Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6420

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2018
Datum publicatie
06-06-2018
Zaaknummer
NL18.8614
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag niet-ontvankelijk. Subsidiaire bescherming in Duitsland. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.8614


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. C.G. Matze),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. van Hoof).

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.8615, plaatsgevonden op 24 mei 2018. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is van Eritrese nationaliteit. Hij stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] . Eiser heeft op 15 maart 2018 een asielaanvraag in Nederland ingediend.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 31a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat eiser in Duitsland internationale bescherming geniet. Verweerder gaat daarbij af op informatie van een onderzoek door de verbindingsambtenaar in Duitsland. Uit dit onderzoek maakt verweerder op dat eiser geboren is op [geboortedatum 2] , dat hij op 6 juli 2016 asiel heeft aangevraagd in Duitsland en dat hem op 14 februari 2017 subsidiaire bescherming is verleend. Verweerder beschouwt de door eiser overgelegde doopakte en de kopieën van de identiteitsdocumenten van de ouders van eiser niet als documenten waarmee eiser zijn gestelde geboortedatum (alsnog) aannemelijk maakt.

3. Eiser voert daartegen aan dat uit de stukken wel degelijk blijkt dat hij minderjarig is. De Duitse autoriteiten hebben de geboortedatum [geboortedatum 2] aan hem toegekend toen eiser ziek was. Eiser blijft erbij dat hij zal worden uitgezet naar Italië, nadat hij wordt uitgezet naar Duitsland. Eiser is verder van mening dat hij sterkere banden heeft met Nederland, dan met Duitsland. Hij vindt dat omdat hij minderjarig is en omdat hij een nicht heeft in Nederland. Hij wijst in dit verband op een uitspraak van deze rechtbank, deze zittingsplaats, van 19 oktober 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:13286). Eiser doet tot slot een beroep op artikel 24 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en op artikel 3 van het Verdrag voor de rechten van het kind (IVRK).

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Allereerst moet worden beoordeeld of verweerder er terecht van uit is gegaan dat eiser in Duitsland internationale bescherming geniet, zoals bedoeld in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

5. Verweerder is afgegaan op het bericht van de verbindingsofficier van 9 april 2018 waarin staat dat Duitsland eiser subsidiaire bescherming heeft verleend. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft verweerder terecht als uitgangspunt genomen dat deze door de Duitse autoriteiten verstrekte inlichtingen op waarheid berusten. Het ligt dan op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat deze informatie niet juist is. Eiser heeft slechts gesteld dat zijn asielaanvraag in Duitsland is afgewezen, maar heeft nagelaten om dat met documenten te onderbouwen. Eiser heeft zelf verklaard dat hij wel een pasje heeft gekregen, maar dat hij dit in Duitsland heeft achtergelaten. De conclusie is dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen, en gehandhaafd, dat eiser in Duitsland internationale bescherming geniet.

6. Vervolgens staat ter beoordeling of verweerder terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

7. Ingevolge artikel 3.106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Vw indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

Ingevolge het derde lid van dit artikel worden bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerder verblijf.

8. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft meermalen geoordeeld (onder meer in de uitspraak van 18 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1971) dat, reeds omdat een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie erkend vluchteling is, dan wel de subsidiaire beschermingsstatus heeft, wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb. De rechtbank onderschrijft dit uitgangspunt.

9. Naar het oordeel van de rechtbank moet dan echter wel voldaan zijn aan het bepaalde in artikel 3.106a, derde lid, van het Vb, waarin is neergelegd dat bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, alle relevante feiten en omstandigheden betrokken worden. De rechtbank moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar in zijn belangenafweging heeft betrokken.

10. Overwogen wordt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij minderjarig is. Verweerder is terecht afgegaan op de in Duitsland aan eiser toegekende leeftijd. De stelling van eiser dat de autoriteiten deze leeftijd hebben toegekend toen eiser ziek was, is niet onderbouwd. De overgelegde stukken zijn slechts kopieën en zijn bovendien niet aan te merken als identificerende documenten met betrekking tot eiser. Dat eiser een nicht heeft in Nederland, is evenmin onderbouwd. Deze door eiser gestelde feiten heeft verweerder dan ook niet in zijn beoordeling in het kader van artikel 3.106a, derde lid, van het Vb hoeven betrekken. In de aard en de duur van eisers verblijf in Duitsland heeft verweerder evenmin aanleiding hoeven zien om er niet van uit te gaan dat eiser sterkere banden heeft met Duitsland dan met Nederland. Het beroep op artikel 24 van het Handvest en artikel 3 van het IVRK treft geen doel, omdat eiser niet als minderjarig kan worden aangemerkt. De vergelijking met de door eiser aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, deze zittingsplaats, van 19 oktober 2017 gaat mank. In die zaak betrof het een minderjarige vreemdeling die aannemelijk had gemaakt dat hij een sterke band had met zijn in Nederland verblijvende broer.

11. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier.

Deze uitspraak is gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.