Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6597

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-05-2018
Datum publicatie
20-07-2018
Zaaknummer
16_2011
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De enig aandeelhouder van eiseres is tevens ultimate beneficial owner (UBO) van de naar Panamees recht opgerichte B Foundation. B Foundation houdt alle aandelen B Ltd, een naar het recht van de Seychellen opgerichte vennootschap. Door een dochter van eiseres zijn bedragen betaald aan C Ltd. C Ltd maakte een deel van deze bedragen over naar bankrekeningen van B Foundation/B Ltd. Namens de aandeelhouder van eiseres is een inkeerverzoek gedaan waarbij mogelijke betrokkenheid van buitenlandse vennootschappen is opgetekend.

Verweerder heeft een informatiebeschikking gegeven waarin wordt verzocht om bankafschriften van C Ltd. Naar het oordeel van de rechtbank is de informatiebeschikking terecht gegeven. De rechtbank is niet gebleken dat de beschikking is gegeven teneinde de beslistermijn in de bezwaarfase te verlengen. Evenmin is de bevoegdheid om een informatiebeschikking op te leggen beperkt tot de aanslagregelende fase. Verweerder heeft zich, gelet op het inkeerverzoek en de daarop volgende correspondentie, op het standpunt kunnen stellen dat de bankafschriften van C Ltd van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van eiseres. Eiseres heeft geen bewijsstukken ingebracht waaruit valt af te leiden dat zij inspanningen heeft verricht om de verzochte dagafschriften te verkrijgen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat een redelijk vermoeden bestaat dat de aandeelhouder van eiseres tevens UBO van C Ltd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-07-2018
V-N Vandaag 2018/1590
FutD 2018-2061
NTFR 2018/1956
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/2011

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 mei 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , gevestigd te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.T.P. Nefkens),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats] , verweerder,

en

de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming).

Procesverloop

Verweerder heeft met betrekking tot de heffing van vennootschapsbelasting over het jaar 2008 aan eiseres met dagtekening 19 november 2015 een informatiebeschikking gegeven (zie 16 hierna).

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikking. Bij brief van 16 februari 2016 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar en verzocht om een dwangsom.

Eiseres heeft bij brief van 16 maart 2016 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar (fictieve weigering).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 31 maart 2016 de informatiebeschikking gehandhaafd.

Verweerder heeft bij beslissing van 1 april 2016 aan eiseres een dwangsom toegekend van € 740 wegens de duur van de bezwaarbehandeling. Tegen deze beslissing is geen bezwaar gemaakt.

Eiseres heeft haar beroep bij brief van 15 april 2016 nader gemotiveerd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2017.

Namens eiseres is verschenen [persoon 1] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] , [persoon 7] , en [persoon 8] . Op deze zitting zijn tevens behandeld de beroepen met zaaknummers SGR 16/1205, SGR 16/1206, SGR 16/2008 en SGR 16/5762. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft na de zitting aanleiding gevonden het onderzoek te heropenen en verweerder verzocht een aantal stukken in geding te brengen.

Bij brief van 23 maart 2017 heeft verweerder gevolg gegeven aan het verzoek van de rechtbank. Daarbij heeft verweerder, onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), verzocht om geheimhouding van de ingebrachte stukken. De dossiers zijn daarop in handen gesteld van een geheimhoudingskamer van deze rechtbank.

Bij beslissing van 1 november 2017 heeft de geheimhoudingskamer het verzoek om geheimhouding ten aanzien van een aantal stukken afgewezen (de CLO-stukken China) en bepaald dat deze stukken geanonimiseerd aan eiseres ter beschikking kunnen worden gesteld. Ten aanzien van andere stukken (de geheime stukken) heeft de geheimhoudingskamer het verzoek toegewezen.

Eiseres heeft de rechtbank geen toestemming verleend om mede op grondslag van de geheime stukken uitspraak te doen. De geheime stukken zijn vervolgens door de geheimhoudingskamer aan verweerder retour gestuurd. Verweerder heeft de CLO-stukken China in geanonimiseerde vorm verstrekt. Afschriften van deze stukken zijn aan eiseres doorgestuurd.

Een tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018. Ook op deze zitting zijn tevens behandeld de beroepen met zaaknummers SGR 16/1205, SGR 16/1206, SGR 16/2008 en SGR 16/5762.

Namens eiseres is verschenen [persoon 1] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] , [persoon 7] , [persoon 9] , en [persoon 10] .

Tevens is ter zitting verschenen en gehoord de door de rechtbank opgeroepen getuige [getuige] , bijgestaan door haar advocaat mr. H.A. Wiggers.

Na afronding van het getuigenverhoor heeft eiseres onder meer verzocht om verdaging van de inhoudelijke behandeling van de zaak. Na afwijzing van dat verzoek heeft eiseres de rechters gewraakt. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek dezelfde dag in een aparte zitting behandeld en daaropvolgend mondeling uitspraak gedaan. Het wrakingsverzoek is afgewezen.

De inhoudelijke behandeling van de zaken is daarop voortgezet en vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres (voorheen genaamd [B.V. 1] ) is op 7 oktober 1993 opgericht. [persoon 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van eiseres. Door middel van de in Panama gevestigde [foundation 1] houdt [persoon 1] tevens 100% van de aandelen in [vennootschap] ., een op de Seychellen gevestigde vennootschap.

2. Tot 31 juli 2009 hield eiseres 100% van de aandelen in [B.V. 2] ( [B.V. 2] ). [B.V. 2] hield zich bezig met de productie en verkoop van anti-fouling en [B.V. 2 systemen] voor de scheepvaart en offshore-windturbines.

3. [oud-stagiair] ( [oud-stagiair] ) is een oud-stagiair van [B.V. 2] . Volgens een tussen [B.V. 2] en [oud-stagiair] opgestelde ongedateerde overeenkomst regelde [oud-stagiair] sinds 2006 als zelfstandige op commissiebasis de fabricage en inkoop van materialen voor [B.V. 2] in China. In 2007 is [oud-stagiair] via [Ltd 1] ( [Ltd 1] ) gaan factureren.

4. Bij brief van 18 september 2012 heeft verweerder een boekenonderzoek aangekondigd bij eiseres met betrekking tot de aangiften vennootschapsbelasting en dividendbelasting voor het jaar 2010. In april 2013 is het onderzoek uitgebreid naar de jaren 2007, 2008 en 2009 en in januari 2014 naar de jaren 2011 en 2012. Door verweerder zijn onder meer bij brieven van 10 juni 2013 en 27 maart 2014 vragen gesteld over de rol van [Ltd 1] en [oud-stagiair] bij betalingen van eiseres aan China/Hong Kong.

5. Met dagtekening 26 juni 2014 heeft de gemachtigde namens [persoon 1] een verzoek tot vrijwillige verbetering gedaan ten aanzien van “in het verleden gedane belastingaangiften”. Bij brief van 27 juni 2014 vult de gemachtigde aan “dat bij dit verzoek tot inkeer mogelijk ook nog een of meer buitenlandse vennootschappen zijn betrokken.”

6. Op 7 oktober 2014 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen de belastingdienst en [persoon 1] en de gemachtigde. In het door de belastingdienst opgestelde besprekingsverslag is het volgende opgenomen, waarbij [persoon 1] als “ [afkorting] ” is aangeduid:

“ [afkorting] vertelt dat hij besloten heeft gebruik te maken van de inkeerregeling omdat zijn handelspartner in China (de heer [oud-stagiair] ) in de problemen dreigt te komen met de Chinese belastingdienst. [afkorting] wil niet dat anderen door zijn handelen in de problemen komen.

(…)

[afkorting] geeft aan dat [Ltd 1] wel degelijk een derde is, echter dat deze derde gebruikt is voor het afromen van winsten in de periode 2007-2010.

(…)

De afroming van winsten ging door middel van commissiefacturen van [Ltd 1] (…), die in rekening gebracht worden op basis van het ons bekende contract (één ongedateerd A4) tussen [ [B.V. 2] ] en [Ltd 1] . De betaling heeft plaatsgevonden op de rekening van [Ltd 1] bij de HSB. Vervolgens werd er een factuur door [afkorting] opgemaakt voor in rekening gebrachte kosten aan [Ltd 1] . In de administratie van [Ltd 1] zitten facturen van een vennootschap van [afkorting] . De rechtspersoon die is gebruikt betreft [foundation 1] .”

In het besprekingsverslag met dagtekening 22 januari 2015 dat de gemachtigde heeft opgesteld, is het volgende opgenomen:

“[verweerder] geeft vervolgens aan dat de Belastingdienst de bankrekeningen van [Ltd 1] integraal wenst in te zien. De geëigende weg om dit op te vragen is om een aanvullend verzoek aan China te sturen. Aangezien [persoon 1] heeft verzocht om zorgvuldig te handelen richting China, gezien zijn (commerciële) belangen, deelt [verweerder] mee dat [persoon 1] deze stukken ook zelf kan opvragen bij [Ltd 1] .

Verder deelt de Belastingdienst mee dat in het eerste verzoek om informatie aan China onder meer de vraag is gesteld wat er door [Ltd 1] is betaald aan bedrijven buiten China ofwel Europa (lees: [persoon 1] ).

[persoon 1] deelt mee dat er betalingen hebben plaatsgevonden op bankrekeningen in Luxemburg. Dit betreft bankrekeningen die door [foundation 2] en [foundation 1] zijn aangehouden bij Banque de Luxembourg”

7. Op 3 december 2014 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen de belastingdienst en [persoon 1] en de gemachtigde. In het besprekingsverslag dat de gemachtigde met dagtekening 9 januari 2015 heeft opgesteld, is het volgende opgenomen:

“De belastingdienst wil graag de bankafschriften ontvangen van [Ltd 1] . Ter onderbouwing van dit verzoek wordt het volgende opgemerkt. Op basis van de crediteurenkaart 2007, 2008 en 2009 alsmede de omschrijving “ [omschrijving] ” in de grootboekkaarten 2010, 2011 en 2012 blijkt dat een bedrag van circa € 5.100.000 aan kosten is geboekt bij [B.V. 2] . Hiervan komt circa € 1.600.000 terug via Luxemburg. Wat is er met het verschil (van circa € 3.500.000) gebeurd? Zijn dit zakelijke kosten? Welke goederen staan daar tegenover? Hoeveel omzet wordt er in China gegenereerd door [oud-stagiair] ?

(…)

Namens [persoon 1] wordt aangegeven dat voor het overhandigen van bankafschriften van [Ltd 1] de medewerking van [oud-stagiair] is vereist en dat zolang niet duidelijk wordt wat het belang is van deze bankafschriften voor de belastingheffing in Nederland, het lastig zal zijn om [oud-stagiair] te overtuigen. Op verzoek van [B.V. 2] gaat de Belastingdienst dit nader motiveren en schriftelijk uiteenzetten.”

8. Op 9 december 2014 heeft een telefonisch onderhoud plaatsgevonden. In het verslag van de telefonische bespreking dat de gemachtigde met dagtekening 9 januari 2015 heeft opgesteld, is ten aan zien van betalingen aan [Ltd 1] , het volgende opgenomen:

“1. De Belastingdienst merkt op dat uit een eigen onderzoek in de administratie (lees: op basis van de crediteurenkaarten in 2007, 2008 en 2009 en op basis van de omschrijving “ [omschrijving] ” in de grootboeken 2010, 2011 en 2012) is komen vast te staan dat een bedrag van € 5.135.966,88 aan kosten is geboekt bij [B.V. 2] in de periode 2007 tot en met 2012. Aan de hand van de zogenoemde “Balance Sheets” (aangetroffen in de mappen ‘bonnen China’) heeft de Belastingdienst vastgesteld dat een bedrag van circa € 1.564.421,00 ziet op zakelijke kosten, welk bedrag voor hen ook niet in geschil is. Daarnaast is een bedrag van € 1.600.982,00 via [Ltd 1] doorbetaald op in Luxemburg aangehouden bankrekeningen, partijen zijn het erover eens dat dit bedrag is afgeroomd van het fiscale resultaat. Als gevolg hiervan resteert een bedrag van circa € 2.000.000,00 waarvoor de Belastingdienst geen verklaring heeft gevonden in de administratie van [B.V. 2] zodat bij hen de vraag is opgekomen wat de zakelijke grondslag is van dit bedrag dat als kosten is geboekt.

(…)

4. Ten aanzien van het bedrag van circa € 2.000.000, waarvan op dit moment niet duidelijk is waar dit bedrag betrekking op heeft, deelt de Belastingdienst mee dat het mogelijk is dat vanuit de bankrekening van [Ltd 1] kosten aangetoond kunnen worden maar dan moeten het kosten zijn die ten dienste van [B.V. 2] in Nederland staan en het moet duidelijk zijn waar het aan besteed is. De Belastingdienst wil dan graag het totaal van de kosten kunnen beoordelen (lees: aan wie is betaald en waar is het voor).”

9. Bij e-mailbericht van 21 januari 2015 aan de gemachtigde heeft verweerder een opsomming gegeven van openstaande vraagpunten. Het e-mailbericht luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“ [Ltd 1] gerelateerd

1) de dagafschriften van de bankrekening(en) van [Ltd 1] over de periode van 2007 tot en met 2014.

NB: wij hebben deze bankrekening nodig om de geboekte kosten (facturen van [Ltd 1] ) bij [B.V. 2] fiscaal te kunnen duiden. Omdat we niet uit kunnen gaan van alleen de aangetroffen facturen (een groot aantal facturen dekt de lading niet getuige de opgezette constructie en de mismatch tussen de declaraties van de heer [oud-stagiair] en de facturen van [Ltd 1] ) en de betalingen door [B.V. 2] willen wij beoordelen wat er met het geld gebeurt. Met andere woorden: wij willen vaststellen wat er, nadat het geld op de bankrekening van [Ltd 1] terecht is gekomen, vervolgens mee gebeurt. Deze afschriften zijn benodigd om de € 2 miljoen aan geboekte kosten die we (nog) niet kunnen goedkeuren te kunnen controleren.”

10. Bij brief van 20 maart 2015 heeft eiseres gereageerd op een aantal vragen van verweerder die zijn gerelateerd aan [Ltd 1] . Bij de brief is bijgesloten “een specificatie en kopie van de foutieve facturen die door [Ltd 1] zijn verstuurd aan [B.V. 2] .” Volgens de specificatie bedragen de foutieve facturen in totaal € 1.786.811,47.

11. Met dagtekening 11 juni 2015 heeft verweerder aan eiseres een brief gestuurd met betrekking tot “openstaande [Ltd 1] -gerelateerde problematiek”. De inhoud van die brief luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“3. De geldstroom van [Ltd 1] naar de [foundation 1] rechtspersonen

Door de heer [persoon 1] zijn facturen overgelegd van respectievelijk [foundation 2] en [foundation 1] , gericht aan [Ltd 1] die in totaal een bedrag van € 1.600.982 belopen. Het gaat hier om facturen over de jaren 2008 tot en met 2011. De meeste van deze facturen laten ronde bedragen [zien].

De heer [persoon 1] heeft verklaard dat deze facturen door hem werden opgemaakt om via facturen van [Ltd 1] aan [B.V. 2] de winst van [B.V. 2] af te romen.

(…)

6. Voorlopige conclusie en standpuntbepaling

(…)

Op grond van het geconstateerde onder met name punt 3 zijn wij van mening dat de heer [persoon 1] middels de “afroom” facturen van de [foundation 1] rechtspersonen naar eigen believen gelden aan de bankrekening van [Ltd 1] bij de HSBC bank kon onttrekken. Een en ander heeft ook gevolgen voor de voor de heffing van inkomstenbelasting bij de heer [persoon 1] .

Het moge voorts duidelijk zijn dat op grond van het bovenstaande de bankafschriften van de HSBC rekening van groot belang zijn voor de Nederlandse belastingheffing. Immers op veel momenten zal de rekening een saldo hebben vertoond dat feitelijk geheel of gedeeltelijk de door de heer [persoon 1] afgeroomde gelden van [B.V. 2] betrof.

Samenvattende vorderen wij van uw cliënt de dagafschriften van de rekening bij de HBSC vanaf het moment van opening van de rekening te verstrekken. Wij stellen hierbij een termijn van drie weken na datum van deze brief waarbinnen deze informatie verstrekt moet zijn.”

12. Op 15 juni 2015 heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat niet wordt ingestemd met verdere verlenging van de termijn om een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2008 op te leggen.

13. Bij brief van 17 juni 2015 heeft verweerder aangekondigd dat aan eiseres een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2008 zal worden opgelegd, hetgeen met dagtekening 30 juni 2015 is gebeurd. Tegen de navorderingsaanslag is bezwaar gemaakt.

14. Bij brief van 8 juli 2015 heeft de gemachtigde een reactie gegeven op de brief van verweerder van 11 juni 2015. In de brief is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“In tegenstelling tot wat u schrijft heeft de heer [persoon 1] nimmer verklaard “dat de facturen van [foundation 2] en [foundation 1] door hem worden opgemaakt om via facturen van [Ltd 1] aan [B.V. 2] de winst van [B.V. 2] af te romen.” (…).

Dat de heer [persoon 1] naar eigen believen gelden aan de bankrekening van [Ltd 1] bij de HSBC kon onttrekken, is absoluut onjuist. Niet alleen wordt dit door de heer [persoon 1] ontkend, ook wordt dit nergens gestaafd aan de hand van relevante feiten en/of stukken. Ook een (kopie van een) bankafschrift geeft geen antwoord op de vraag wie gemachtigd is tot de bankrekening zelf.

Alles overziende ben ik van mening dat (…) de mening [van verweerder] aangaande het onttrekken van gelden van de bankrekening van [Ltd 1] bij de HSBC louter is gebaseerd op aannames en veronderstellingen. Ook lijkt het onderzoek een doelredenatie te betreffen nu van enige onderbouwing aan de hand van feiten of stukken geen sprake is. Verder wordt informatie die wordt meegedeeld weggeredeneerd en/of in een andere context geplaatst of helemaal niet gebruikt. Ook duurt het boekenonderzoek inmiddels bijna drie jaar en wordt slechts na herhaaldelijk aandringen door de Belastingdienst schriftelijk gereageerd, hetgeen niet in overeenstemming is met de gebruikelijke gang van zaken bij een boekenonderzoek. Deze gang van zaken roept in ieder geval bij ondergetekende een hoop vragen op.

Op grond van het voorafgaande kom ik tot de conclusie dat er geen rechtsgronden aanwezig zijn op grond waarvan [B.V. 2] (voorzover [B.V. 2] daartoe al in staat is) de dagafschriften van de rekening bij HSBC van [Ltd 1] vanaf het moment van opening van de rekening dient verstrekken.”

15. Op 29 juli 2015 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen de belastingdienst en de gemachtigde. In het besprekingsverslag dat de gemachtigde met dagtekening 30 oktober 2015 heeft opgesteld, is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“[Verweerder] wijst er op dat in een nog te versturen informatiebeschikking zal worden aangegeven dat de Belastingdienst vandaag wederom een verzoek heeft gedaan tot beantwoording en aanlevering van deze gegevens. De belastingdienst wil de bankafschriften van [Ltd 1] hoe dan ook ontvangen.”

16. Met dagtekening 19 november 2015 heeft verweerder de informatiebeschikking gegeven. Door middel van de informatiebeschikking vordert verweerder de dagafschriften van de bankrekening van [Ltd 1] bij de HSBC bank met betrekking tot het jaar 2008.

Geschil

17. In geschil is of de informatiebeschikking terecht is gegeven.

18. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de informatiebeschikking ten onrechte is gegeven. Daartoe voert eiseres een aantal formele en materiële gronden aan. Voorts stelt eiseres dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd en het verweerschrift niet deugdelijk is gemotiveerd.

19. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de informatiebeschikking terecht is gegeven.

Beoordeling van het geschil

Beroep tegen fictieve weigering

20. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is het bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk, omdat verweerder lopende het beroep alsnog uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Het beroep wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen die uitspraak op bezwaar. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat niet tijdig uitspraak op bezwaar is gedaan, aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van proceskosten en van het betaalde griffierecht.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

21. Eiseres heeft tijdens de eerste zitting betoogd dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken (tijdig) zijn overgelegd. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank de zaken heropend en verwezen naar de geheimhoudingskamer. Na afronding van de geheimhoudingsprocedure heeft verweerder een aantal stukken alsnog in geding gebracht. De rechtbank gaat ervan uit dat daarmee het dossier compleet is. Eiseres heeft daarover ook geen grieven meer naar voren gebracht.

Informatiebeschikking

22. De rechtbank stelt voorop dat artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verweerder een ruime bevoegdheid geeft tot het inwinnen van informatie bij een belastingplichtige. Voor een belastingplichtige bestaat op grond van die bepaling de verplichting om aan verweerder desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en/of boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, indien verweerder zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing ten aanzien van die belastingplichtige (vgl. HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498). Indien niet volledig wordt voldaan aan deze verplichting, kan de inspecteur op grond van artikel 52a, eerste lid, van de AWR een informatiebeschikking geven.

23. Omkering van de bewijslast als bedoeld in artikel 25 en artikel 27e van de AWR kan zowel worden ingeroepen, indien sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking als in een situatie waarbij de vereiste aangifte niet is gedaan. Dit sluit elkaar niet uit. Voorts overweegt de rechtbank dat de informatiebeschikking is ingevoerd om effectieve rechtsbescherming te geven aan belastingplichtigen die worden geconfronteerd met controlehandelingen van de fiscus (zie Kamerstukken II, 2005/06, 30 645, nr. 3, pagina 1-3). Dat verweerder de informatiebeschikking in onderhavige geval in afwijking van die bedoeling heeft gebruikt om zijn beslistermijn in de bezwaarfase te verlengen, zoals eiseres stelt, is de rechtbank niet gebleken. Dat enige tijd verstreek, voordat die beschikking werd gegeven, acht de rechtbank niet vreemd, nu het onderzoek van verweerder naar aanleiding van de verklaringen van [persoon 1] eind 2014 een breder karakter kon krijgen en het onderzoek mede betrekking had op internationale transacties onder meer tussen verweven binnen- en buitenlandse vennootschappen en eiseres meermalen is gevraagd om in verband daarmee inlichtingen te verstrekken en/of bescheiden over te leggen. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank de stelling van eiseres dat verweerder zijn bevoegdheid om een informatiebeschikking te geven oneigenlijk heeft gebruikt, dan ook niet.

24. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar standpunt dat de bevoegdheid van verweerder om een informatiebeschikking te geven, is beperkt tot de aanslagregelende fase. Ook in de bezwaarfase kan een informatiebeschikking worden gegeven, tenzij dit leidt tot schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (vgl. HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2895). Dat het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2015 een omissie zou bevatten, zoals eiseres stelt, is de rechtbank niet gebleken. Uit het dossier volgt niet dat verweerder uitlatingen heeft gedaan op basis waarvan eiseres erop mocht vertrouwen dat geen informatiebeschikking zou worden gegeven. Aan een interne richtlijn van de belastingdienst kan eiseres geen vertrouwen ontlenen. Ook anderszins acht de rechtbank het vaststellen van de informatiebeschikking als zodanig niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

25. Gelet op de brief van de gemachtigde van eiseres met dagtekening 26 juni 2014 (zie onder 5) in samenhang bezien met de daarop volgende correspondentie tussen eiseres en verweerder, kon verweerder zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de bankafschriften van [Ltd 1] van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van eiseres aangezien hiermee de – internationale – geldstromen van [B.V. 2] naar [Ltd 1] en van [Ltd 1] naar andere (al dan niet aan [B.V. 2] gelieerde) vennootschappen inzichtelijk zouden kunnen worden. Eiseres was derhalve op grond van artikel 47, eerste lid, van de AWR gehouden de dagafschriften over te leggen. Eiseres kon niet volstaan met de enkele stelling dat zij geen toegang tot die bescheiden heeft. Van eiseres mag redelijkerwijs worden verwacht dat zij, na de herhaaldelijk gedane informatieverzoeken van verweerder, enige inspanning zou verrichten om de dagafschriften te verkrijgen. Eiseres heeft geen bewijsstukken ingebracht, waaruit valt af te leiden dat zij dergelijke inspanningen heeft verricht en heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat zij redelijkerwijs niet over de door verweerder gevraagde gegevens kon beschikken. Daarbij komt dat, zoals overwogen in de uitspraak van de rechtbank van 31 mei 2018 in de zaken met zaaknummers SGR 16/1205 en SGR 16/1206, er een redelijk vermoeden bestaat dat [persoon 1] de zogenoemde Ultimate Beneficial Owner is van [Ltd 1] en dat [Ltd 1] gelieerd is aan eiseres.

26. Gelet op het vorenstaande heeft eiseres niet voldaan aan haar informatieverplichting. Naar het oordeel van de rechtbank is de informatiebeschikking terecht gegeven en zal het niet voldoen aan de informatieverplichting in het onderhavige geval kunnen leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast. (vgl. HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130). De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat omkering en verzwaring van de bewijslast in het onderhavige geval niet in verhouding staat tot het niet voldoen aan de in artikel 47 van de AWR neergelegde informatieverplichting. De rechtbank zal eiseres op grond van artikel 27e, tweede lid, van de AWR een nieuwe termijn stellen om de in de informatiebeschikking verzochte dagafschriften te verstrekken. De rechtbank acht een termijn van zes weken vanaf de dag na die van verzending van de uitspraak passend.

Immateriële schadevergoeding

27. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade ontstaan door termijnoverschrijding. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een half jaar toe aan de bezwaarfase.

28. De rechtbank merkt onderhavige zaak en de zaken met zaaknummers SGR 16/2008 en SGR 16/5762 aan als samenhangend en zal voor de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden aansluiten bij de ontvangstdatum van het eerst ontvangen bezwaarschrift. Verweerder heeft dat bezwaarschrift ontvangen op 30 december 2015 en sedertdien is een periode van 2 jaar en ruim 5 maanden verstreken, zodat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met ruim 5 maanden. Aan eiseres komt daarom een schadevergoeding toe van € 500 (€ 500 per overschrijding van (een gedeelte van) een half jaar). De termijnoverschrijding komt voor rekening van de rechtbank.

29. Gelet op hetgeen hiervóór is overwogen, dient te worden beslist als volgt.

Proceskosten

30. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Voor de vaststelling van de vergoeding van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand merkt de rechtbank deze zaken en de zaken met zaaknummers SGR 16/2008 en SGR 16/5762 aan als samenhangend nu de zaken gelijktijdig door de rechtbank zijn behandeld, in deze zaken door dezelfde persoon rechtsbijstand is verleend en zijn werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek zijn geweest. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.751 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting (zie SGR 16/5762) met een waarde per punt van € 249 en een wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 501 een wegingsfactor 1 en factor 1 omdat sprake is van 3 samenhangende zaken). Voor een integrale proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de fictieve weigering niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- stelt eiseres een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag waarop deze uitspraak is verzonden, om alsnog aan verweerder de in de informatiebeschikking gevraagde informatie te verstrekken;

- veroordeelt de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 500;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.751;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, voorzitter, en mr. S.E. Postema en mr. E.J.W. Heithuis, leden, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.