 2012 en 8 april 2014, omdat dat in het besluit van 20 april 2016 ten onrechte niet is gebeurd.

16.1.

Eiser 2 en eiser 3 hebben in beroep betoogd dat de bestreden besluiten volledig nieuwe besluiten behelzen, in die zin dat hun verblijfsvergunning met ingang van 14 maart 2012 en 8 april 2014 is ingetrokken. In het kader van artikel 8 van het EVRM zijn ten onrechte de belangen van eiser 2 en eiser 3 niet in de belangenafweging meegewogen.

16.2.

De rechtbank volgt eiser 2 en eiser 3 niet in de beroepsgrond dat verweerder in de bestreden besluiten bij de toetsing aan artikel 8 van het EVRM de belangen van eiser 2 en eiser 3 niet (voldoende) heeft meegenomen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat tussen eiser 2 en eiser 3 en hun vader (eiser 1) en moeder (eiseres) familie- en gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van inmenging, nu de aan de ouders verleende asielvergunning met terugwerkende kracht is ingetrokken en het geen van de familie is toegestaan om op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e dan wel l, van de Vw 2000 in Nederland te verblijven. Daarbij komt dat de verblijfsvergunningen regulier van eiser 2 en eiser 3 met terugwerkende kracht zijn ingetrokken.

16.3.

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, zo ja, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een "fair balance" tussen enerzijds het belang van een vreemdeling bij de uitoefening van het privéleven en familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. In het verweer in beroep heeft verweerder zich aanvullend op het standpunt gesteld dat aan de ouders van eiser 2 en eiser 3 niet langer verblijf wordt toegestaan en dat zij als gezin gezamenlijk Nederland moeten verlaten. Verder heeft verweerder daarbij in aanmerking genomen dat van eiser 2 en eiser 3, gelet op hun nog jonge leeftijd, in redelijkheid kan worden verlangd samen met hun ouders naar Ivoorkust terug te keren en dat van schending van het recht op privéleven geen sprake is. Met de door verweerder in het bestreden besluit gegeven motivering en het verweer in beroep, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging heeft betrokken. Het in beroep gevoerde betoog is te algemeen van aard om aan de motivering van verweerder te kunnen afdoen.

16.4.

De rechtbank volgt eiser 2 en eiser 3 in de beroepsgrond dat de bestreden besluiten van 29 augustus 2016, voor zover verweerder daarin de verblijfsvergunningen regulier van eiser 2 en eiser 3 met terugwerkende kracht heeft ingetrokken, nieuwe besluiten zijn. Verweerder heeft dat ook niet weersproken. Dit betekent dat tegen dat onderdeel van de bestreden besluiten op grond van artikel 7:1 van de Awb de mogelijkheid van bezwaar openstond. De beroepen, voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunningen regulier, zijn op verzoek van verweerder met toepassing van artikel 6:15 van de Awb doorgezonden ter beoordeling als bezwaarschrift. Reeds hierom komen de bestreden besluiten op dat onderdeel voor vernietiging in aanmerking en dienen de beroepen gegrond te worden verklaard. De rechtbank ziet echter aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten. Hiertoe is van belang dat verweerder bij besluit op bezwaar van 12 januari 2017 heeft beslist op het bezwaarschrift.

Bestreden besluit (AWB 17/2604)

17. Bij het bestreden besluit van 12 januari 2017 heeft verweerder beslist op het als beroepschrift aan hem doorgezonden bezwaarschrift, voor zover gericht tegen het besluit van 29 augustus 2016, waarbij de verblijfsvergunningen regulier van eiser 2 en eiser 3 met terugwerkende kracht zijn ingetrokken.

17.1.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder bij het bestreden besluit de verblijfsvergunningen van eiser 2 en eiser 3 terecht met terugwerkende kracht per respectievelijk 14 maart 2012 en 8 april 2014 heeft ingetrokken. Ter beantwoording van deze vraag overweegt de rechtbank het volgende.

17.2.

Het bestreden besluit berust op het standpunt van verweerder dat, nu de verblijfsvergunning van de moeder (eiseres) is ingetrokken, de verblijfsvergunningen van eiser 2 en eiser 3 – gelet op het afhankelijke karakter – eveneens zijn ingetrokken. Verweerder heeft voorts overwogen dat eiser 2 en eiser 3 niet voldoen aan de voorwaarden van de Regeling langdurig verblijvende kinderen in Nederland.

17.3.

De rechtbank heeft onder 10.1. reeds geoordeeld dat verweerder bevoegd was de verblijfsvergunning asiel van de moeder van eiser 2 en eiser 3 met terugwerkende kracht tot 14 maart 2012 in te trekken. Daarmee is de grond voor verlening van de aan eiser 2 en eiser 3 verleende verblijfsvergunningen regulier komen te vervallen en was verweerder bevoegd om die verblijfsvergunningen ook in te trekken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit afdoende heeft gemotiveerd waarom de verblijfsvergunningen van eiser 2 en eiser 3 met terugwerkende kracht zijn ingetrokken. Verweerder heeft niet ten onrechte van belang geacht dat de aan eiser 2 en eiser 3 verleende verblijfsvergunningen afhankelijk zijn van de destijds aan hun moeder verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Voor zover eiser 2 en eiser 3 in beroep hebben verwezen naar hetgeen is aangevoerd over de intrekking van de verblijfsvergunningen met terugwerkende kracht van hun ouders, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij daarover ten aanzien van eiser 1 en eiseres heeft overwogen. Hetgeen eiser 2 en eiser 3 hebben aangevoerd, is onvoldoende voor de conclusie dat het bestreden besluit de rechterlijke toets niet kan doorstaan.

18. Uit wat in 3. tot en met 9.12. is overwogen volgt dat het beroep van eiser 1 ongegrond is. Uit wat in 11.4. is overwogen volgt dat het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van 15 december 2015, voor zover geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling is verricht, gegrond is en dat dit besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand laten. Uit wat onder 13.2. is overwogen volgt dat het beroep van eiseres tegen het (aanvullend) bestreden besluit van

15 januari 2016 ongegrond is.

19. Uit wat in 16.4. is overwogen volgt dat het beroep van eiser 2 en eiser 3 tegen de bestreden besluiten van 29 augustus 2016 gegrond is en dat deze besluiten dienen te worden vernietigd. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten in stand laten. Uit hetgeen onder 17.2. en 17.3. is overwogen volgt dat het beroep van eiser 2 en eiser 3 tegen het bestreden besluit van 12 januari 2017 ongegrond is.

20. De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiseres en eiser 2 en eiser 3 in beroep gemaakte kosten. Deze kosten dienen op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te worden gesteld op een bedrag van € 1.503,00 (2 keer 1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 501,00, wegingsfactor 1).

21. Omdat de rechtbank de beroepen van eiser 2 en eiser 3 gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder het door hen betaalde griffierecht van in totaal € 336,00 dient te vergoeden (2 keer € 168,00).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 13 april 2015 ongegrond;

- verklaart het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van 10 december 2015, voor zover geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling is verricht, gegrond;

- vernietigt in zoverre het bestreden besluit van 10 december 2015;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- verklaart het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van 15 januari 2016 ongegrond;

- verklaart de beroepen van eiser 2 en eiser 3 tegen de bestreden besluiten van 29 augustus 2016 gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 29 augustus 2016;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten geheel in stand blijven;

- verklaart het beroep van eiser 2 en eiser 3 tegen het bestreden besluit van 12 januari 2017 ongegrond.

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres en eiser 2 en eiser 3 tot een bedrag van € 1.503,00;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 336,00 aan eiser 2 en eiser 3 te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, voorzitter, mr. H.R. Bracht en

mr. V. Bex-Reimert, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.