Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6656

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-05-2018
Datum publicatie
25-06-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2931
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening toegewezen, belangen van verzoeker bij een voorlopige voorziening prevaleren boven de belangen van verweerder bij handhaving van het primaire besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR AWB 18/2931

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 mei 2018 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], te [plaats], verzoeker

(gemachtigde: [gemachtigde]),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder

(gemachtigde: J.H.M. Beugels).

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeker per 14 maart 2018 uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (Brp) wegens vertrek uit Nederland.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt.

Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2018. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ter zitting heeft de voorzieningenrechter de zaak met een week aangehouden zodat partijen nog met elkaar in contact konden treden over een oplossing. Dit heeft niet tot een oplossing geleid.

Daarop heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Gelet op artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter hangende bezwaar op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2 De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1

Verzoeker gebruikt het adres van zijn moeder als postadres. Verweerder is op 16 december 2016 een adresonderzoek gestart omdat verzoeker al langer dan zes maanden op een briefadres ingeschreven stond, zodat periodieke controle geboden was.

2.2

Verzoeker heeft bij brief van 23 december 2016 laten weten geen vaste woon- en verblijfplaats te hebben en afwisselend bij vrienden in [plaats] en bij een vriend in [plaats] te verblijven. Verzoeker wil zijn postadres handhaven.

2.3

Bij brief van 19 juni 2017 heeft verweerder verzoeker verzocht om nadere informatie over zijn verblijfplaats(en).

2.4

Bij brief van 4 september 2017 heeft verweerder verzoeker wederom om informatie verzocht en daarbij aangegeven dat indien verzoeker niet reageert, verzoeker per

4 september 2017 uit de Brp geschreven zal worden.

2.5

Bij brief van 7 september 2017 heeft verzoeker wederom laten weten het postadres te willen handhaven. Verzoeker verblijft deels bij zijn zuster en deels bij zijn vriend - tevens gemachtigde - [gemachtigde].

2.6

Verweerder heeft bij brief van 14 maart 2018 aangegeven dat verzoeker zich zal moeten inschrijven op het adres waar hij het grootste deel van de week verblijft. Daarbij heeft verweerder wederom aangegeven dat indien verzoeker geen adreswijziging zal doorgeven hij uitgeschreven zal worden uit de Brp.

3 Bij primair besluit van 4 april 2018 heeft verweerder verzoeker per 14 maart 2018 uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (Brp) wegens vertrek uit Nederland.

4 Verzoeker voert aan dat hij niet naar het buitenland is vertrokken en dat verweerder daarvan op de hoogte is. Verzoeker gebruikte het briefadres van zijn hoogbejaarde moeder om op die wijze onder andere zijn ziektekostenverzekering en zijn uitkering veilig te stellen. Dit is nodig omdat verzoeker thans nog niet beschikt over een eigen woning. Noodgedwongen slaapt verzoeker op meerdere adressen.

5.1

Artikel 2.22, eerste lid, van de Wet Brp bepaalt dat indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland, het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorgdraagt voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland.

5.2

Ingevolge artikel 2.39, derde lid, van de Wet Brp kiest een ingezetene, indien hij geen woonadres heeft, een briefadres.

5.3

Volgens procedure 6.3 van de Handleiding Uitvoeringsprocedures (“wijziging in de verblijfsplaats bij adres onbekend”) dient in de situatie dat een persoon in de basisregistratie is ingeschreven op een bepaald adres en vervolgens is vertrokken zonder een nieuw adres op te geven, een gedegen onderzoek te worden ingesteld naar het feitelijk adres van de betrokkene, voordat een actualisering wordt uitgevoerd. De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat de persoon een nieuw adres heeft in dezelfde gemeente of dat de persoon een nieuw adres heeft in een andere gemeente of dat de persoon is vertrokken naar het buitenland of dat de betrokkene (min of meer voortdurend) verblijft in de gemeente maar geen adres of briefadres is vast te stellen of dat de persoon vertrokken is met onbekende bestemming. Van deze laatste situatie is volgens de Handleiding slechts sprake indien kan worden vastgesteld dat de verblijfsplaats van de burger onbekend is en de burger volkomen onbereikbaar is.

6 De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

6.1

Het is aan de voorzieningenrechter om hangende bezwaar een belangenafweging te maken. In dit verband weegt de voorzieningenrechter de belangen van verzoeker die pleiten voor het treffen van een voorlopige voorziening af tegen de belangen van verweerder die pleiten voor het onverkort handhaven van het primaire besluit tot uitschrijving van verzoeker uit de Brp.

6.2

Verzoeker heeft aangevoerd dat hij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening, omdat hij zonder registratie in de Brp geen recht meer heeft op een ziektekostenverzekering en een uitkering.

6.3

Verweerder heeft aangevoerd dat verweerder zo spaarzaam mogelijk gebruik wil maken van briefadressen, dat verzoeker al enige jaren op dit briefadres staat ingeschreven en dat verweerder een belang heeft te weten waar verzoeker daadwerkelijk verblijft.

6.4

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangen van verzoeker bij een voorlopige voorziening thans moeten prevaleren boven de belangen van verweerder bij handhaving van het primaire besluit van 4 april 2018. Daarbij acht zij van belang dat verweerder erkent te weten dat verzoeker niet uit Nederland is vertrokken en dat gebleken is dat contact met verzoeker niet onmogelijk is. Niet kan derhalve worden gezegd dat de verblijfsplaats van verzoeker onbekend is en de dat hij volkomen onbereikbaar is.

7 Het vorenstaande betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toewijst. Zij schorst het primaire besluit van 4 april 2018 met ingang van heden tot zes weken na bekendmaking van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar.

8 Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9 De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1002,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,-- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1002,--, te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.