Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6733

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
12-06-2018
Zaaknummer
6514515 RL EXPL 17-30050
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing vordering tegen het Invorderingsbedrijf vanwege schending zorgplicht. De kosten wogen niet op tegen de te verwachte opbrengsten. Het Invorderingsbedrijf had eisers daarom moeten adviseren niet te procederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

FH

Zaak-/rolnr.: 6514515 RL EXPL 17-30050

22 mei 2018

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1 [eiser] ,

2. [eiseres],
beiden wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
gemachtigde: [gemachtigde] ,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Invorderingsbedrijf B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. M. Leung (Moneyfirst).

Partijen worden hierna genoemd “ [eisers] ” en “Invorderingsbedrijf”.

1 Procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 30 november 2017, met producties 1 tot en met 7;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 17.

1.2.

Op 2 mei 2018 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen [eisers] in persoon, vergezeld van mevrouw [betrokkene 1] namens de gemachtigde, en namens Invorderingsbedrijf de heer [betrokkene 2] . Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 Feiten

2.1.

Tussen [eisers] en zijn voormalige verhuurder [verhuurder] (hierna: [verhuurder] ) is een geschil ontstaan over het niet restitueren van de door [eisers] betaalde waarborgsom van
€ 1.500,00 nadat de huurovereenkomst was geëindigd.

2.2.

Vervolgens heeft [eisers] op de website van Invorderingsbedrijf een aanmeldformulier ingevuld waarbij hij Invorderingsbedrijf de opdracht heeft gegeven incassomaatregelen te nemen om het bedrag van € 1.500,00 te innen. Onderaan het aanmeldformulier stonden hyperlinks naar de algemene voorwaarden en de tarieven.

2.3.

Als reactie op de door Invorderingsbedrijf gestuurde incassobrief biedt [verhuurder] bij brief van 18 september 2015 aan om, na aftrek van de door hem gemaakte kosten, een bedrag van € 785,90 aan [eisers] te betalen.

2.4.

Bij brief van 8 oktober 2015 vraagt Invorderingsbedrijf aan [eisers] of hij het dossier wil doorzetten door middel van een dagvaarding en schrijft voorts:

“(…) De investering verbandhoudende met de dagvaardingsprocedure bedraagt voor het opstellen van de dagvaarding € 274,- excl. BTW, voor het betekenen van de dagvaarding door de deurwaarder € 121,84 excl. BTW te verhogen met het griffierecht. Het wettelijke griffierecht is afhankelijk van uw rechtsvorm en de hoogte van de vordering en bedraagt thans € 221,-. Alle kosten worden zoveel mogelijk verhaald op de debiteur.

Bijgesloten heb ik voor u het beleid Dagvaardingsprocedure. (…)”

In de bijlage staat vermeld dat het uurtarief, indien verweer wordt gevoerd, € 185,00 excl. BTW bedraagt, naast de vaste vergoeding van € 274,00 en € 121,84 exclusief btw.

2.5.

Bij e-mail van 12 oktober 2015 te 15.22 uur schrijft [eisers] aan Invorderingsbedrijf:

“In mijn telefonisch onderhoud tijdens start van incassoprocedure werd mij verteld dat ik ongeveer 40 euro kwijt zou zijn aan incasso kosten. Alle kosten daarboven zouden vooraf vermeld worden. Waarschijnlijk heb ik iets over het hoofd gezien. Kun je mij vertellen waar het bedrag van 328,24 te vinden was in ons e mail verkeer?”

Per e-mail van dezelfde dag om 15.39 uur reageert Invorderingsbedrijf hierop:

“Het bedrag dat ik u noemde, is het bedrag dat debiteur moet betalen, volgens wet. U betaalt aan ons de dossierkosten, deze zijn EUR 37,- te verhogen met BTW. (…) We kunnen daarnaast altijd dagvaarding nog even doornemen. Jullie beslissen zelf of jullie dat willen (of niet).”

Daarop reageert Oudshoorn per e-mail om 15.54 uur:

“(…) Het liefst zou ik er uit komen middels een onderhandeling. (…)”

2.6.

Vervolgens stuurt [eisers] op 29 oktober een e-mail aan Invorderingsbedrijf waarin zij het volgende schrijft:

“Om ons beiden nog meer proceskosten en tijdsinvestering te besparen willen wij nog een laatste voorstel aan [verhuurder] doen, alvorens we een volgend traject ingaan middels rechtbank. (…) Is het gebruikelijk in deze fase de kosten gemaakt door uw bureau volledig of 50% verhalen bij [verhuurder] ? (…)”

In reactie op een e-mail van Invorderingsbedrijf van 30 oktober 2015, waarin aan [eisers] wordt gevraagd voor welk bedrag hij het dossier wenst te sluiten tegen finale kwijting, geeft [eisers] de instructie om een laatste voorstel te doen van € 1.463,00 (inclusief incassokosten van € 363,00 inclusief btw). Dat aanbod wordt niet door [verhuurder] geaccepteerd.

2.7.

Vervolgens heeft [eisers] buiten Invorderingsbedrijf om bij e-mail van 4 november 2015 nog een laatste voorstel gedaan aan [verhuurder] van € 1.281,50 maar ook dat is niet door [verhuurder] geaccepteerd. Hierna heeft [eisers] opdracht gegeven tot het uitbrengen van een dagvaarding.

2.8.

Bij e-mail van 5 november 2015 bericht Invorderingsbedrijf aan [eisers] :

“Wij behandelen op basis van no cure no pay onbetwiste vorderingen. In geval van betwiste vorderingen (zoals in uw geval) berekenen wij ons uurtarief. (…)”

2.9.

Bij e-mail van 12 februari 2016 informeert [eisers] naar de mogelijkheid tot het terugvorderen van de kosten op [verhuurder] . In reactie daarop schrijft Invorderingsbedrijf in haar e-mail van diezelfde dag:

“Wij hebben de rechter gevraagd om de debiteur te veroordelen in de kosten van de procedure. Daarvan zijn we afhankelijk. Hoeveel dit is (en of dit gebeurt), bepaalt een rechter.”

2.10.

Na het uitbrengen van de dagvaarding heeft [verhuurder] verweer gevoerd. Vervolgens heeft op 30 augustus 2016 een comparitie van partijen plaatsgevonden bij de rechtbank Noord-Holland, sectie kanton, locatie Alkmaar. Bij vonnis van 28 september 2016 heeft de kantonrechter [verhuurder] veroordeeld om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 840,00 ter zake de waarborgsom en een bedrag van € 152,46 inclusief btw ter zake buitengerechtelijke kosten. Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

2.11.

Naar aanleiding van de door haar verrichte werkzaamheden heeft Invorderingsbedrijf een aantal facturen aan [eisers] gestuurd van in totaal € 3.137,24, welke door [eisers] zijn voldaan.

3 Vordering

3.1.

[eisers] vordert veroordeling van Invorderingsbedrijf bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, na vermindering van eis ter comparitie, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te betalen een bedrag van € 3.436,03, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.436,03 vanaf 8 april 2017 tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van gedaagde partij in de kosten van deze procedure alsmede de nakosten.

3.2.

[eisers] legt aan deze (verminderde) vordering, naast voormelde feiten, het navolgende ten grondslag. Op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst tot opdracht had Invorderingsbedrijf de zorg in acht moeten nemen die van een redelijk bekwame en redelijk handelend jurist verwacht mag worden. In dat kader had Invorderingsbedrijf [eisers] moeten informeren met betrekking tot de kansen in een gerechtelijke procedure. Omdat de kosten in dit geval niet opwegen tegen de te verwachten opbrengsten, had Invorderingsbedrijf [eisers] moeten adviseren van het gerechtelijke traject af te zien. Nu Invorderingsbedrijf dat niet heeft gedaan, is zij toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Indien [eisers] volledig en juist was geïnformeerd, dan had [eisers] afgezien van een gerechtelijke procedure en aangestuurd op een betaling van € 785,90 door [verhuurder] (zoals door [verhuurder] aangeboden bij brief van 18 september 2015). [eisers] heeft een bedrag van € 648,41 ontvangen en een bedrag van € 3.137,24 aan Invorderingsbedrijf betaald. Indien [eisers] het aanbod van [verhuurder] van € 785,90 had geaccepteerd, dan had [eisers] slechts een bedrag van € 344,50 aan incassokosten aan Invorderingsbedrijf moeten voldoen waardoor hij € 441,40 zou hebben overgehouden. Vanwege het niet aanvaarden van het schikkingsvoorstel heeft [eisers] derhalve schade geleden tot een bedrag van € 2.930,23 (€ 3.137,24 - € 648,41 + € 441,40). Daarnaast heeft Invorderingsbedrijf geen algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst van toepassing verklaard en deze zijn evenmin aan [eisers] ter hand gesteld, zodat [eisers] geen kantoorkosten op grond van die algemene voorwaarden verschuldigd is. Voorts vordert [eisers] vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 505,80 vanwege de door de gemachtigde van [eisers] verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden.

4 Verweer

4.1.

Invorderingsbedrijf heeft, kort samengevat, als verweer aangevoerd dat [eisers] meerdere malen is gewezen op de kosten en dat uit niets is gebleken dat Invorderingsbedrijf [eisers] heeft voorgehouden dat de kosten van een gerechtelijke procedure integraal verhaald zouden worden.

5 Beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt vast dat de tussen partijen gesloten overeenkomst een overeenkomst van opdracht betreft als bedoeld in artikel 7:400 BW. Bij dergelijke overeenkomsten heeft te gelden dat de opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen (7:401 BW). Voor een professionele dienstverlener in de financiële sector – zoals Invorderingsbedrijf – houdt deze norm in dat de (mate van) zorg die zij ten opzichte van haar wederpartij – in casu de als particulier optredende [eisers] – dient te betrachten ten minste gelijk moet zijn aan de (mate van) zorg die een redelijk handelend, redelijk bekwaam vakgenoot in dezelfde situatie in acht zou nemen. De omvang van de op de schouders van de dienstverlener rustende zorgplicht wordt voorts bepaald door de omstandigheden van het geval, waartoe onder meer ook moet worden gerekend de aard van de overeengekomen dienstverlening en de redelijkerwijs te verwachten deskundigheid bij de wederpartij. De opdrachtnemer dient haar gedrag ook in voldoende mate af te stemmen op de gerechtvaardigde belangen van de opdrachtgever.

5.2.

Uit de door Invorderingsbedrijf overgelegde correspondentie blijkt dat [eisers] erop is gewezen dat de kosten zoveel mogelijk op de wederpartij worden verhaald, maar nergens staat dat Invorderingsbedrijf [eisers] heeft verzekerd dat de kosten volledig op [verhuurder] verhaald zouden kunnen worden. Ook anderszins is daar niet van gebleken.

5.3.

Desondanks is de kantonrechter van oordeel dat Invorderingsbedrijf haar zorgplicht als opdrachtnemer heeft geschonden. Op het moment dat werd gedagvaard, bedroegen de kosten al € 716,97 (€ 223,00 griffierecht + € 15,00 portokosten dagvaarding + € 331,54 opstellen dagvaarding en € 147,43 betekening dagvaarding). Bovendien blijkt uit de mail van 12 oktober 2015 te 10.49 uur van Invorderingsbedrijf dat daar nog € 328,25 wegens buitengerechtelijke kosten bij zouden komen, zodat de kosten al ruim boven de duizend euro uitstegen. De vordering bedroeg € 1.500,00, te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten en rente. Invorderingsbedrijf brengt uiteindelijk € 3.137,24 aan kosten bij [eisers] in rekening. Het had op de weg van Invorderingsbedrijf gelegen om – gezien de geringe omvang van de vordering en de gezien het feit dat uit de reeds gevoerde correspondentie reeds bekend was dat [verhuurder] verweer zou voeren – vooraf een inschatting te geven van de kosten van de procedure. Van een professionele dienstverlener mag dat worden verwacht. Zo wist Invorderingsbedrijf dat gezien het verweer van [verhuurder] de kans op een comparitie van partijen zeer groot was, zodat, gezien de locatie waar werd geprocedeerd – het voor Invorderingsbedrijf duidelijk had moeten zijn dat haar kosten op basis van het gehanteerde uurtarief de hoogte van de vordering aanzienlijk zou overschrijden. Alleen al aan reistijd heeft Invorderingsbedrijf een bedrag van € 569,95 in rekening gebracht (2,40 uur inclusief BTW en 6% kantoorkosten die nergens door Invorderingsbedrijf worden genoemd). Invorderingsbedrijf had [eisers] voor de redelijkerwijs te verwachten kosten moeten waarschuwen. Bovendien had Invorderingsbedrijf, anders dan zij nu heeft gedaan [eisers] op gezette tijden moeten informeren over de – voortschrijdende – kosten van de procedure, zodat de kosten de eventueel te verkrijgen baten niet – ongemerkt – overschrijden. Dit geldt te meer nu [eisers] meerdere malen, zoals uit de onder 2.5 tot en met 2.9 weergegeven correspondentie blijkt, heeft gevraagd naar de te verwachten kosten. Invorderingsbedrijf mocht niet volstaan met een enkele verwijzing naar het door haar gehanteerde uurtarief.

5.4.

Invorderingsbedrijf, die als opdrachtnemer de plicht heeft om [eisers] op de hoogte te houden van haar werkzaamheden en daarover rekening en verantwoording af te leggen, heeft [eisers] gelet op het voorgaande niet in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding een weloverwogen keuze te maken. Het noemen van losse bedragen zonder een en ander overzichtelijk op een rijtje te zetten en een concrete kosteninschatting te geven, getuigt – zeker in dit geval waar het een geringe vordering betreft – niet van een deugdelijke vervulling van de zorgplicht.

5.5.

Uit het voorgaande volgt dat Invorderingsbedrijf toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Om die reden is zij gehouden de schade die [eisers] heeft geleden te vergoeden. De kantonrechter is van oordeel dat Invorderingsbedrijf [eisers] in dit geval had moeten adviseren om niet te gaan procederen. Wanneer zij dat zou hebben geadviseerd, zou [eisers] naar het oordeel van de kantonrechter van een gerechtelijke procedure hebben afgezien en had zij de met de procedure gemoeide kosten bespaard. De vordering van [eisers] zal daarom worden toegewezen.

5.6.

De buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente zullen als onbetwist en op de wet gegrond eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat de wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten slechts toewijsbaar is vanaf de dag van dagvaarding.

5.7.

Invorderingsbedrijf zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

6 Beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt Invorderingsbedrijf om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te voldoen een bedrag van € 3.436,03, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 2.930,23 vanaf 8 april 2017 en over € 505,80 vanaf de dag van dagvaarding, beiden tot de dag van algehele voldoening;

6.2.

veroordeelt Invorderingsbedrijf in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eisers] vastgesteld op € 729,91 waarvan € 400,00 als het aan de gemachtigde van [eisers] toekomende salaris;

6.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.L.M. Luiten en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2018.