Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6580

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
6390211 RL EXPL 17-25718
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Q-Park, treintje rijden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Zittingsplaats ‘s-Gravenhage

AD

Rolnr.: 6390211 RL EXPL 17-25718

23 mei 2018

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Q-Park Operations Netherlands II B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Maastricht,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. Ch.F.P.M. Spreksel,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: [gemachtigde] .

Partijen worden hierna aangeduid als “Q-Park” en “ [gedaagde] ”.

1 Procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 11 oktober 2017 met producties;

- de conclusie van antwoord en eis in reconventie met producties;

- de conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie;

- de brief van 26 februari 2018 van de zijde van [gedaagde] ;

- de reactie Q-Park op bezwaar akte depot;

- de conclusie van dupliek;

- de akte aan de zijde van Q-Park.

1.2.

Hierna is het vonnis bepaald op heden.

2 Feiten

2.1.

Q-Park exploiteert en beheert parkeeraccommodaties. Zij biedt tegen betaling parkeerplaatsen aan.

2.2.

Bij iedere ingang van de parkeeraccommodatie worden voorafgaand aan het naar binnenrijden van de accommodatie de geldende tarieven en de (toepasselijkheid van) de algemene voorwaarden van Q-Park conform de wettelijke vereisten kenbaar gemaakt door middel van een informatiebord. De algemene voorwaarden maken dan ook deel uit van de overeenkomst tussen Q-Park en [gedaagde] .

2.3.

[gedaagde] is door middel van een sticker op de inritterminal voorafgaand aan het naar binnen rijden gewezen op de gevolgen van het uitrijden zonder te betalen.

2.4.

Artikel 5.9 en 6.3 van de algemene voorwaarden luiden als volgt:

5.9 De parkeerder en zijn voertuig dienen de parkeerfaciliteit uitsluitend te verlaten met gebruikmaking van een geldig, door Q-Park geaccepteerd parkeerbewijs of middel.

Het zonder gebruikmaking van een geldig door Q-Park geaccepteerd parkeerbewijs of middel verlaten van de parkeerfaciliteit is onder geen beding toegestaan.

De parkeerder is in dat geval het door Q-Park voor de betreffende parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” verschuldigd (afhankelijk van de parkeerfaciliteit bedraagt dit éénmaal, tweemaal of driemaal het geldende dagtarief), vermeerderd met een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 300,- (…)

(…)

6.3

Het zonder voorafgaande betaling van het verschuldigde parkeergeld met het voertuig verlaten van de parkeerfaciliteit, bijvoorbeeld door middel van het zogenoemde “treintje rijden”, waarbij de parkeerder direct achter zijn voorganger onder de slagboom doorrijdt, is onder geen beding toegestaan.

De parkeerder is in dat geval het door Q-Park voor de betreffende parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” verschuldigd (afhankelijk van de parkeerfaciliteit bedraagt dit éénmaal, tweemaal of driemaal het geldende dagtarief), vermeerderd met een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 300,- (…)”

3 Vordering en verweer in conventie

3.1.

Q-Park vordert veroordeling van [gedaagde] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, om aan Q-Park tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.242,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van plegen van het feit tot de dag der algehele voldoening, alsmede in de (na)kosten van de procedure te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2

Q-Park legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] heeft gehandeld in strijd met de overeenkomst en de algemene voorwaarden en toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen doordat hij meerdere malen bumperklevend achter een voorganger de parkeeraccommodatie heeft verlaten. Op grond van de algemene voorwaarden is [gedaagde] een schadevergoeding verschuldigd. Ondanks aanmaning heeft Q-Park van [gedaagde] geen volledige betaling kunnen verkrijgen. Wegens het uitblijven van volledige betaling maakt Q-Park aanspraak op buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente.

3.3

[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Op het verweer zal hierna – voor zover van belang – nader worden ingegaan.

4 Vordering in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert veroordeling van Q-Park om aan [gedaagde] te overleggen de inrijbeelden van de zeven boetes. Daarnaast dienen de andere boetes te worden afgewezen op straffe van een dwangsom. [gedaagde] vordert het door hem te veel betaalde bedrag ad € 360,-- terug.

4.2.

[gedaagde] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij een bedrag van € 360,-- onverschuldigd heeft betaald aan Q-Park. Er is sprake van losse overeenkomsten. Mocht dit niet het geval zijn dan hanteert Q-Park twee algemene voorwaarden en dat kan niet.

4.3.

Q-Park heeft verweer gevoerd. Op het verweer zal hierna – voor zover van belang – nader worden ingegaan.

5 Beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.

Gelet op de onderlinge samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden besproken.

5.2.

Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt heeft gesteld dat Q-Park niet-ontvankelijk in haar vordering dient te worden verklaard, omdat zij niet aan de in artikel 111 lid 3 Rv neergelegde substantiëringsplicht heeft voldaan, wordt als volgt overwogen.

In dat artikel is weliswaar bepaald dat de dagvaarding de door gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor vermeldt, doch de wet verbindt geen consequenties aan het niet voldoen aan dit vereiste. Het enkele niet-naleven van de substantiëringsplicht is dus geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring. Voorts heeft [gedaagde] zijn verweren in de onderhavige procedure (ruimschoots) naar voren kunnen brengen en gebracht, zodat hij door een eventueel verzuim van Q-Park in vorenbedoelde zin niet is benadeeld.

5.3.

Voorop gesteld wordt dat tussen partijen niet in geschil is dat tussen hen op
8 mei 2016, 10 mei 2016 en 22 augustus 2016 (parkeer)overeenkomsten hebben bestaan. Q-Park verwijt [gedaagde] dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikelen 5.9 en 6.3 van de algemene voorwaarden, zoals hiervoor geciteerd. Die voorwaarden waren blijkens het op het bij de ingang van de parkeeraccommodatie aanwezige informatiebord gemakkelijk elektronisch toegankelijk op een door Q-Park meegedeeld adres (artikel 6:230c BW). Dit betekent dat Q-Park aan [gedaagde] een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de voorwaarden kennis te nemen (artikel 6:234 BW). [gedaagde] heeft dat ook niet betwist. De algemene voorwaarden, waaronder dus ook de in artikel 5.9 neergelegde (boete)clausule, maken daarmee onderdeel uit van de overeenkomst, zodat [gedaagde] daaraan is gebonden. Voorts verschillen partijen er niet over van mening dat [gedaagde] meerder malen bumper-klevend achter zijn voorganger aan onder de slagboom de parkeeraccommodatie heeft verlaten, zonder daarbij gebruik te maken van zijn parkeerbewijs dan wel zijn abonnement. Dit betekent dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan “treintje rijden” en dat hij daardoor in strijd heeft gehandeld met artikelen 5.9 en 6.3 van de algemene voorwaarden. Deze gedraging wordt door deze bepaling gesanctioneerd met een schadevergoeding van € 300,00.

5.4.

[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat hij abonnementhouder is en hij daarom niet gehouden is de boete te betalen omdat er andere algemene voorwaarden van toepassing zijn. Het huurrecht is van toepassing, aldus [gedaagde] . Er bestaat een huurovereenkomst tussen ING en [gedaagde] . Dit betreft echter geen huurovereenkomst voor een parkeerplaats tussen Q-Park en [gedaagde] . Tussen partijen is dus geen huurovereenkomst tot stand gekomen maar zijn er steeds afzonderlijke parkeerovereenkomsten tot stand gekomen. Indien en voor zover [gedaagde] gebruik mag maken van een abonnement van een derde, dient hij te allen tijde het abonnement bij zich te hebben en ook te gebruiken. Het komt voor rekening en risico van [gedaagde] dat hij geen gebruik heeft gemaakt van het abonnement. Dit verweer snijdt dan ook geen hout.

5.5.

[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat hij op basis van de bij de ingang van de parkeergarage geplaatste sticker met daarop de tekst “Uitrijden zonder betalen wordt direct gemeld bij onze gerechtsdeurwaarder. Als gevolg hiervan wordt het dagtarief en alle bijkomende kosten in rekening gebracht.” erop heeft mogen vertrouwen dat hij het dagtarief vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten verschuldigd zou zijn. [gedaagde] heeft de kosten voor een verloren kaart betwist. Dit verweer wordt verworpen. Bij het binnenrijden is [gedaagde] akkoord gegaan met de algemene voorwaarden. [gedaagde] had door het raadplegen van de algemene voorwaarden kunnen weten welke gevolgen aan het “treintje rijden” werden verbonden. [gedaagde] kon er dan ook niet vanuit gaan dat alleen de kosten van het dagtarief in rekening zouden worden gebracht, te meer nu op de sticker bij de ingang staat vermeld dat naast het dagtarief alle bijkomende kosten in rekening zouden worden gebracht. Hieruit kan niet worden afgeleid dat daaronder alleen de buitengerechtelijke kosten worden verstaan. [gedaagde] is dan ook gehouden tot betaling van het tarief “verloren kaart”.

5.6.

Daarnaast heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde boete van € 300,00 extreem hoog is. In dit verband overweegt de kantonrechter dat zij op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie (4 juni 2009, C 243/08) en de Hoge Raad

(13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691) (ook) ambtshalve dient te beoordelen of een beding in algemene voorwaarden behorend bij een, zoals hier, met een consument aangegane overeenkomst, onredelijk bezwarend is. Indien wordt vastgesteld dat het beding “oneerlijk” in de zin van artikel 3 lid 1 van Richtlijn 93/13/EEG juncto punt e van de bij die richtlijn behorende bijlage is, mag de kantonrechter de boete niet matigen maar is zij verplicht dat beding voor de consument buiten beschouwing te laten. Van een oneerlijk beding als hier bedoeld is sprake indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort, zoals bedingen die tot doel of gevolg hebben de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen.

5.7.

Q-Park heeft gemotiveerd bepleit dat het beding van artikel 5.9 van de algemene voorwaarden niet oneerlijk in de zin van gemelde richtlijn is. De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de toelichting van Q-Park omtrent de preventieve werking van het boetebeding, de gevaarzetting van ‘treintje rijden’ voor andere verkeersdeelnemers (en zaken) binnen en buiten de parkeergarage, de omstandigheid dat [gedaagde] er in dit geval bewust voor heeft gekozen de parkeergarage op deze ongebruikelijke en contractueel niet toegestane wijze te verlaten en de gemotiveerde onderbouwing van Q-Park van de hoogte van haar kosten en schade door dergelijk gedrag (in zijn algemeenheid), een beding wat zulk gedrag, bij wege van (afschrikwekkende) prikkel tot nakoming, sanctioneert met een boete en een verloren kaart van, in dit geval, totaal € 1.080,-- (voor in dit geval drie overtredingen) niet oneerlijk is. Het door Q-Park gevorderde bedrag wordt dan ook toegewezen.

5.8.

De gevorderde wettelijke rente zal als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen over de hoofdsom, vanaf (de primair gevorderde datum van) 20 december 2016.

5.9.

Q-Park maakt voorts aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet gebleken is dat een kosteloze aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW is verzonden. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2704).

5.10.

Het verzoek van [gedaagde] om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen wordt afgewezen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het, om op de vordering van Q-Park te beslissen, (zeker) niet nodig om van de Hoge Raad, bij wijze van prejudiciële beslissing, antwoord te krijgen op dergelijke (rechts)vragen.

5.11.

Nu het gevorderde in conventie wordt toegewezen zal het gevorderde bedrag in reconventie worden afgewezen, nu geen sprake is van onverschuldigde betaling van de zijde van [gedaagde] .

5.12.

De verklaring voor recht om Q-Park te verbieden [gedaagde] in rechte te betrekken voor de overige boetes zal als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

5.13.

Hetgeen verder nog door partijen is aangevoerd, kan tot geen ander oordeel leiden en behoeft daarom geen (nadere) bespreking.

5.14.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. De gevorderde nakosten zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

6 Beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

- veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijke kwijting aan Q-Park te betalen een bedrag van € 1.080,-- vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.080,-- vanaf 20 december 2016 tot die der algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot hiertoe aan de zijde van Q-Park vastgesteld op € 753,51, waarvan € 200,-- aan salaris voor de gemachtigde van Q-Park, en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis moet zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 50,- aan nasalaris, voor zover Q-Park daadwerkelijk nakosten zal maken, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de dag der voldoening, en voorts, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag der voldoening;

In reconventie:

- wijst de vorderingen van [gedaagde] af;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot op de dag van de uitspraak aan de zijde van Q-Park begroot op € 200,-- aan salaris voor de gemachtigde van Q-Park;

In conventie en in reconventie:

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

-
wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. A.J. Japenga en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2018.