Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:661

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-01-2018
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
AWB 17/16597 en AWB 17/16662
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overdrachtsbesluiten; Oostenrijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/16597 en 17/16662

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiser 1] ,

geboren op [geboortedatum] ,

v-nummer [v-nummer] ,

[eiser 2] ,

geboren op [geboortedatum] ,

v-nummer [v-nummer] ,

beiden van Colombiaanse nationaliteit,

eisers,

(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder,

(gemachtigde: mr. H.R.D. Leene).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 19 december 2017 heeft verweerder aan eisers meegedeeld dat zij aan Oostenrijk zullen worden overgedragen.

Tegen deze besluiten (hierna: de bestreden besluiten) hebben eisers beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de Oostenrijkse autoriteiten op 11 en 13 december 2017 verzocht om eisers terug te nemen krachtens artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (PB 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening). Op 18 december 2017 hebben zij met die verzoeken ingestemd en daarbij het volgende medegedeeld: “The transfer-place should be the airport of Vienna.” In de bestreden besluiten staat, voor zover thans van belang, dat de overdracht zal plaatsvinden zodra dat praktisch mogelijk is en dat de datum van overdracht bekend zal worden gemaakt door de Dienst Terugkeer en Vertrek.

2. Ter zitting heeft gemachtigde van eisers aangegeven dat eisers samen vrijwillig naar Oostenrijk willen vertrekken en dat hun beroepsgronden thans dezelfde zijn.

3. Eisers betogen dat de bestreden besluiten in strijd zijn met zowel de Dublinverordening als de Vreemdelingenwet 2000 omdat in deze besluiten geen termijn is gegeven waarbinnen eisers vrijwillig aan de overdracht gehoor kunnen geven. Zij beroepen zich op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 15 februari 2017 (zaaknummer 17/1845).

3.1.

In haar uitspraak van 10 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2162) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) voormelde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 15 februari 2017 vernietigd. De Afdeling heeft daarin, voor zover thans van belang, overwogen:

“ 3.3. Artikel 7, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening bepaalt dat de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat gebeurt op een van de drie wijzen die in dat artikel zijn genoemd. Uit de Uitvoeringsverordening volgt niet dat de wijzen van overdracht in een bepaalde rangorde tot elkaar staan. De staatssecretaris is aldus niet verplicht een vreemdeling altijd de gelegenheid te bieden voor een overdracht op eigen initiatief. Deze verplichting kan evenmin worden afgeleid uit punt 24 van de considerans van de Dublinverordening. De Uitvoeringsverordening gaat uit van de samenwerking tussen de lidstaten met het oog op de overdracht.”

3.2.

De rechtbank stelt vast dat de bestreden besluiten een gecontroleerd vertrek zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsverordening inhouden. Nu verweerder bij de samenwerking met de Oostenrijkse autoriteiten afhankelijk is van hun werkwijze, heeft hij naar aanleiding van de mededeling van de Oostenrijkse autoriteiten dat de overdracht van eisers dient plaats te vinden via het vliegveld van Wenen, eisers terecht de mogelijkheid onthouden zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun overdracht. De beroepsgrond slaagt niet.

4. Eisers betogen, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ) van 18 december 2008 (C-349/07, Sopropé, ECLI:EU:C:2008:746; het Sopropé arrest) en de artikelen 4:8 en 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), dat het verdedigingsbeginsel is geschonden, nu zij en hun gemachtigde niet in de gelegenheid zijn gesteld bezwaren in te dienen tegen het voornemen hen over te dragen aan Oostenrijk.

4.1.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 14 december 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY7400) volgt uit het Sopropé arrest dat een bestuursorgaan alvorens jegens een bepaalde persoon een bezwarend besluit te nemen, die persoon gelegenheid moet geven daarover opmerkingen kenbaar te maken, hetgeen evenzeer is voorgeschreven in artikel 4:8 van de Awb. Tevens volgt uit deze uitspraak dat verweerder ook de gemachtigde van de vreemdeling, indien deze bij hem bekend is, in kennis dient te stellen van het voornemen om een overdrachtsbesluit te nemen, teneinde de gemachtigde in de gelegenheid te stellen de vreemdeling bij te staan in zijn reactie op het te nemen overdrachtsbesluit. Het algemene beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging (het verdedigingsbeginsel) verplicht verweerder derhalve bij de totstandkoming van een overdrachtsbesluit de artikelen 4:8 en 2:1 van de Awb in acht te nemen. Indien verweerder aan deze voorwaarden niet heeft voldaan, is sprake van een schending van het verdedigingsbeginsel door het niet, dan wel op onjuiste wijze toepassen van de artikelen 4:8 en 2:1 van de Awb en dient te worden beoordeeld of deze schending het overdrachtsbesluit onrechtmatig maakt (vergelijk ook de uitspraken van de Afdeling van 5 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:239) en 20 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3579)).

4.2.

Uit de arresten van het HvJ van 10 september 2013 (C-383/13, PPU, M.G. en N.R., ECLI:EU:C:2013:533) en 3 juli 2014 (Kamino International Logistics B.V. en Datema Hellmann Worldwide Logistics B.V., C-129/13 en C-130/13, ECLI:EU:C:2014:2041) volgt dat de rechter bij schending van het verdedigingsbeginsel van vernietiging van een overdrachtsbesluit kan afzien, indien het besluitvormingsproces van verweerder met betrekking tot de overdracht van de vreemdeling zonder deze schending geen andere afloop zou kunnen hebben gehad. Voor het oordeel dat het besluitvormingsproces van verweerder zonder deze schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad, is niet vereist dat verweerder zonder deze schending zou hebben afgezien van het overdrachtsbesluit of zou hebben besloten de vreemdeling aan een andere lidstaat over te dragen. Voldoende is dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden de vreemdeling tegen wie het overdrachtsbesluit is uitgevaardigd een inbreng had kunnen leveren die voor zijn overdracht van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. De rechter dient een en ander te beoordelen aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 26 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1667) en de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1481)).

4.3.

Uit de gedingstukken blijkt niet dat eisers in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen omtrent het voornemen hen over te dragen aan Oostenrijk. Niet in geschil is dat verweerder ermee bekend was dat eisers worden bijgestaan door een gemachtigde en dat deze door verweerder niet in kennis is gesteld van dit voornemen. Onder deze omstandigheden had verweerder de gemachtigde in kennis moeten stellen van het voornemen jegens eisers een overdrachtsbesluit te nemen, teneinde de gemachtigde in de gelegenheid te stellen eisers te kunnen bijstaan in hun reactie op dat voornemen. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval het verdedigingsbeginsel dan ook geschonden, vanwege het niet, dan wel op onjuiste wijze toepassen van de artikelen 4:8 en 2:1 van de Awb. De beroepsgrond slaagt.

4.4.

De rechtbank ziet evenwel aanleiding dat gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren aangezien in dit geval, wanneer de schending van het verdedigingsbeginsel niet had plaatsgevonden, er geen sprake was geweest van een situatie waarin eisers een inbreng hadden kunnen leveren die voor hun overdracht van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. Eisers betwisten in beide procedures immers niet dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielaanvragen. Het opnieuw horen van eisers zou in zoverre niets hebben toegevoegd en niet tot een ander resultaat hebben kunnen leiden.

5. De beroepen zijn ongegrond. Wel ziet de rechtbank in verband met de toepassing van artikel 6:22 van de Awb aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, in die zin dat bij de vaststelling van de proceskosten wordt uitgegaan van één zaak. De rechtbank stelt de proceskosten van eisers voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.S.T. Belt, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Rosmalen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen één week na de verzending van een afschrift hiervan hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).