Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6613

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
06-06-2018
Zaaknummer
NL18.5328
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat hij Italië op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk acht voor de behandeling van die aanvraag.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen voldoende bewijs is dat eiser na zijn inreis in Italië het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten.

Uit artikel 21, derde lid, van de Dublinverordening, noch uit enige andere rechtsregel, vloeit een verplichting voor verweerder voort om gegevens die naar voren zijn gekomen nadat de aangezochte lidstaat het overnameverzoek al heeft geaccepteerd, alsnog aan die lidstaat te verstrekken. Het voorgaande neemt niet weg dat op verweerder zelf de verantwoordelijkheid rust om de door eiser na de acceptatie van het overnameverzoek ingebrachte gegevens over zijn gestelde vertrek van het grondgebied van de lidstaten alsnog te beoordelen om te onderzoeken of hij terecht Italië verantwoordelijk heeft geacht op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 juni 2016, C-63/15, Ghezelbash, ECLI:EU:C:2016:409). Verweerder heeft dat in dit geval ook gedaan. Voor zover nodig kan hij daarbij de Italiaanse autoriteiten betrekken voor het verifiëren van bepaalde informatie. Daarvoor bestaat in dit geval echter geen aanleiding, omdat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd van zijn stelling dat hij Italië heeft verlaten, en de verklaringen van eiser daarover ook voor de Italiaanse autoriteiten niet controleerbaar zijn.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.5328


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL18.5329, plaatsgevonden op 12 april 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Congolese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] .

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening).

In dit geval heeft verweerder bij Italië een verzoek om overname van eiser gedaan op grond van artikel 12, vierde lid van de Dublinverordening, omdat is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten in Johannesburg, Zuid-Afrika, aan eiser een Schengenvisum hebben verstrekt, geldig van 21 juli 2017 tot 21 september 2017. Italië heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte artikel 12, vierde lid, Dublinverordening aan het besluit ten grondslag heeft gelegd, omdat niet is voldaan aan de daarin opgenomen voorwaarde dat het door de Italiaanse autoriteiten afgegeven visum hem daadwerkelijk toegang heeft verschaft tot het grondgebied van een lidstaat. Eiser stelt dat hij na zijn verblijf in Italië op basis van het visum is teruggekeerd naar Congo. Bij zijn (tweede) inreis in Nederland heeft hij geen gebruik gemaakt van een aan hem verleend visum.
Eiser stelt voor zijn terugreis naar zijn land van herkomst op 30 augustus 2017, rond 11:00 uur, vanuit Rome naar Dubai te zijn gevlogen met de luchtvaartmaatschappij [naam 2] . Ter onderbouwing hiervan heeft hij in beroep een verklaring overgelegd van een Congolese priester te Rome, [naam 3] , van 2 april 2018 die heeft verklaard dat hij eiser op 30 augustus 2017 naar het vliegveld Fiumicino heeft gebracht voor zijn terugreis.

3.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd van zijn stelling dat hij na aankomst in Italië is teruggekeerd naar zijn land van herkomst. Verweerder wijst erop dat zijn stelling in zijn (aanvullende) zienswijze dat hij op 30 augustus 2017 uit Italië is vertrokken strijdig is met zijn verklaring in het aanmeldgehoor dat hij op 3 november 2017 uit Italië is vertrokken. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij aan die tegenstrijdigheid in de verklaringen van eiser voorbij zou gaan, als eiser alsnog aannemelijk zou hebben gemaakt dat hij op 30 augustus 2017 is vertrokken naar zijn land van herkomst. Volgens verweerder heeft eiser dat niet aannemelijk gemaakt, omdat hij niet met stukken of documenten heeft aangetoond dat hij het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten. Ook heeft eiser volgens verweerder geen gedetailleerde en verifieerbare verklaringen afgelegd over zijn gestelde nieuwe inreis in het grondgebied van de lidstaten.

3.2

Ingevolge artikel 12, vierde lid, Dublinverordening is de lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, wanneer die lidstaat een vreemdeling een of meer visa heeft verstrekt die minder dan zes maanden zijn verlopen en die hem daadwerkelijk toegang hebben verschaft tot het grondgebied van een lidstaat, en hij het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten.

3.3

Niet in geschil is dat de Italiaanse autoriteiten aan eiser een visum hebben verstrekt en dat eiser met dat visum Italië is ingereisd. De rechtbank begrijpt dat eiser bedoelt aan te voeren dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat hij na die inreis het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten. In geschil is of eiser nadien en voordat hij Nederland is ingereisd, het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten.

Eiser heeft geen directe bewijsmiddelen overgelegd waaruit blijkt dat hij van Italië naar Congo is gereisd of vervolgens van Congo naar Nederland, zoals bedoeld in artikel 22, derde lid, aanhef en onder a, van de Dublinverordening en Bijlage II, lijst A, onder II, sub 3 bij de Verordening (EG) 118/2014 van de Commissie van 30 januari 2014 tot wijziging van Verordening 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 (hierna: de Uitvoeringsverordening), zoals een vliegticket, boardingpass of zijn paspoort. Indien dergelijke bewijzen ontbreken, volgt uit artikel 22, vijfde lid, van de Dublinverordening dat de verantwoordelijke lidstaat ook kan worden vastgesteld op basis van indirecte bewijzen, zoals bedoeld in het derde lid, aanhef en onder b, en Bijlage II, lijst B, onder II, sub 3 bij de Uitvoeringsverordening, wanneer die indirecte bewijzen samenhangend, verifieerbaar en voldoende gedetailleerd zijn.

Onder indirecte bewijzen als opgesomd in Bijlage II, lijst B, onder II, sub 3 bij de Uitvoeringsverordening vallen onder meer gedetailleerde en verifieerbare verklaringen van de asielzoeker en bevestiging van de informatie door gezinsleden, reisgenoten, enz..
De rechtbank is van oordeel dat de door eiser afgelegde verklaringen over zijn vertrek uit Rome op 30 augustus 2017 voor verweerder niet verifieerbaar zijn om als indirect bewijs te dienen. Zijn stelling dat het voor verweerder, dan wel de Italiaanse autoriteiten, controleerbaar is bij de luchtvaartmaatschappij dat eiser op de door hem genoemde vlucht zat, kan zonder onderbouwing niet worden gevolgd. Ook de door eiser overgelegde schriftelijke verklaring van de priester kan in dit geval niet dienen als indirect bewijs van zijn stelling dat hij het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten, omdat uit deze verklaring niet meer blijkt dan dat hij eiser op 30 augustus 2017 naar het vliegveld heeft gebracht.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen voldoende bewijs is dat eiser na zijn inreis in Italië het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten.

De beroepsgrond slaagt niet.

4. Eiser voert verder aan dat verweerder de door hem verstrekte informatie over zijn vertrek uit Italië op 30 augustus 2017 ten onrechte niet alsnog aan de Italiaanse autoriteiten heeft verstrekt, zodat zij hun besluit tot overname van eiser konden heroverwegen. Eiser wijst op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en artikel 21, derde lid, van de Dublinverordening. Het voornemen om eiser over te dragen is uitgebracht nadat de Italiaanse autoriteiten het verzoek om overname al hadden geaccepteerd, terwijl ten tijde van het aanmeldgehoor aan eiser nog geen advocaat was toegevoegd. Het indienen van een zienswijze met bijstand van een advocaat was hierdoor in feite zinloos. Eiser stelt daardoor geen effectief rechtsmiddel te hebben gehad.

4.1

Artikel 21, derde lid, van de Dublinverordening, gelezen in samenhang met artikel 1 van de Uitvoeringsverordening, schrijft voor dat het verzoek om overname door een andere lidstaat met behulp van een standaardformulier wordt gedaan en wordt gestaafd met bewijsmiddelen of indirecte bewijzen zoals omschreven in de twee in artikel 22, derde lid, genoemde lijsten, waaronder de door het Visuminformatiesysteem (VIS) verstrekte gegevens, en/of relevante elementen uit de verklaring van de verzoeker, aan de hand waarvan de autoriteiten van de aangezochte lidstaat kunnen nagaan of deze lidstaat op grond van de criteria van deze verordening verantwoordelijk is.
4.2 Vaststaat dat verweerder bij het overnameverzoek aan de Italiaanse autoriteiten in het standaardformulier, naast de vermelding van de door het VIS verstrekte gegevens over het aan eiser verleende visum, heeft vermeld dat eiser heeft verklaard dat hij op 3 november 2017 is teruggekeerd naar zijn land van herkomst. Dat is de datum zoals eiser die blijkens het verslag van het aanmeldgehoor heeft genoemd. Daarmee heeft verweerder voldaan aan zijn verplichting op grond van artikel 21, derde lid, van de Dublinverordening.
Pas na acceptatie van het overnameverzoek en na het uitbrengen van het voornemen heeft eiser verklaard dat hij niet op 3 november 2017, maar op 30 augustus 2017 is vertrokken naar zijn land van herkomst. Uit artikel 21, derde lid, van de Dublinverordening, noch uit enige andere rechtsregel, vloeit een verplichting voor verweerder voort om gegevens die naar voren zijn gekomen nadat de aangezochte lidstaat het overnameverzoek al heeft geaccepteerd, alsnog aan die lidstaat te verstrekken.

Het voorgaande neemt niet weg dat op verweerder zelf de verantwoordelijkheid rust om de door eiser na de acceptatie van het overnameverzoek ingebrachte gegevens over zijn gestelde vertrek van het grondgebied van de lidstaten alsnog te beoordelen om te onderzoeken of hij terecht Italië verantwoordelijk heeft geacht op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 juni 2016, C-63/15, Ghezelbash, ECLI:EU:C:2016:409). Verweerder heeft dat in dit geval ook gedaan. Voor zover nodig kan hij daarbij de Italiaanse autoriteiten betrekken voor het verifiëren van bepaalde informatie. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, bestaat daarvoor in dit geval echter geen aanleiding, omdat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd van zijn stelling dat hij op 30 augustus 2017 Italië heeft verlaten, en de verklaringen van eiser daarover ook voor de Italiaanse autoriteiten niet controleerbaar zijn.

Nu eiser ook in beroep heeft kunnen opkomen tegen de toepassing van het criterium op grond waarvan verweerder Italië verantwoordelijk houdt voor het asielverzoek van eiser, is er geen grond voor het oordeel dat eiser geen effectief rechtsmiddel heeft gehad.

De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser voert aan dat verweerder de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming op grond van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich behoorde te trekken. Hij stelt zich op het standpunt dat in Italië een situatie is te verwachten die gelijk is als omschreven in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) M.M.S. tegen België en Griekenland van 21 januari 2011 (ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609). Eiser heeft zich daarbij beroepen op het rapport van Asylum Information Data (AIDA) van 28 februari 2017, het rapport van de Danish Refugee Council (DRC) “Mutual Trust” van 9 februari 2017 en het Country Report van US Department of State (USDoS) van 3 maart 2017.


Samengevat betoogt eiser onder verwijzing naar de hiervoor genoemde stukken dat door de grote aantallen asielzoekers in Italië een groot tekort aan opvangcapaciteit is. Hij zal als alleenstaande volwassene door de overdracht, in elk geval tijdelijk, dakloos zijn, omdat de schaarse opvangplekken naar gezinnen met kinderen gaan. Hij zal geen, dan wel zeer beperkt, toegang hebben tot medische zorg. Hij loopt in Italië verder het risico op grond van te oppervlakkig onderzoek te worden aangemerkt als economisch vluchteling. Ook zal hij vanwege het ontbreken van middelen en een adres niet effectief kunnen procederen tegen deze omstandigheden.

5.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Italië is immers net als Nederland partij bij het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en gebonden aan verschillende Europese richtlijnen. Het EHRM heeft in verschillende arresten, onder meer het arrest van 26 november 2015, J.A. en anderen tegen Nederland, nr. 21459/14 (ECLI:CE:ECHR:2015:1103DEC002145914) en van 9 juni 2016 in de zaak S.M.H. tegen Nederland, nr. 5868/13 (ECLI:CE:ECHR:2016:0517DEC000586813), geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) strijdige situatie. Er zijn weliswaar zorgen over de toegang tot opvang, de opvangfaciliteiten en rechtshulp, maar er is geen sprake van dusdanig ernstige tekortkomingen dat deze aan de overdracht van asielzoekers aan Italië in de weg staan. Het EHRM heeft bovendien overwogen dat de situatie voor asielzoekers in Italië op geen enkele manier kan worden vergeleken met de situatie in Griekenland ten tijde van zijn arrest in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland.
Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft, onder meer in de uitspraak van 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73) en de uitspraak van 7 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:971), geoordeeld dat ten aanzien van Italië nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In een uitspraak van 30 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1454) komt de Afdeling tot eenzelfde oordeel.

Verweerder is in het bestreden besluit ingegaan op de door eiser aangehaalde informatie en heeft ten aanzien daarvan gemotiveerd geconcludeerd dat dit onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat in Italië sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvang van asielzoekers. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht tot die conclusie is gekomen.
De informatie in de door eiser aangehaalde rapporten, voor zover deze niet al zijn beoordeeld in de hiervoor genoemde jurisprudentie, schetst geen wezenlijk ander beeld van de huidige situatie in Italië.Dat sprake is van een hoge instroom van asielzoekers in Italië, biedt op zichzelf geen grond voor het oordeel dat sprake is van onvoldoende opvangvoorzieningen. Niet is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten niet in staat zijn de opvangvoorzieningen uit te breiden indien daartoe de noodzaak bestaat.
Voor zover eiser stelt dat de Italiaanse asielprocedure en opvangvoorzieningen gebreken kennen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser hierover dient te klagen bij de Italiaanse (hogere) autoriteiten (zie het arrest van het EHRM van 2 december 2008, K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308). Uit de door eiser ingebrachte informatie blijkt niet dat dit in de praktijk voor asielzoekers onmogelijk is.

Het voorgaande betreft een feitelijke waardering van de situatie voor asielzoekers in Italië, waarvoor geen nadere uitleg van de Dublinverordening, met name het bepaalde in artikel 3, tweede lid, en artikel 17, eerste lid, nodig is, zodat geen aanleiding bestaat om prejudiciële vragen te stellen, zoals eiser heeft verzocht.

De beroepsgrond slaagt niet.

6. Eiser voert verder aan dat hij in Italië vreest voor de Congolese autoriteiten in verband met zijn problemen in zijn land van herkomst, omdat de geheime dienst van Congo een netwerk heeft in Italië. Hij hoort bij de kerk en gelet op de invloed van de kerk in Italië en de omstandigheid dat er een grote Congolese gemeenschap is in Italië, vreest hij te worden opgemerkt door hen die hem iets willen aandoen.
6.1 Nog daargelaten dat eiser niet heeft onderbouwd dat de autoriteiten van Congo een netwerk of invloed hebben in Italië, en daar optreden tegen landgenoten, heeft verweerder zich op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij eventuele problemen in Italië een beroep kan doen op de Italiaanse autoriteiten voor bescherming. Niet is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten die bescherming niet kunnen bieden.
De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiser voert tot slot aan dat verweerder heeft nagelaten gemotiveerd te bestrijden dat hij als toekomstig statushouder in Italië in een situatie terecht zal komen die strijdig is met artikel 3 EVRM. Hij wijst op het rapport van Artsen Zonder Grenzen (AZG) “Out of Sight” van 8 februari 2018 en de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 29 december 2017 (NL17.14104).

7.1

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de beoordeling van de situatie van statushouders in Italië in deze zaak niet voorligt. Daarin verschilt deze zaak van de zaak die heeft geleid tot de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, waarin de asielaanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk is verklaard omdat hij, anders dan eiser, al internationale bescherming heeft in Italië.
De situatie voor vreemdelingen met een asielstatus in de verantwoordelijke lidstaat ligt in een procedure als deze niet ter beoordeling voor, nu op grond van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening de verantwoordelijkheid van een lidstaat in beginsel slechts vervalt, voor zover hier van belang, wanneer ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in die lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke en vernederde behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest, en dus niet wanneer die behandelingen zich zullen voordoen nadat die lidstaat mogelijk internationale bescherming zal hebben verleend. Die situatie is op het moment van overdracht immers nog ongewis.
De beroepsgrond slaagt niet.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.