Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6596

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-05-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
16_2008
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan eiser een informatiebeschikking opgelegd waarin negen vragen zijn opgenomen. Van deze negen vragen zijn er acht niet eerder dan met de informatiebeschikking aan eiser voorgehouden. De informatiebeschikking is ten aanzien van de negende vraag wel terecht gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank staat omkering en verzwaring van de bewijslast onder deze omstandigheden niet in verhouding tot het niet voldoen aan de op eiser rustende informatieverplichting. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 16-07-2018
V-N Vandaag 2018/1544
FutD 2018-1974 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2018/58.21.2
NTFR 2018/1959
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/2008

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 mei 2018 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.T.P. Nefkens),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats] , verweerder,

en

de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming).

Procesverloop

Verweerder heeft met betrekking tot de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2008 aan eiser met dagtekening 19 november 2015 een informatiebeschikking gegeven (zie 11 hierna).

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikking. Bij brief van 16 februari 2016 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar en verzocht om een dwangsom.

Eiser heeft bij brief van 16 maart 2016 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar (fictieve weigering).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 april 2016 de informatiebeschikking gehandhaafd.

Verweerder heeft bij beslissing van 14 april 2016 aan eiser een dwangsom toegekend van € 1.260 wegens de duur van de bezwaarbehandeling. Tegen deze beslissing is geen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger 1] , [vertegenwoordiger 2] , [vertegenwoordiger 3] , [vertegenwoordiger 4] , [vertegenwoordiger 5] , [vertegenwoordiger 6] , en [vertegenwoordiger 7] . Op deze zitting zijn tevens behandeld de beroepen met zaaknummers SGR 16/1205, SGR 16/1206, SGR 16/2011 en SGR 16/5762. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft na de zitting aanleiding gevonden het onderzoek te heropenen en verweerder verzocht een aantal stukken in geding te brengen.

Bij brief van 23 maart 2017 heeft verweerder gevolg gegeven aan het verzoek van de rechtbank. Daarbij heeft verweerder, onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), verzocht om geheimhouding van de ingebrachte stukken. De dossiers zijn daarop in handen gesteld van een geheimhoudingskamer van deze rechtbank.

Bij beslissing van 1 november 2017 heeft de geheimhoudingskamer het verzoek om geheimhouding ten aanzien van een aantal stukken afgewezen (de CLO-stukken China) en bepaald dat deze stukken geanonimiseerd aan eiser ter beschikking kunnen worden gesteld. Ten aanzien van andere stukken (de geheime stukken) heeft de geheimhoudingskamer het verzoek toegewezen.

Eiser heeft de rechtbank geen toestemming verleend om mede op grondslag van de geheime stukken uitspraak te doen. De geheime stukken zijn vervolgens door de geheimhoudingskamer aan verweerder retour gestuurd. Verweerder heeft de CLO-stukken China in geanonimiseerde vorm verstrekt. Afschriften van deze stukken zijn aan eiser doorgestuurd.

Een tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018. Ook op deze zitting zijn tevens behandeld de beroepen met zaaknummers SGR 16/1205, SGR 16/1206, SGR 16/2011 en SGR 16/5762.

Eiser is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger 1] , [vertegenwoordiger 2] , [vertegenwoordiger 3] , [vertegenwoordiger 4] , [vertegenwoordiger 5] , [vertegenwoordiger 6] , [vertegenwoordiger 8] , en [vertegenwoordiger 9] .

Tevens is ter zitting verschenen en gehoord de door de rechtbank opgeroepen getuige [getuige] , bijgestaan door haar advocaat mr. H.A. Wiggers.

Na afronding van het getuigenverhoor heeft eiser onder meer verzocht om verdaging van de inhoudelijke behandeling van de zaak. Na afwijzing van dat verzoek heeft eiser de rechters gewraakt. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek dezelfde dag in een aparte zitting behandeld en daaropvolgend mondeling uitspraak gedaan. Het wrakingsverzoek is afgewezen.

De inhoudelijke behandeling van de zaken is daarop voortgezet en vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is sinds 1993 enig aandeelhouder en directeur van [B.V. 1] ( [B.V. 1] ), thans genaamd [B.V. 2] Tot 31 juli 2009 hield [B.V. 1] 100% van de aandelen in [B.V. 3] ( [B.V. 3] ). [B.V. 3] hield zich bezig met de productie en verkoop van anti-fouling en anti- [B.V. 3systemen] voor de scheepvaart en offshore-windturbines. Eiser is tevens Ultimate Beneficial Owner ( [functie 1] ) van de op 28 december 2006 naar Panamees recht opgerichte [foundation 2] , die alle aandelen houdt in [vennootschap 1], een op 26 januari 2007 naar het recht van de Seychellen opgerichte en aldaar gevestigde vennootschap.

2. [oud-stagiair] ( [oud-stagiair] ) is een oud-stagiair van [B.V. 3] . Volgens een tussen [B.V. 3] en [oud-stagiair] opgestelde ongedateerde overeenkomst regelde [oud-stagiair] sinds 2006 als zelfstandige op commissiebasis fabricage en inkoop van materialen voor [B.V. 3] in China. In 2007 is [oud-stagiair] via [Ltd] ( [Ltd] ) gaan factureren.

3. Bij brief van 18 september 2012 heeft verweerder een boekenonderzoek aangekondigd bij [B.V. 1] met betrekking tot de aangiften vennootschapsbelasting en dividendbelasting voor het jaar 2010. In april 2013 is het onderzoek uitgebreid naar de jaren 2007, 2008 en 2009 en in januari 2014 naar de jaren 2011 en 2012.

4. Met dagtekening 26 juni 2014 heeft de gemachtigde een verzoek tot vrijwillige verbetering gedaan ten aanzien van “in het verleden gedane belastingaangiften”. Bij brief van 27 juni 2014 vult de gemachtigde aan “dat bij dit verzoek tot inkeer mogelijk ook nog een of meer buitenlandse vennootschappen zijn betrokken.”

5. Op 7 oktober 2014 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen de belastingdienst en eiser en de gemachtigde. In het besprekingsverslag met dagtekening 22 januari 2015 dat de gemachtigde heeft opgesteld, is het volgende opgenomen:

“De Belastingdienst geeft aan graag de bankafschriften te willen ontvangen van de rekeningen die bij de [bank] zijn aangehouden door:

- [vennootschap 1] .

- [foundation 2] .”

6. De gemachtigde heeft met dagtekening 26 november 2014 bankafschriften verstrekt van onder meer rekeningen van [foundation 2] en [vennootschap 1] bij [bank]. Uit de verstrekte bankafschriften van [vennootschap 1] blijkt dat een aantal betalingen is gedaan aan de [vennootschap 2].

7. Op 3 december 2014 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen de belastingdienst, eiser en de gemachtigde. In het besprekingsverslag dat met dagtekening 4 december 2014 door verweerder is opgesteld, is het volgende opgenomen:

“[verweerder] vraagt naar [vennootschap 2], er wordt vanuit [vennootschap 1] ongeveer € 38.000 overgemaakt naar [vennootschap 2]. Onder voorbehoud geeft [de gemachtigde] aan dat dit kosten zijn om de structuur van buitenlandse vennootschappen in stand te houden.”

8. Bij e-mailbericht van 21 januari 2015 heeft verweerder aan de gemachtigde een opsomming van openstaande vraagpunten doen toekomen. Verzocht wordt onder meer om:

“10) kopieën van de facturen van [vennootschap 2] (in de jaren 2007 tot en met 2010 is vanaf de bankrekening van [vennootschap 1] in totaliteit een bedrag van € 37.700 overgemaakt).”

Bij brief van 20 maart 2015 heeft de gemachtigde als volgt geantwoord:

“10. Facturen [vennootschap 2]

De facturen die ten grondslag liggen aan de betaling van € 37.713,33 zijn niet meer voorhanden.”

9. Bij brief van 17 juni 2015 heeft verweerder aangekondigd voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen aan eiser op te zullen leggen. De navorderingsaanslag is opgelegd met dagtekening 30 juni 2015. Tegen de navorderingsaanslag is bezwaar gemaakt.

10. Op 29 juli 2015 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen de belastingdienst en de gemachtigde. In het besprekingsverslag dat met dagtekening 30 oktober 2015 door de gemachtigde is opgesteld, is het volgende opgenomen:

“[verweerder] merkt op dat in de jaren 2007 tot en met 2010 vanaf de bankrekening van [vennootschap 1] een bedrag van in totaal € 37.700 is overgemaakt naar [vennootschap 2]. De eerste betaling vond plaats op 18 december 2007 en bedroeg € 8.670. Hoewel de Belastingdienst aangeeft het bedrag fors te vinden, bestaat bij hen het vermoedden (Rb: verschrijving) dat deze betalingen verband houden met het in stand houden van [vennootschap 3], [vennootschap 3], [foundation 2] en [vennootschap 1] . De Belastingdienst heeft hierover de navolgende aanvullende vragen:

 Voor welke diensten zijn betalingen verricht aan [vennootschap 2]?

 Kan het bedrag van € 37.700 worden gespecificeerd en per vennootschap worden gesplitst?

 Wat voor soort bedrijf is [vennootschap 2]?

 Hoe is [eiser] in contact gekomen met [vennootschap 2]?”

11. Met dagtekening 19 november 2015 heeft verweerder de informatiebeschikking gegeven. De informatiebeschikking bevat het volgende verzoek aan eiser om informatie:

“1 De facturen die aan [de betalingen die op 6 maart 2008 via de rekening van [vennootschap 1] met het nummer [nummer] aan [vennootschap 2] zijn gedaan] ten grondslag liggen, derhalve de facturen met de nummers [nummer], [nummer] en [nummer]. Mocht u de facturen niet meer voorhanden hebben, dan kunt u volstaan met het toezenden van kopieën die u kunt opvragen bij het bedrijf dat de facturen heeft opgemaakt.

(…)

2 Hoe heet de Seychellen rechtspersoon met nummer [nummer]?

3 Wanneer is die rechtspersoon opgericht dan wel verkregen?

4 Wat is het feitelijk vestigingsadres?

5 Wie is de directeur van die Seychellen company?

6 Wie is de UBO van die Seychellen company?

7 Indien sprake is van een nominee agreement: Wie is de nominee shareholder?

8 Wie is de UBO van de eventuele nominee shareholder?

9 Voorts wordt gevraagd om alle stukken inzake de oprichting dan wel verkrijging van deze Seychellen company. Hetzelfde geldt voor de stukken inzake een eventuele nominee agreement, alsmede de benoeming van de directeur(en).”

Geschil

12. In geschil is of de informatiebeschikking terecht is gegeven.

13. Eiser stelt zich op het standpunt dat de informatiebeschikking ten onrechte is gegeven. Daartoe voert eiser een aantal formele en materiële gronden aan. Voorts stelt eiser dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd en het verweerschrift niet deugdelijk is gemotiveerd.

14. Verweerder heeft de standpunten van eiser betwist.

Beoordeling van het geschil

Beroep tegen fictieve weigering

15. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is het bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk, omdat verweerder lopende het beroep alsnog uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Het beroep wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen die uitspraak op bezwaar. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat niet tijdig uitspraak op bezwaar is gedaan, aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van proceskosten en van het betaalde griffierecht.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

16. Eiser heeft tijdens de eerste zitting betoogd dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken (tijdig) zijn overgelegd. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank de zaken heropend en verwezen naar de geheimhoudingskamer. Na afronding van de geheimhoudingsprocedure heeft verweerder een aantal stukken alsnog in geding gebracht. De rechtbank gaat ervan uit dat daarmee het dossier compleet is. Eiser heeft daarover ook geen grieven meer naar voren gebracht.

Informatiebeschikking

17. De rechtbank stelt voorop dat artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verweerder een ruime bevoegdheid geeft tot het inwinnen van informatie bij een belastingplichtige. Voor een belastingplichtige bestaat op grond van die bepaling de verplichting om aan verweerder desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en/of boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, indien verweerder zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing ten aanzien van die belastingplichtige (vgl. HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498). Indien niet volledig wordt voldaan aan deze verplichting, kan de inspecteur op grond van artikel 52a, eerste lid, van de AWR een informatiebeschikking geven.

18. Omkering van de bewijslast als bedoeld in artikel 25 en artikel 27e van de AWR kan zowel worden ingeroepen indien sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking als in een situatie waarin de vereiste aangifte niet is gedaan. Dit sluit elkaar niet uit. Voorts overweegt de rechtbank dat de informatiebeschikking is ingevoerd om effectieve rechtsbescherming te geven aan belastingplichtigen die worden geconfronteerd met controlehandelingen van de fiscus (zie Kamerstukken II, 2005/06, 30 645, nr. 3, pagina 1-3). Dat verweerder de informatiebeschikking in onderhavige geval in afwijking van die bedoeling heeft gebruikt om zijn beslistermijn in de bezwaarfase te verlengen, zoals eiser stelt, is de rechtbank niet gebleken. Dat enige tijd verstreek, voordat die beschikking werd gegeven, acht de rechtbank niet vreemd, nu het onderzoek van verweerder naar aanleiding van de verklaringen van eiser eind 2014 een breder karakter kon krijgen en het onderzoek mede betrekking had op internationale transacties onder meer tussen verweven binnen- en buitenlandse vennootschappen en eiser meermalen is gevraagd om in verband daarmee inlichtingen te verstrekken en/of bescheiden over te leggen. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank dan ook niet eisers stelling dat verweerder zijn bevoegdheid om een informatiebeschikking te geven oneigenlijk heeft gebruikt.

19. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn standpunt dat de bevoegdheid van verweerder om een informatiebeschikking te geven, is beperkt tot de aanslagregelende fase. Ook in de bezwaarfase kan een informatiebeschikking worden gegeven, tenzij dit leidt tot schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (vgl. HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2895). Dat het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2015 een omissie zou bevatten, zoals eiser stelt, is de rechtbank niet gebleken. Voorts constateert de rechtbank dat uit de gedingstukken niet valt op te maken dat verweerder uitlatingen heeft gedaan op basis waarvan eiser erop mocht vertrouwen dat geen informatiebeschikking zou worden gegeven. Aan een interne richtlijn van de belastingdienst, waar eiser aan refereert, kan hij geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen. Ook anderszins acht de rechtbank niet gebleken dat het geven van de informatiebeschikking in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

20. Voor beantwoording van de vraag of verweerder in dit geval de informatiebeschikking terecht heeft gegeven, is op de eerste plaats van belang of eiser aan de in artikel 47 van de AWR neergelegde informatieverplichting heeft voldaan. Verweerder stelt zich dienaangaande op het standpunt dat dit niet het geval is aangezien de in de informatiebeschikking genoemde informatie niet is verstrekt en de aldaar gestelde vragen niet zijn beantwoord.

21. Ten aanzien van de door verweerder opgevraagde facturen heeft eiser gesteld dat niet valt in te zien op welke wijze de facturen van belang kunnen zijn voor de belastingheffing te zijnen aanzien. De rechtbank komt tot een ander oordeel. Gelet op de brieven van de gemachtigde van eiser met dagtekening 26 juni 2014 en 27 juni 2014 (zie onder 4) in samenhang bezien met het feit dat eiser UBO is van [vennootschap 1], heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan [vennootschap 1] verzonden facturen van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van eiser. Eiser was derhalve op grond van artikel 47, eerste lid, van de AWR gehouden de facturen over te leggen.

22. Eiser heeft aangevoerd dat de verzochte facturen niet langer voorhanden zijn en dat verweerder zich direct tot de bij de facturen betrokken rechtspersonen dient te wenden. De rechtbank kan deze stelling niet volgen. Als UBO van [foundation 2] moet het voor eiser mogelijk zijn de verzochte facturen te achterhalen, hetgeen ook ondersteund wordt door het feit dat het voor eiser mogelijk is gebleken bankafschriften van [foundation 2] en [vennootschap 1] te overleggen. Voorts mag van eiser redelijkerwijs worden verwacht dat hij enige inspanning zou verrichten om de facturen te verkrijgen. Eiser heeft geen bewijsstukken ingebracht, waaruit valt af te leiden dat hij dergelijke inspanningen heeft verricht en heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat hij redelijkerwijs niet over de door verweerder gevraagde gegevens kon beschikken. Op dit punt is de informatiebeschikking daarom in beginsel terecht gegeven.

23. Ten aanzien van de overige in de informatiebeschikking opgenomen vragen heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld dat deze niet eerder dan met de informatiebeschikking aan hem zijn voorgehouden. Nu deze vragen niet eerder aan eiser zijn gesteld, kan hem niet worden tegengeworpen dat hij niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 47 van de AWR zodat in zoverre de grondslag ontvalt aan de informatiebeschikking.

24. Hetgeen hiervoor is overwogen in 22 en 23 leidt de rechtbank tot het oordeel dat omkering en verzwaring van de bewijslast in het onderhavige geval niet in verhouding staat tot het niet voldoen aan de in artikel 47 van de AWR neergelegde informatieverplichting, aangezien die verplichting slechts betrekking heeft op één van de 9 in de informatiebeschikking gestelde vragen (zie onder 11). De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen de aard van de door verweerder gestelde vraag en de betekenis die deze vraag kan hebben voor de aan eiser opgelegde navorderingsaanslag.

Immateriële schadevergoeding

25. De rechtbank merkt onderhavige zaak en de zaken met zaaknummers SGR 16/2011 en SGR 16/5762 aan als samenhangende zaken. Voor een afzonderlijke vergoeding van immateriële schade in de onderhavige zaak bestaat geen aanleiding nu een dergelijke vergoeding reeds in de procedure met zaaknummer SGR 16/2011 is toegekend, en daarbij rekening is gehouden met de onderhavige zaak.

26. Gelet op hetgeen hiervóór is overwogen, dient te worden beslist als hierna vermeld.

Proceskosten

27. De rechtbank merkt onderhavige zaak en de zaken met zaaknummers SGR 16/2011 en SGR 16/5762 aan als samenhangende zaken. Voor een afzonderlijke vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding nu een dergelijke vergoeding reeds in de procedure met zaaknummer SGR 16/2011 is toegekend, en daarbij rekening is gehouden met de onderhavige zaak.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de fictieve weigering niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor het overige gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de informatiebeschikking en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, voorzitter, en mr. S.E. Postema en mr. E.J.W. Heithuis, leden, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.