Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6637

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-05-2018
Datum publicatie
06-06-2018
Zaaknummer
AWB 17/15723
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Visum kort verblijf, vestigingsgevaar, vrijwilligerswerk, betrouwbare referent/garantsteller

Ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat een betrouwbare referent/garantsteller in voorkomende gevallen een rol kan spelen bij de vraag naar het vestigingsgevaar, maar dat dit in onderhavige zaak wegens de (te) geringe sociale en economische binding van eiseres met haar land van herkomst niet het geval is. De rechtbank stelt vast dat dit standpunt afwijkt van het standpunt van verweerder in het bestreden besluit, inhoudende dat de betrouwbaarheid van een garantsteller bij de vraag naar vestigingsgevaar nimmer een rol kan spelen, omdat dit niets zegt over de intenties van de vreemdeling met betrekking tot een tijdige terugkeer. Dit leidt tot een motiveringsgebrek, echter omdat eiseres niet is benadeeld door dit gebrek wordt het besluit door de rechtbank in stand gelaten.

De rechtbank overweegt daarbij voorts dat verweerder gevolgd kan worden in de gegeven uitleg over de rol die de betrouwbaarheid van de referent kan spelen en zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat, anders dan in de zaak waarop de beslissing van 20 juli 2017 betrekking heeft, in onderhavige zaak de sociale en economische binding van eiseres met Marokko dermate gering is dat het door verweerder bedoelde kantelpunt, waarin een betrouwbare referent twijfel omtrent het vestigingsgevaar zou kunnen wegnemen, niet is bereikt. Uit het voorgaande volgt, dat de rechtbank eiseres niet volgt in haar betoog dat verweerder zich niet op het standpunt kan stellen dat een tijdige terugkeer van eiseres naar Marokko redelijkerwijs niet gewaarborgd wordt geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/15723

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 4 mei 2018 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] , van Marokkaanse nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. M.I. Vennik, advocaat te Haarlem)

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

(gemachtigde: mr. E. Groenendijk, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2017 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een visum kort verblijf voor verblijf bij [naam 1] , afgewezen.

Bij besluit van 19 oktober 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft 21 februari 2018 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2018. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Ook was aanwezig [naam 1] , referente.

Overwegingen

1.
Eiseres heeft op 24 april 2017 voorliggende aanvraag ingediend.

2. Verweerder legt aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaat te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Verweerder stelt zich ter onderbouwing hiervan op het standpunt dat niet is gebleken van een zodanige sociale en economische binding van eiseres met haar land van herkomst dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is te achten.

3.
Eiseres voert, zoals ter zitting toegelicht, aan dat een aantal factoren, in onderlinge samenhang bezien, maakt dat geen sprake is van vestigingsgevaar. Eiseres stelt dat haar banden met Marokko sterker zijn dan die met Nederland. Eiseres is in Marokko geboren en getogen, haar familie en vrienden wonen daar en zij woont, mede vanwege haar jonge leeftijd, nog bij haar ouders. Hoewel meerderjarig, is eiseres in culturele zin nog dermate jong dat zij in zowel emotioneel als financieel opzicht nog afhankelijk is van haar ouders. Daarnaast gaat van haar vrijwilligerswerk voor de stichting [naam 2] een sterke binding uit met Marokko. Eiseres zet zich sinds februari 2016 fulltime en actief voor deze stichting in. Familieleden kunnen deze werkzaamheden niet voor langere duur overnemen. Eiseres wijst erop dat, nu het doel van de stichting het verlenen van hulp in Marokko is, ook referente als voorzitter van de stichting belang heeft bij haar tijdige terugkeer. Verweerder verlangt ter onderbouwing van haar werkzaamheden voor de stichting ten onrechte een overeenkomst. Anders dan verweerder stelt, dient bij de beoordeling van het vestigingsgevaar niet alleen de binding van eiseres met haar land van herkomst te worden betrokken, maar ook het ontbreken van binding met Nederland. Tot slot heeft verweerder ten onrechte geen waarde gehecht aan het feit dat eiseres na een eerder verleend visum weer tijdig is teruggekeerd naar Marokko en dat referente vanwege haar eerdere garantstellingen en haar dienstbetrekking bij de politie als een integere en betrouwbare referente moet worden aangemerkt. Deze factoren dragen bij aan de conclusie dat geen sprake is van vestigingsgevaar. Eiseres wijst in dit verband op een in beroep overgelegde beslissing op bezwaar van verweerder in een andere zaak van 20 juli 2017, waarin verweerder heeft overwogen dat een referent die al meerdere malen garant heeft gestaan voor andere vreemdelingen die allen tijdig zijn teruggekeerd, een rol speelt bij de vraag naar het vestigingsgevaar. Daarnaast wijst eiseres op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats 's-Hertogenbosch van 15 november 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:15880, waarin de rechtbank overwoog dat, nu eiseres in die zaak al drie keer eerder een visum kort verblijf had gekregen en toen telkens weer tijdig naar Marokko is teruggekeerd, niet staande kon worden gehouden dat er nog steeds redelijke twijfel bestond over haar voornemen om tijdig naar haar land van herkomst terug te keren. Gelet op het voorgaande is volgens eiseres dan ook geen sprake van vestigingsgevaar en is duidelijk dat eiseres bij een illegaal verblijf in Nederland geen belang heeft.

3.1.

Verweerder stelt zich, zoals ter zitting toegelicht, op het standpunt dat niet is gebleken van een dusdanig sterke binding van eiseres met Marokko dat daardoor een tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. Eiseres is 21 jaar oud, ongehuwd en heeft geen eigen gezin waarvoor zij in Marokko verantwoordelijkheid draagt. De enkele omstandigheid dat haar familie en vrienden in Marokko wonen maakt ook niet dat de binding van eiseres met Marokko daardoor zodanig sterk is dat op grond daarvan een tijdige terugkeer moet worden aangenomen. Dat eiseres als meerderjarige vrouw van haar ouders emotioneel en financieel afhankelijk is, is door eiseres niet concreet onderbouwd. Daarnaast beschikt eiseres niet over een regelmatig en substantieel inkomen in haar land van herkomst. Zij ontvangt voor haar fulltime werkzaamheden voor de stichting [naam 2] geen inkomen. Eiseres heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat zij al een substantiële periode voor de stichting actief is, noch dat haar activiteiten voor de stichting op zichzelf van zodanige aard zijn dat haar tijdige terugkeer naar Marokko daarvoor vereist is. Zo heeft eiseres geen overeenkomst of contract overgelegd waaruit haar functie of de aard van haar werkzaamheden voor de stichting blijkt. Uit haar visumaanvraag maakt verweerder op dat zij haar werkzaamheden kennelijk wel gedurende haar verblijf in Nederland voor de substantiële duur van drie maanden kan staken. Het ontbreken van binding met Nederland speelt geen rol bij de beoordeling van sociale en economische binding. Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat de omstandigheid dat eiseres na een eerder verleend visum tijdig is teruggekeerd en dat referente vanwege haar eerdere garantstellingen en werkzaamheden voor de politie als betrouwbare referente moet worden aangemerkt, in het onderhavige geval evenmin de twijfel aan een tijdige terugkeer van eiseres kan wegnemen. Een vergelijking met de door eiseres aangehaalde beschikking van 20 juli 2017 gaat niet op, omdat in die zaak de sociale en economische binding met het land van herkomst, in tegenstelling tot onderhavige zaak, dusdanig was dat het kantelpunt in zicht kwam, waarbij een betrouwbare referent de doorslag tot visumverlening zou kunnen geven. De sociale en economische binding in onderhavige zaak is echter zo gering, dat dit kantelpunt niet in zicht is. Daarnaast maakt ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats 's-Hertogenbosch van 15 november 2013 het standpunt van verweerder niet anders, omdat in die zaak, anders dan in onderhavige zaak, reeds drie keer eerder een visum kort verblijf was verleend, na afloop waarvan eiseres telkens weer tijdig naar Marokko was teruggekeerd. Het eerder aan eiseres verleende visum is onder andere omstandigheden verleend; eiseres was toen minderjarig. De daaropvolgende visumaanvraag van eiseres is vervolgens, net als de voorliggende aanvraag, afgewezen op grond van bestaande twijfel aan een tijdige terugkeer naar Marokko.

3.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met voorgaande motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat de sociale en economische binding van eiseres met Marokko onvoldoende sterk is om een tijdige terugkeer naar haar land van herkomst gewaarborgd te achten. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres geen onderbouwing heeft gegeven van de functie of aard van haar vrijwilligerswerkzaamheden voor de stichting [naam 2] en dat dat wel van haar gevraagd kan worden. Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat bij de beoordeling van de vraag of een tijdige terugkeer gewaarborgd wordt geacht, het ontbreken van binding met Nederland geen rol speelt. Het feit dat eiseres één keer eerder na een verleend visum tijdig is teruggekeerd heeft verweerder niet als factor van belang hoeven duiden. De rechtbank volgt verweerder daarbij in zijn standpunt dat de omstandigheden in de door eiseres hiertoe aangehaalde zaak van deze rechtbank, zittingsplaats 's-Hertogenbosch van 15 november 2013 niet vergelijkbaar zijn met onderhavige zaak, nu in onderhavige zaak aan eiseres, toen zij minderjarig was, in 2013 slechts één keer eerder een visum is verleend, terwijl haar daaropvolgende visumaanvraag op dezelfde gronden als voorliggende aanvraag is afgewezen.

3.3.

Ten aanzien van het beroep van eiseres op genoemde beslissing op bezwaar van verweerder in een andere zaak van 20 juli 2017, overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat een betrouwbare referent/garantsteller in voorkomende gevallen een rol kan spelen bij de vraag naar het vestigingsgevaar, maar dat dit in onderhavige zaak wegens de (te) geringe sociale en economische binding van eiseres met haar land van herkomst niet het geval is. De rechtbank stelt vast dat dit standpunt afwijkt van het standpunt van verweerder in het bestreden besluit, inhoudende dat de betrouwbaarheid van een garantsteller bij de vraag naar vestigingsgevaar nimmer een rol kan spelen, omdat dit niets zegt over de intenties van de vreemdeling met betrekking tot een tijdige terugkeer. Gelet op verweerders standpunt in beroep is de rechtbank van oordeel dat verweerders standpunt in het bestreden besluit, dat de betrouwbaarheid van een garantsteller nimmer een rol kan spelen, onjuist is, en dat verweerders conclusie dat een tijdige terugkeer naar Marokko redelijkerwijs niet gewaarborgd is te achten, in zoverre ondeugdelijk is gemotiveerd. Daarmee is sprake van een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt in zoverre.

3.4.

Op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist, in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbende daardoor niet is benadeeld. De rechtbank zal beoordelen of van deze situatie sprake is.

3.5.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat eiseres als gevolg van voornoemd gebrek niet is benadeeld. Eiseres heeft zelf (eerst) in beroep gewezen op voornoemde beslissing van verweerder van 20 juli 2017 en verweerder heeft hierover ter zitting een standpunt ingenomen. Dat dit standpunt anders luidt dan het standpunt in het bestreden besluit maakt niet dat eiseres daardoor is benadeeld, nu zij ter zitting op het gewijzigde standpunt van verweerder heeft kunnen reageren. De rechtbank ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 Awb het motiveringsgebrek te passeren.

3.6.

De rechtbank overweegt daarbij voorts dat verweerder gevolgd kan worden in de gegeven uitleg over de rol die de betrouwbaarheid van de referent kan spelen en zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat, anders dan in de zaak waarop de beslissing van 20 juli 2017 betrekking heeft, in onderhavige zaak de sociale en economische binding van eiseres met Marokko dermate gering is dat het door verweerder bedoelde kantelpunt, waarin een betrouwbare referent twijfel omtrent het vestigingsgevaar zou kunnen wegnemen, niet is bereikt.

3.7.

Uit het voorgaande volgt, dat de rechtbank eiseres niet volgt in haar betoog dat verweerder zich niet op het standpunt kan stellen dat een tijdige terugkeer van eiseres naar Marokko redelijkerwijs niet gewaarborgd wordt geacht.

4. Eiseres voert verder aan dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiseres. Het primaire besluit bevat slechts summiere en algemene, niet op de persoon van eiseres toegespitste standaardmotiveringen. Eiseres kon daaruit niet afleiden wat er van haar verlangd werd. Verweerder had eiseres daarom in de gelegenheid moeten stellen om over eventuele twijfelpunten bij verweerder opheldering te verschaffen of aanvullende documenten over te leggen.

4.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat een hoorzitting niet tot een ander oordeel had kunnen leiden. Het was immers reeds op voorhand duidelijk dat de binding van eiseres met Marokko niet zodanig is dat daardoor een tijdige terugkeer is gewaarborgd. Het bezwaarschrift van eiseres is daarom kennelijk ongegrond verklaard.

4.2.

Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het ingevolge artikel 7:2, eerste lid, Awb belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Het bezwaar is kennelijk ongegrond indien naar objectieve maatstaven bezien op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet tot een ander besluit kan leiden. De beoordeling of sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar is afhankelijk van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met hetgeen in eerste instantie is aangevoerd en de motivering van het primaire besluit.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder van het horen van eiseres heeft kunnen afzien, omdat sprake was van een situatie waarbij naar objectieve maatstaven bezien op voorhand geen twijfel mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit. Hoewel het primaire besluit van een summiere en algemene motivering is voorzien, blijkt daaruit wel dat verweerder de aanvraag heeft afgewezen omdat niet is gebleken dat eiseres in haar land van herkomst over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt om zelfstandig in haar onderhoud te kunnen voorzien en omdat de sociale en/of economische binding van eiseres met haar land van herkomst onvoldoende is aangetoond dan wel zeer gering is gebleken, zodat verweerder twijfelt of zij vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het visum weer tijdig zal terugkeren naar Marokko. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift van eiseres kennelijk ongegrond is. Daartoe is redengevend dat met het bezwaarschrift de gestelde binding met Marokko niet wordt onderbouwd. Verweerder heeft daarom van het horen van eiseres kunnen afzien.

5.
Het beroep is ongegrond.

6. Gelet op het onder 3.3. geconstateerde gebrek zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, Awb verweerder opdragen het betaalde griffierecht van € 168,- te vergoeden, en met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.002,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 501,-wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.002,- te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. CO. Markenstein, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R. Mattemaker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2018.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.