Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6514

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
05-06-2018
Zaaknummer
NL 18.7300
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ten onrechte stelt verweerder dat Nederland op grond van artikel 19, derde lid, van de Dublinverordening niet langer de verantwoordelijke lidstaat is. Een vrijwillig vertrek is immers niet hetzelfde als vertrek naar aanleiding van een uitgevaardigd terugkeerbesluit of een opgelegde verwijderingsmaatregel.

Oostenrijk is op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de verantwoordelijke lidstaat geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2018/134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.7300

V-nummer: [nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 29 mei 2018 in de zaak tussen


[naam], geboren op [geboortedatum], van [land] nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. B.D. Lit),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam], welke laatste fungeerde als tolk in de taal Arabisch [land]). Verweerder is, met voorafgaand bericht daarvan, niet verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 14 januari 2017 een eerste asielaanvraag bij verweerder ingediend. Om hem moverende redenen heeft eiser die asielaanvraag weer ingetrokken. Hij is vervolgens op 10 september 2017 vrijwillig uitgereisd naar [land].

2. Op 28 september 2017 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Oostenrijk. De Oostenrijkse autoriteiten hebben, naar aanleiding van die aanvraag, een verzoek om informatie bij verweerder ingediend op grond van artikel 34 van Verordening EU 604/2013 (PB 2013, L 180; hierna: de Dublinverordening). Verweerder heeft op dit verzoek om informatie niet gereageerd.

3. Vervolgens hebben de Oostenrijkse autoriteiten op 22 november 2017 bij verweerder een overnameverzoek ingediend. De Oostenrijkse autoriteiten leggen aan dit verzoek ten grondslag dat eiser eerder een asielaanvraag in Nederland heeft ingediend, verweerder niet op het verzoek om informatie heeft gereageerd en de Oostenrijkse autoriteiten geen aanleiding hebben om aan te nemen dat de verantwoordelijkheid van Nederland om de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen is geëindigd.

4. Bij brief van 28 november 2017 heeft verweerder het overnameverzoek van de Oostenrijkse autoriteiten afgewezen. Verweerder heeft in zijn brief, voor zover van belang, het volgende opgenomen: “The person concerned applied for asylum in the Netherlands on 14 January 2017. He withdrew his application on 5 September 2017. On 10 September 2017 the person concerned returned to his country of origin by the means of the International Organization for Migration. Therefore the obligations of the Netherlands have been ceased on grounds of article 19 clause 3 of the Regulation (EU) No. 604/2013.” De Oostenrijkse autoriteiten hebben geen heroverwegingsverzoek bij verweerder ingediend. Eiser is niet door de Oostenrijkse autoriteiten aan Nederland overgedragen.

5. Eiser is op enig moment op eigen gelegenheid Nederland weer ingereisd en heeft op 18 januari 2018 onderhavige asielaanvraag bij verweerder ingediend.

6. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van eiser. Verweerder komt tot die beslissing omdat de verantwoordelijkheid van verweerder voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag is komen te vervallen op grond van artikel 19, derde lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft immers zijn eerdere aanvraag ingetrokken en is vervolgens vrijwillig vertrokken.

7. Eiser is het met het bestreden besluit niet eens en heeft daartegen beroep ingesteld. Eiser heeft in beroep allereerst aangevoerd dat artikel 19, derde lid, van de Dublinverordening niet van toepassing is, omdat eiser het grondgebied van de lidstaten vrijwillig heeft verlaten en niet op grond van een terugkeerbesluit of een verwijderingsmaatregel.

8. Op grond van artikel 19, derde lid, van de Dublinverordening komen de in artikel 18, lid 1, onder c) en d), genoemde verplichtingen te vervallen wanneer de verantwoordelijke lidstaat, bij een verzoek om terugname van een verzoeker of andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder c) of d), kan aantonen dat de betrokkene het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten op grond van een terugkeerbesluit of een verwijderingsmaatregel dat is afgegeven na de intrekking of afwijzing van het verzoek.

9. De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat zijn verantwoordelijkheid tot inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van eiser is geëindigd op grond van artikel 19, derde lid, van de Dublinverordening. In de betreffende bepaling wordt expliciet bepaald dat de verantwoordelijkheid van een lidstaat eindigt nadat jegens de vreemdeling een terugkeerbesluit is uitgevaardigd of een verwijderingsmaatregel op hem is toegepast na de intrekking of afwijzing van de asielaanvraag. Anders dan verweerder meent, ziet artikel 19, derde lid, van de Dublinverordening dus niet enkel op het feit dat de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten moet hebben verlaten na intrekking of afwijzing van diens verzoek. Ook aan het tweede vereiste, dat het vertrek het gevolg is van een terugkeerbesluit of verwijderingsmaatregel, dient te worden voldaan. Anders dan verweerder lijkt te menen, is aan dit tweede vereiste niet voldaan indien een vreemdeling vrijwillig het grondgebied van de lidstaten verlaat. Weliswaar dient een vreemdeling die, zoals eiser na de intrekking van zijn eerdere asielaanvraag, geen rechtmatig verblijf meer heeft, Nederland te verlaten, maar ook tegen die vreemdeling dient eerst een terugkeerbesluit te worden uitgevaardigd of een verwijderingsmaatregel te worden opgelegd voordat de verantwoordelijkheid van Nederland als verantwoordelijke lidstaat op grond van artikel 19, derde lid, van de Dublinverordening eindigt. De stelling van verweerder dat dit ertoe leidt dat een lidstaat tot in lengte van dagen verantwoordelijk zou blijven voor een asielaanvraag, berust op een te beperkte lezing van artikel 19 van de Dublinverordening. Op grond van artikel 19, tweede lid, van de Dublinverordening eindigt immers de verantwoordelijkheid voor de inhoudelijke behandeling van een asielaanvraag ook indien een lidstaat kan aantonen dat de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten ten minste drie maanden heeft verlaten. In dat geval is niet van belang of de vreemdeling vrijwillig is vertrokken of na een terugkeerbesluit dan wel na een verwijderingsmaatregel.

10. Het bestreden besluit is, gelet op het voorgaande, gebrekkig gemotiveerd. Het beroep is gegrond. Dit brengt met zich dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank zal evenwel bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, al dan niet met de aanvullende motivering zoals die door verweerder in het verweerschrift is gegeven, in stand kunnen worden gelaten.

11. Verweerder stelt in zijn verweerschrift dat de door eiser in Oostenrijk ingediende asielaanvraag daar inhoudelijk is behandeld. Eiser heeft ter zitting verklaard dat ook hij daarvan uitgaat. Dat is dus niet in geschil. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hieraan terecht de conclusie heeft verbonden dat Oostenrijk de verantwoordelijk lidstaat is geworden, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, tweede volzin, van de Dublinverordening. Hiervoor is al uiteengezet dat de verantwoordelijkheid van Nederland niet op grond van artikel 19, derde lid, van de Dublinverordening is geëindigd. Verweerder heeft zich jegens de Oostenrijkse autoriteiten wel op dat standpunt gesteld, maar verweerder heeft de feitelijke situatie, namelijk dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingetrokken en vrijwillig het grondgebied van de lidstaten met behulp van het IOM heeft verlaten, wel volledig en juist doorgegeven aan de Oostenrijkse autoriteiten. De Oostenrijkse autoriteiten waren met de door verweerder gegeven informatie dus in staat om zelf een volledig en juist geïnformeerd beeld te vormen van de zaak en een heroverwegingsverzoek te doen. Dit hebben de Oostenrijkse autoriteiten evenwel niet gedaan. Uit de ter beschikking staande feiten blijkt niet dat Oostenrijk op grond van een van de artikelen 8 tot en met 16 van de Dublinverordening de verantwoordelijke lidstaat is geworden. De Oostenrijkse autoriteiten hebben de inhoudelijke behandeling van de bij hen ingediende asielaanvraag van eiser derhalve onverplicht aan zich getrokken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Daarmee is Oostenrijk op grond van artikel 17, eerste lid, tweede volzin, de verantwoordelijke lidstaat geworden en was Nederland niet (langer) de verantwoordelijke lidstaat. Verweerder heeft derhalve terecht een overnameverzoek ingediend bij de Oostenrijkse autoriteiten, welk verzoek overigens ook door de Oostenrijkse autoriteiten is geaccepteerd.

12. Eiser heeft verder aangevoerd dat op basis van artikel 27 van de Dublinverordening een daadwerkelijk rechtsmiddel moet openstaan tegen al het overheidshandelen van lidstaten en dat hij daarom in deze procedure moet kunnen klagen over de Nederlandse afwijzing van het overnameverzoek van de Oostenrijkse autoriteiten. Eiser wenst met zijn grond in deze Nederlandse procedure te klagen over het feit dat de Oostenrijkse autoriteiten jegens hem geen overdrachtsbesluit hebben genomen naar aanleiding van zijn aldaar ingediende asielaanvraag. Eiser heeft de rechtbank verzocht om hierover prejudiciële vragen te stellen.

13. Artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening bepaalt dat tegen een overdrachtsbesluit een daadwerkelijk rechtsmiddel moet openstaan. Zo’n overdrachtsbesluit is door de Oostenrijkse autoriteiten juist niet genomen. Eisers beroep op deze bepaling slaagt dus niet. De bepaling is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen.

14. Gelet op de overwegingen 11. tot en met 13., ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten. Verweerder heeft immers terecht gesteld dat hij niet langer de verantwoordelijke lidstaat is. Verweerder heeft derhalve niet ten onrechte de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.

15. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-- (zegge: duizend en twee euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Wal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak), dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.