Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6418

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
18-06-2018
Zaaknummer
C/09/534078 / HA ZA 17-615
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Begaclaim. Doorzoeking bij trustkantoor in verband met verdenking witwassen. Gesloten stelsel van rechtmiddelen niet aan de orde, nu de rechterlijke toetsing niet het trustkantoor zelf betrof, maar een daaraan gelieerde derde (een werknemer). Schade van (indirecte) aandeelhouders en crediteur van het trustkantoor behoort tot het normale maatschappelijke risico.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/738
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/534078 / HA ZA 17-615

Vonnis van 30 mei 2018

in de zaak van

1 de naamloze vennootschap FIRST ALLIANCE TRUST N.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

J.V.V. HOLDING B.V.

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ANDOSA INVESTMENTS B.V.,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QOSH INTERNATIONAL B.V.,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BELTERGEM B.V.,

alle gevestigd te Rotterdam,
advocaat mr. G.J.M. de Jager te Rotterdam,

6 [eiser sub 6] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. D.H. Sterke te Rotterdam,

eisers,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (OPENBAAR MINISTERIE),

gezeteld te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Eiseres sub 1 zal hierna FAT worden genoemd. Eisers gezamenlijk zullen FAT c.s. worden genoemd en eisers sub 2 tot en met 6 gezamenlijk tevens de overige eisers. Gedaagde partij zal de Staat worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 juni 2017 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 22 september 2017, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 februari 2018 en de daarin vermelde stukken.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na toezending daarvan daarop te reageren. De Staat heeft dat bij brief van 12 maart 2018 gedaan en FAT c.s. bij brief van 14 maart 2018. Deze brieven zijn aan het proces-verbaal gehecht.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 28 juli 2005 is bij het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie (OM) een rechtshulpverzoek binnengekomen van het parket van de Officier van Justitie in Istanbul, Turkije. Dit rechtshulpverzoek dateert van 11 mei 2005 en richt zich op een onderzoek naar zesendertig personen, onder wie de heer [X] (hierna: [X] ).

2.2.

[X] houdt volgens het rechtshulpverzoek 99,9% van de aandelen in [X Holding] , die op haar beurt weer 99% van de aandelen in [Bank I] bezit. De [X Holding] maakt deel uit van een groep van ruim 70 ondernemingen. De Turkse autoriteiten vermoeden dat – kort gezegd – tussen [Bank I] en verschillende entiteiten binnen de [X] Groep financiële constructies zijn opgezet om ondernemingen binnen de [X] Groep en [X] zelf wederrechtelijk te bevoordelen. [Bank I] is volgens het rechtshulpverzoek op meerdere manieren door de ondernemingen van [X] leeggehaald. Zo werden door [Bank I] kredieten uitgezet tegen zeer lage rentes, werden ondernemingen onderling overgedragen tegen lage waardes en werden aan [Bank I] verpande zekerheden onttrokken, aldus het rechtshulpverzoek. Ook bestond het vermoeden dat fictieve spaartegoeden werden gecreëerd om op papier het kapitaal van de bank te vergroten.

2.3.

[Bank I] is op een zeker moment ‘omgevallen’. Vanuit het Turkse depositogarantiestelsel is $ 1.000.000.000 uitgekeerd. In mei 2001 zou volgens het rechtshulpverzoek een aantal aan [Bank I] verpande aandelen van twee Turkse bedrijven ( [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ) op onrechtmatige wijze zijn overgedragen aan de in Nederland gevestigde vennootschappen Filson Investment Holding B.V. en Interproperty Holding BV, die onder beheer stonden van Padt en van Kralingen Trust N.V. (te Amsterdam, in de stukken ook wel Pakra genoemd). Pakra is nadien overgegaan in FAT. Het vermoeden bestond voorts dat de [X] Groep in Nederland verband hield met 13 bedrijven, waaronder Pakra en F.A.T. N.V. in Willemstad, reden waarom Turkije de Nederlandse autoriteiten heeft verzocht onderzoek te doen naar deze vennootschappen. De grondslag van de verdenkingen betrof oplichting, valsheid in geschrifte, verduistering in dienstbetrekking en witwassen.

2.4.

Op 19 september 2005 is het rechtshulpverzoek door het Functioneel Parket ter behandeling overgedragen aan het Landelijk Parket.

2.5.

Op 5 januari 2006 heeft het OM van FAT op grond van artikel 126nd Wetboek van Strafvordering (Sv) overdracht van gegevens gevorderd. In “het proces-verbaal bevinding uitlevering ex art. 126nd WvSv FAT” van de Nationale Recherche van 20 februari 2006 (hierna: het proces-verbaal bevinding uitlevering”) staat hierover onder meer en voor zover relevant het volgende opgenomen:

In het kader van de uitvoering van een rechtshulpverzoek van de Turkse justitiële autoriteiten is aan First Alliance Trust NV (FAT) te Amsterdam op 5 januari 2006 een vordering verstrekking gegevens uitgereikt. Deze vordering is door mevr. [A] en de heer [B] in ontvangst genomen. Het betreft hier een verzoek om alle opgeslagen en vastgelegde gegevens (dossiers) van alle in relatie tot [X] en/of [X Holding] staande vennootschappen waaronder in ieder geval de in de vordering genoemde Turkse en Nederlandse vennootschappen – welke een rol spelen in een Turks gerechtelijk onderzoek. De heer [B] vertelde ons op 5 januari 2006 dat de dossiers niet meer fysiek aanwezig waren. Deze waren op verzoek van de gemachtigde van cliënt per koerier overgedragen aan een kantoor te Parijs, Frankrijk. Desgevraagd zou hij bezien welke documenten er nog door FAT uitgeleverd zouden kunnen worden, zoals de bevestiging dat de dossiers per koerier zijn verzonden.

Nadat na ruim een week telefonisch geïnformeerd was hoever het stond met de uitlevering beriep FAT zich op de wettelijke uitleveringstermijn van 3 weken. Vervolgens werd via de inmiddels ingeschakelde advocaat van FAT aan de officier van justitie uitstel van uitlevering verzocht. De officier van justitie verleende vervolgens tot 10 februari 2006 uitstel.

Op vrijdagmiddag 10 februari 2006 werd door mevr. [A] van FAT telefonisch contact gezocht met verbalisanten. Nadat door ons om ca. 15.00 uur met mevr. [A] telefonisch contact werd gezocht vroeg zij of wij nog langs kwamen om de uit te leveren stukken op te halen, immers de termijn verstreek. Na overleg werd afgesproken dat wij tussen 15.45 en 16.00 uur ons zouden vervoegen op het kantoor van FAT.

Vervolgens vervoegden wij ons ca 15.55 uur bij FAT en meldden ons bij de receptie. Door de receptioniste werd met een persoon contact opgenomen die zij aansprak met [A] , voor- en roepnaam van mevr. [A] . De receptioniste meldde dat haar afspraak er was. Hierop werd ons medegedeeld dat wij even konden wachten en dat zij zo zou komen.

Vervolgens verscheen de ons bekende [B] met in zijn kielzog een ons onbekende persoon.
Na begroeting overhandigde de heer [B] ons twee enveloppen. In een ervan bevond zich een brief aan de Officier van Justitie en een cd-rom met gedigitaliseerde documenten zoals gevorderd. De andere enveloppe bevatte schriftelijke stukken, naar [B] meedeelde de management overeenkomsten tussen cliënt en de trustmedewerkers maar was gesloten en voorzien van stickers met “verzegeld”. Deze enveloppe mochten wij wel meenemen en overhandigen aan de rechter. Die moest dan maar beslissen of wij, verbalisanten, deze stukken mochten inzien gelet op de vertrouwelijkheid van de relatie tussen cliënt en het Trustkantoor. Op onze vraag of hij hiermee een commercieel belang boven de wet stelde antwoordde de heer [B] tot twee keer toe bevestigend. Hij deed dit op advies van de strafrechtadvocaat. Nogmaals hebben wij de heer [B] daarop gewezen dat door het aanbieden van deze gesloten envelop niet werd voldaan aan de vordering en dat, ongeacht het advies van de strafrechtadvocaat, FAT verantwoordelijk blijft. De heer [B] vertelde nogmaals dat hij zo handelde op advies van de strafrechtadvocaat. Hierop hebben wij geweigerd de gesloten envelop aan te nemen en mee te nemen. Vervolgens hebben wij het pand verlaten.

2.6.

Op 17 januari 2006 is de heer [C] gehoord door de Nationale Recherche. [C] was van juni 1996 tot half november 2001 bestuurder PAKRA. In het proces-verbaal van dit verhoor staat onder meer en voor zover relevant het volgende opgenomen:

U zegt mij nu dat u bij First Alliance Trust bent geweest met een bevel van de officier van justitie ter uitlevering van alle dossiers m.b.t. [X] , [X Holding] en de vier reeds genoemde Nederlandse Vennootschappen. U zegt mij tevens dat door de heer [B] en mw. [A] is verteld dat zij niet beschikten over de genoemde dossiers, zij beschikten zelfs niet over kopie dossiers. Volgens [B] zouden de originele dossiers medio 2005 op verzoek van de Turkse advocaat [de Turkse advocaat] naar een adres in Parijs zijn verstuurd. U vraagt mijn reactie. Onvoorstelbaar, want als je cliënt weggaat dan hou je die stukken achter waaruit blijkt dat je de cliënt hebt geaccepteerd. Dus de eerste 2 dossiers. Je blijft verantwoordelijk voor de acceptatie van de cliënt. Dossier 3 mag worden meegenomen, zeker voor wat betreft het lopende jaar. Gebruikelijk is dan om de afgesloten jaren zelf te houden omdat jezelf daar de verantwoordelijkheid hebt. Het is tegen elke regel als men toch het hele dossier meegeeft aan een andere beheerder, zonder iets achter te houden waar jezelf verantwoordelijk voor was. Met externe regels bedoel ik de anti-witwasbepalingen en de bepalingen genoemd in de wet toezicht trustkantoren. Bovendien ben ik van mening dat dit fiscaal strafbaar is gezien de wettelijke bewaartermijn van dossiers van cliënten.

2.7.

Op 24 januari 2006 is de heer [D] gehoord door de Nationale Recherche. [D] was van juni 1996 tot half november 2001 bestuurder van PAKRA. In het proces-verbaal van dit verhoor staat onder meer en voor zover hier relevant opgenomen:

“(…) U zegt mij nu dat u met een bevel uitlevering stukken bij First Alliance Trust NV bent geweest en dat men daar verteld heeft dat men niet meer beschikt over de originele cliëntendossiers van [X] , [X Holding] en de eerder genoemde vier Nederlandse vennootschappen. Men had ook geen kopiedossiers. U vraagt mijn reactie. Ik ben verbaasd omdat ik al aangaf dat de eerste 2 dossiers minimaal er moeten zijn. Ik begrijp dat niet. Wat mij bijstaat uit de tijd dat ik bij Padt werkte is dat ook ongebruikelijk.” (p.4)

(…)

“U toont mij nu een kopie bankafschriften van rekening [rekeningnummer] ten name van Crownwell Holding BV , uw Bijlage 1, en wijst mij op de creditering van de rekening bij de opening op 13 juni 2001 door overmaking van een bedrag van $ 1.000.000 afkomstig van Padt en van Kralingen Trust (Curaçao). U vraagt naar het hoe en waarom hiervan.

Als ik dit zo zie ga ik ervan uit dat boven de Nederlandse BV de gebruikelijke Antilliaanse NV zit, een constructie die normaal is. Ik zie hier geen juridische titel als omschrijving staan bij deze overboeking. Het geld is afkomstig van Padt Curaçao, een dochter van de Nederlandse Padt . Zij deden de trustdiensten op de Antillen en het werk was uitbesteed aan ik dacht ATC Trustees op de Antillen. Gebruikelijk was de NV-BV-constructie dus een NV op de Antillen en een BV in Nederland. Ik begrijp dan ook niet waarom Patd Curaçao het geld overmaakt en niet de Antilliaanse NV of dat de omschrijving niet goed is. Gebruikelijk is dat je eerst een NV op de Antillen opricht en daarna de Nederlandse BV waarbij de NV aandeelhoudster is. Van de Nederlandse BV. Ik noem dat bij de opzet “Top down”. Het dossier moet daarover uitsluitsel geven. Het is zeer ongebruikelijk dat een Trustkantoor op deze wijze rechtstreeks geld boekt op de rekening van een cliënt. Ik kan mij niet herinneren dat er in mijn tijd bij Padt geld is gestort door Padt Curaçao als trustkantoor naar een Nederlandse cliënt BV. Dit is bijzonder en ik kan mij deze boeking niet herinneren. (p.4)”

(…)

“U toont mij nu een door u vervaardigd overzicht van voornamelijk grote bankmutaties van de vier Nederlandse vennootschappen over de periode 13 juni 2001 tot medio 2005, uw Bijlage 13 en wijst mij met name naar de transacties van Kas Associatie in juli 2001. U vraagt mij wat ik hiervan weet.

Ik begrijp van u dat dit rekeningen betreffende van Van Lanschot Bankiers. Mijn collega [C] had daar een goed contact. Het is niet vreemd dat de rekeningen hier lopen in plaats van bij de ABN Amro.

De boekingen van de Kas Associatie in juli 2001 bevreemden mij erg. Ik snap dit niet.” (p.5)

2.8.

Op 3 februari 2006 is de heer [E] gehoord door de Nationale Recherche. [E] was enig bestuurder van Jellystone BV, welke vennootschap sinds 30 september 2004 bestuurder was van PAKRA. In het proces-verbaal van dit verhoor staat onder meer en voor zover relevant het volgende opgenomen:

“(…)Na de ontvangst van uw bevel op 5 januari 2006 heb ik op 12 januari 2006 een email gestuurd naar mevrouw [F] van FAT. Mijn contactpersoon bij [de Bank ] was de heer [G] die er nu niet meer werkt. Zij heeft mij na zijn vertrek eens benaderd en daarom had ik haar benaderd in deze zaak. Ik heb de tekst van uw bevel herhaald in de email naar haar met het verzoek contact met mij op te nemen. Ik kreeg als reactie een email op 12 januari 2006 van een mevrouw [A] die mij schreef dat FAT doende was om alle dossiers bij elkaar te zoeken. Zij schreef ook dat zij contact hadden met de cliënt en de advocaat van de cliënt en dat naar aanleiding daarvan besloten was om voor FAT in haar hoedanigheid van dienstverlener van 2001 tot en met 2005 een advocaat in de arm te nemen om de positie van FAT te bepalen.

Op 19 januari 2005 heb ik met u gebeld dat ik de dossiers nog niet had. Mijn vader was overleden en ik was ziek geworden. Ik zag aankomen dat ik de door u gestelde termijn van 21 dagen niet zou halen.

Vervolgens kreeg ik op 24 januari 2006 weer een email van [A] . Ik lag toen ziek op bed. Hierin schreef zij dat na overleg met de advokaat van de cliënt door de advokaat mevr. Van der Wal besloten was dat er geen medewerking moest worden gegeven aan een getuigenverhoor door de politie. Dit verhoor kon geweigerd worden. Hierbij verwees zij naar een bijgesloten brief waarin verwezen werd naar een op 28 maart 2001 opgemaakte managements-agreement. In paragraaf 4.1 werd expliciet verwezen naar de geheimhoudingsplicht voor het Trustkantoor ten opzichte van de cliënt.(…)”

2.9.

Op 14 februari 2006 heeft de gemachtigde van FAT de verzegelde envelop alsnog aan het OM toegezonden. In de begeleidende brief heeft de gemachtigde onder meer laten weten dat een aantal vertrouwelijke documenten tussen de in de vordering genoemde vennootschappen en hun advocaten niet zal worden overgelegd. Ten aanzien van de inhoud van de verzegelde envelop heeft de raadsman laten weten dat eerst een klaagschrift ex artikel 552 Sv zal worden ingediend.

2.10.

In februari 2006 zijn door [de fiscale adviseur] en Deloitte, de fiscale adviseurs van FAT die bij deze kwestie betrokken waren, dossiers beschikbaar gesteld.

2.11.

Op 2 juni 2006 heeft de rechtbank uitspraak gedaan inzake het klaagschrift van FAT dat strekt tot teruggave van de door FAT aan het OM verstrekte documenten in de verzegelde envelop. De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard omdat – zakelijk weergegeven – de vordering tot het verstrekken van gegevens geldig is gedaan, de officier van justitie daarbij binnen zijn bevoegdheden is gebleven, het benadelingsbedrag in het rechtshulpverzoek zodanig groot is dat het geheimhoudingsbelang van FAT daarvoor dient te wijken en de officier van justitie gezien de veelvoud aan gevraagde documenten bezwaarlijk anders had kunnen handelen. De rechtbank concludeert dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.

2.12.

In het “Proces-verbaal verdenking heling/witwassen Trustkantoor” (hierna te noemen p-v verdenking) van 14 december 2006 is door de Nationale Recherche onder meer opgenomen:

Het door ons ingestelde onderzoek heeft uitgewezen dat vanuit het Trustkantoor ATC

Trustees (Curacao) NV via de bankrekening van het trustkantoor Padt en van Kralingen

Trust NV (Curacao) gelden naar Nederland zijn overgemaakt ten behoeve van de door het

Amsterdam trustkantoor Padt & Van Kralingen NV (Pakra en later overgenomen door FAT

(First Alliance Trust NV) opgerichte Nederlandse besloten vennootschappen, welke worden

genoemd in het rechtshulpverzoek. Dit is gebeurd op instigatie van de cliënt, [X] . De

verantwoordelijke accountmanager bij FAT is mevrouw [A] . Door FAT zijn in

Nederland ook bankrekeningen bij F. van Lanschot Bankiers in Nederland geopend op naam van deze Nederlandse vennootschappen. Verder hebben diverse personen van FAT,

waaronder de bestuurders [H] en [B] alsmede enkele medewerkers

waaronder [A] , [I] en [J] , diverse activiteiten en

transacties verricht. Uit de door ons geanalyseerde bankafschriften blijkt dat er gelden zijn

overgemaakt via de tussenrekening (bankrekening) van de [de Bank ] naar de

tussenrekening van de Kasbank NV . De Kasbank NV is in Nederland aangewezen als

Clearing Member voor beurstransacties van Euronext. Wij hebben vastgesteld dat noch [X Holding] , noch [X] privé noch de Nederlandse vennootschappen een effectenrekening aanhouden bij de Kasbank NV. Het overmaken van gelden naar deze rekeningen past niet in het normale bankverkeer, hoewel deze rekening wel gebruikt werd voor reguliere zakelijke transacties. De door ons als getuige gehoorde oud-bestuurders van Padt en Van Kralingen Trust, de heren [D] en [C] , verklaarden ieder voor zich doch eensluidend dat de door ons geschetste en aangetroffen situatie bijzonder ongebruikelijk, vreemd en afwijkend is van de normale gang van zaken bij een trustkantoor. Het niet meer hebben van cliëntdossiers zou “dodelijk” zijn en indruisen tegen de anti-witwasbepalingen en de Wet toezicht trustkantoren. Het vermoeden is daarom ontstaan dat FAT als trustkantoor zich mogelijk heeft schuldig gemaakt aan heling en witwassen omdat:

• FAT en/of haar bestuurders cliënt [X] opzettelijk behulpzaam is geweest om de

herkomst van bepaalde gelden te verbergen en te verhullen door de overboekingen via

de bankrekeningen van het Trustkantoor te Curaçao en Amsterdam te geleiden en

vervolgens via de tussenrekeningen van [de Bank ] en de Kasbank

te geleiden, zonder dat er sprake is van effectenrekeningen;

• FAT en/of haar bestuurders de identiteit van de rechthebbende ( [X] ) verhult. In dit

verband wordt ook verwezen naar de weigering van FAT om in eerste instantie gevolg

te geven aan de uitvoering van een door de officier van justitie gegeven vordering

verstrekking gegevens (krachtens artikel 126nd WvS). Ondanks een latere uitlevering
zijn de identificerende gegevens van de cliënt en verklaringen omtrent de herkomst

van de gelden nimmer aan politie/justitie uitgeleverd;

• FAT en/of haar bestuurders [X] behulpzaam is geweest bij het meedenken en

uitvoeren van telkens weer gewijzigde structuren waarbij buitenlandse trustkantoren

en buitenlandse rechtspersonen ten tonele zijn gevoerd;

• FAT en/of haar bestuurders gelden hebben overgeboekt naar bankrekeningen van

buitenlandse vennootschappen waarvan bij nader onderzoek er minimaal één al een

jaar daarvoor door de Engelse autoriteiten ontbonden bleek te zijn;

• FAT en/of haar bestuurders via de diverse bankrekeningen binnen de opgezette

structuur gelden hebben ontvangen en overgeboekt vanuit/naar Zwitserland, zonder

dat bekend is wie/wat de UBO en de herkomst is/zijn van deze gelden (borgstelling);

• FAT en/of haar bestuurders cliënt [X] behulpzaam zijn geweest door mee te werken

aan het veranderen van opgezette structuren door het accepteren van plotseling bekend

geworden oude privé-schulden van cliënt [X] aan een of meer vennootschappen en

deze ten laste te (laten) brengen van een of meer vennootschappen in de opgezette

Nederlandse structuur;

• FAT en/of haar bestuurders cliënt [X] behulpzaam zijn geweest door mee te werken

c.q. niet te weigeren aan het terugdraaien van jaren daarvoor gemaakte

overeenkomsten van aankoop aandelen SOM;

• FAT bij monde van bestuurder [B] liet weten zich te beroepen op het

verschoningsrecht, gelet op de vertrouwensrelatie met cliënt en ook het economische

belang van het trustkantoor boven Nederlandse wet- en regelgeving te stellen;

• FAT en/of haar bestuurders en/of medewerkers derden (oud-bestuurders) heeft

benaderd met de mededeling om geen informatie aan politiefunctionarissen te

verschaffen en niet mee te werken aan een getuigenverhoor;

• FAT daarbij de hulp van een strafrechtadvocaat aan deze derden heeft aangeboden; en

• FAT heeft vanaf de dag van uitreiking van de vordering verstrekking gegevens, de

hulp ingeroepen van bekende strafrechtadvocaten, welke door middel van het indienen

van bezwaarschriften de uitvoering van het onderzoek ernstig hebben vertraagd.

FAT laat zich in deze sturen door de Turkse gemachtigde [de Turkse advocaat] , een Turkse

advocaat, wiens kantoor en een aantal medewerkers zijn gemachtigd namens [X] op te

treden. In Nederland werden zij met name vertegenwoordigd door [… 1]

(later [… 2] ) in de persoon van mevrouw [vertegenwoordiger] .

In overleg met Deloitte accountants en belastingadviseurs is de toenmalige holdingstructuur

opgezet. Opmerkelijk in deze blijft de geldstroom, via het buitenland naar Nederland en

vervolgens weer naar Turkije. Hierbij zijn (op papier) tevens buitenlandse kredieten

geconstateerd. Eveneens is het opmerkelijk dat van de jaarrekeningen van de betrokken

vennootschappen alleen die over 2001 is opgesteld en gedeponeerd. Van de jaren daarna zijn slechts voorlopige cijfers gedeponeerd. Het lijkt er op dat de Nederlandse vennootschappen door FAT enkel zijn opgericht en gebruikt om vermogensbestanddelen buiten de Turkse rechtsmacht te brengen om zo de transacties een legaal tintje te geven. In dit kader is het volgende van belang.

De afgelopen jaren is de [de Bank ] en het trustkantoor Pakra/FAT diverse malen negatief in het nieuws geweest. De rechtbank in Amsterdam heeft de bank bij vonnis van 14 september 2005 in een civiele procedure veroordeeld wegens onrechtmatig handelen jegens beleggers. De bank was in zee gegaan met een vermogensbeheerder (Befra) die niet over de wettelijk verplichte vergunningen beschikte. Naast deze civiele procedure is er ook sprake van een strafrechtelijk onderzoek naar vermeende valse verklaringen van [de Bank ] medewerkers inzake Befra. Verder zouden er belangrijke dossiers zoek zijn. Ten slotte zouden de curatoren in het faillissement van [de Bank ] op 15 november 2006 bij justitie aangifte hebben gedaan van mogelijke fraude bij de handel in winstvenootschappen, welke werden beheerd door Padt en Van Kralingen en FAT. (…)

In het kader van dit onderzoek worden de volgende (rechts)personen als verdachte aangemerkt:
1. First Alliance Trust NV (…)
2. [B] (…)
3. [H] (…)
4. [A] (…)
5. [I] (…)
6. [K] (…)

Zij worden verdacht van (medeplichtigheid aan) de volgende feiten:

Artikel

Omschrijving

Periode

416/417bis Sr

Opzet dan wel schuldheling

01-01-2001 tot 14-12-2001

420bis/ter Sr

Witwassen (opzet/schuld)

14-12-2001 tot 04-12-2006

1, onder 2 WED

i.v.m. 10 Wtt

Onvoldoende bijhouden en/of ontbreken administratie

01-03-2004 tot 04-12-2006


FAT wordt ook verweten dat zij als trustkantoor niet de zorgvuldigheid en de wettelijke verplichtingen in acht heeft genomen die zij heeft op grond van de diverse bepalingen gesteld in de Wet Toezicht Trustkantoren. Deze wet is speciaal in het leven geroepen om de integriteit van het financiële stelsel te bevorderen. De wet moet een bijdrage leveren aan het tegengaan van witwassen van misdaadgeld via in Nederland gevestigde rechtspersonen en vennootschappen. Dit is van groot belang ter bescherming van de goede reputatie van de Nederlandse financiele sector. Zo heeft FAT bij monde van de verdachte [B] bij de overhandiging van de vordering verstrekking gegevens aangegeven géén dossiers meer te hebben en het economische belang van het trustkantoor boven Nederlandse wet en regelgeving te stellen. Bij een latere uitlevering zijn de identificerende gegevens van de cliënt niet uitgeleverd alsmede verklaringen omtrent de herkomst van de gelden. Ten slotte heeft FAT als trustkantoor opzettelijk het onderzoek van politie en justitie gedwarsboomd door getuigen te bewegen geen verklaringen als getuige af te leggen en door het telkenmale indienen van bezwaarschriften tegen handelingen van politie/justitie. FAT is in het bezit van een (tijdelijke) vergunning van De Nederlandse Bank (DNB) die bij wet is aangewezen als toezichthouder in deze en zelfstandig (dwang)maatregelen kan treffen.

(…)

In verband met de hiervoor beschreven verdenkingen wordt de officier van justitie gevraagd:

  • -

    Toestemming te verlenen tot aanhouding buiten heterdaad ter zake heling en witwassen van de verdachten 2 tot en met 6;

  • -

    Doorzoeking ter inbeslagneming uit te voeren in de kantoorruimte van FAT, [adres 1] , waarbij gezocht moet worden naar alle nog aanwezige informatie(dragers) betrekking hebbende op het dossier [Bank I] / [X] , de identificerende gegevens, over de herkomst van de gelden, bewijzen van verzenden van de dossiers via een koeriersdienst (verklaring [B] ), e-mail verkeer, agenda’s en overige van belang zijnde stukken/goederen.

  • -

    Bij de rechter-commissaris te [plaats 1] en [plaats 2] te vorderen dat een doorzoeking verricht kan worden in de woningen van de verdachten:
    - [A] (…)
    - [K] (…)

(…)

2.13.

Op 24 januari 2007 heeft de rechter-commissaris een machtiging verleend voor de doorzoeking van de woningen van voornoemde [A] en [K] .

2.14.

Op 6 februari 2007 heeft de officier van justitie de kantoren van FAT doorzocht. Blijkens proces-verbaal van de doorzoeking werd deze om 8.50 uur geopend en om 16.40 uur beëindigd en gesloten. Op diezelfde dag zijn ook de woningen van [A] en [K] doorzocht.

2.15.

Op 6 februari 2007 om 8.58 uur is op de internetsite van de Volkskrant een artikel gepubliceerd waarin onder meer melding wordt gemaakt van de doorzoeking in de kantoren van FAT, de strafbare feiten waar FAT van wordt verdacht en van het Turkse onderzoek naar [X] . Ook heeft de Volkskrant daags na de doorzoeking artikelen over de doorzoeking bij FAT gepubliceerd.

2.16.

Op 31 augustus 2007 heeft de officier van justitie een verzoek gedaan tot het openen van een gerechtelijk vooronderzoek naar FAT. Dit verzoek is door de rechter-commissaris toegewezen.

2.17.

Op 11 maart 2008 heeft de rechtbank Rotterdam verklaard dat de strafvervolging jegens [A] en [K] is beëindigd.

2.18.

Op 29 april 2008 is het Turkse rechtshulpverzoek ingetrokken.

2.19.

Op 9 juli 2008 heeft de officier van justitie aan de gemachtigde van FAT laten weten dat de strafzaak tegen FAT is geseponeerd met toepassing van sepotcode 20. Sepotcode 20 betekent “anders dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleert”.

2.20.

FAT heeft hiertegen een klacht ingediend en verzocht om de sepotcode te wijzigen in primair 01 (onterecht als verdachte aangemerkt) en subsidiair 02 (wettig en overtuigend bewijs ontbreekt). De hoofdofficier van justitie heeft op deze klacht een uitspraak gedaan. Hij concludeert – zakelijk weergegeven – dat jegens FAT op alle punten een redelijke verdenking bestond, maar dat de sepotcode 20 niet juist was. Hij heeft een nieuwe sepotbeslissing genomen en daarbij ten aanzien van alle verdenkingen sepotcode 02 toegepast.

3 Het geschil

3.1.

FAT c.s. vordert dat de Rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad,

1. voor recht verklaart dat de Staat jegens FAT c.s. onrechtmatig heeft gehandeld en voorts de Staat veroordeelt tot schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

2. de Staat veroordeelt tot betaling aan FAT c.s. van een voorschot op de schadevergoeding groot € 500.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van het in dezen te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening;

3. de Staat veroordeelt tot vergoeding aan FAT c.s. van de buitengerechtelijke kosten groot € 5.275,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

4. de Staat veroordeelt tot vergoeding aan FAT c.s. van de proceskosten, de nakosten ad € 131,- bij niet-betekening en € 199,- bij betekening daaronder begrepen, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente, indien deze proceskosten niet uiterlijk binnen twee weken na het in dezen te wijzen vonnis zullen zijn betaald, zulks tot aan de dag er algehele voldoening.

3.2.

FAT legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door op 6 februari 2007 de kantoren van FAT te doorzoeken. FAT c.s. heeft als gevolg daarvan schade geleden. FAT stelt dat het OM – en daarmee de Staat – met de doorzoeking heeft gehandeld in strijd met publiekrechtelijke rechtsnormen. FAT betoogt in dit verband ten eerste dat ten tijde van de doorzoeking jegens FAT geen redelijk vermoeden van schuld bestond ten aanzien van enig strafbaar feit. Voorts had het OM niet het primaat tot vervolging en voor zover het OM dat wel had, had het OM het onderzoek moeten toewijzen aan het Functioneel Parket en niet aan het Landelijk Parket. Het onderzoek van het OM is voorts vanaf het begin onvoldoende geweest, niet voortvarend en heeft tot een verkeerde voorstelling van zaken geleid. Ook heeft het OM ten onrechte geen onderzoek à décharge gedaan. FAT had als trustkantoor een groot belang bij rust en vertrouwen, zodat de keuze voor een doorzoeking in de gegeven omstandigheden disproportioneel was. Achteraf moet bovendien worden geconcludeerd dat FAT onschuldig is gebleken ten aanzien van de verdenkingen van de strafbare feiten, zodat de doorzoeking ook op die grond onrechtmatig moet worden geacht. Tot slot heeft het OM voorafgaand aan de doorzoeking gelekt naar de pers, hetgeen eveneens onrechtmatig is, nu FAT een trustkantoor is en valt of staat bij vertrouwen dat er in haar wordt gesteld. Een doorzoeking doet daar afbreuk aan.

3.3.

De overige eisers leggen eveneens een onrechtmatige daad van de Staat aan hun vordering ten grondslag. Zij stellen dat de doorzoeking niet alleen onrechtmatig is geweest jegens FAT, maar ook jegens hen. Eiseressen sub 2, 3 en 4 waren aandeelhouders van NMT Holding BV. NMT Holding BV was op haar beurt aandeelhouder van FAT en is vanwege de doorzoeking failliet gegaan. Eiseressen sub 2, 3 en 5 hadden leningen uitstaan aan NMT Holding BV, welke leningen als gevolg van het faillissement van NMT Holding BV oninbaar zijn geworden. NMT Holding BV heeft haar vordering tot schadevergoeding gecedeerd aan eiseres sub 2. Ten slotte heeft ook eiser sub 6 schade geleden als directeur-groot aandeelhouder van FAT, NMT Holding BV, eiseres sub 2 en eiseres sub 4. Omdat het OM weet had, althans weet had behoren te hebben van de ondernemingsrechtelijke structuur van FAT, had het OM ook behoren te weten dat de overige eisers gelet op de bijzondere aspecten van de trustwereld als gevolg van de doorzoeking en als gevolg van het lekken naar de pers aanzienlijke schade zouden lijden. Door toch aldus te handelen, heeft het OM jegens eisers sub 2 tot en met 6 niet de vereiste zorgvuldigheid in acht genomen die in het maatschappelijk verkeer betaamt en is de Staat aansprakelijk voor de door eisers sub 2 tot en met 6 geleden schade. Subsidiair stellen eisers sub 2 tot en met 6 dat ook als wordt geoordeeld dat het optreden van de Staat jegens FAT rechtmatig is geweest, de Staat jegens hen aansprakelijk is, omdat zij als derden als gevolg van de doorzoeking onevenredige schade lijden die niet onder het normale maatschappelijk risico van deze partijen valt.

3.4.

De Staat betwist de stellingen van FAT c.s. en voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Vorderingen FAT

Juridisch kader in verband met de vordering tot schadevergoeding wegens strafrechtelijk optreden

4.1.

Naar vaste rechtspraak kan een voormalige verdachte in een civielrechtelijke procedure op grond van onrechtmatige overheidsdaad van de Staat vergoeding vorderen van de schade die hij als gevolg van strafrechtelijk optreden van politie en justitie heeft geleden, indien vanaf aanvang af een rechtvaardiging voor dat optreden heeft ontbroken doordat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht, waaronder het geval dat van de aanvang af een redelijk vermoeden van schuld heeft ontbroken (de zogenoemde a-grond) en indien achteraf blijkt van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop dat optreden berustte en hij aldus ten onrechte als verdachte is aangemerkt (de zogenoemde b-grond) (HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956 (Begaclaim).

4.2.

Ter zake van de beoordeling van de a-grond geldt dat de vraag of ten aanzien van het optreden van politie of justitie een toereikende publiekrechtelijke grondslag bestond
- waartoe ten minste is vereist dat sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit in de zin van art. 27 Sv - beoordeeld moet worden naar het tijdstip waarop dat optreden plaats heeft. Een dergelijk vermoeden kan het instellen van een strafvervolging rechtvaardigen, ook indien bijvoorbeeld in verband met onzekerheid met betrekking tot de reikwijdte van de betrokken strafbepaling, niet bij voorbaat vaststaat dat een veroordeling zal kunnen volgen. Slechts als bij voorbaat vaststaat dat geen veroordeling zal kunnen volgen of in redelijkheid niet kan worden betwijfeld dat het betrokken feitencomplex buiten het bereik van de strafbepaling valt waarop de tenlastelegging is toegesneden, is het instellen van een strafvervolging niet gerechtvaardigd en dus onrechtmatig. Dit brengt tevens mee dat als in het verdere verloop van de strafrechtelijke procedure blijkt dat het OM bij zijn beslissing tot vervolging over te gaan, is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent een of meer van de in de delictsomschrijving opgenomen bestanddelen, zulks niet zonder meer voor risico van de Staat is.

4.3.

Bij de beantwoording van de vraag of de verdenking achteraf onterecht heeft bestaan, dient de civiele rechter een restrictief criterium toe te passen. In het geval een beoordeling door de strafrechter achterwege is gebleven ten gevolge van een sepot, dient de civiele rechter te beoordelen of uit het strafdossier blijkt van de (volledige) onschuld van de gewezen verdachte. Een sepot vanwege onvoldoende wettig bewijs leidt op zichzelf genomen niet tot de conclusie dat de onschuld bewezen is. Op de gewezen verdachte rust de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van zijn uit het strafdossier af te leiden onschuld en daarmee ten aanzien van de onrechtmatigheid van het handelen van de Staat (vgl. HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956 (Begaclaim), HR 29 april 1994, ECLI:NL:HR: 1994:ZC1355 en HR 21 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5593, HR 14 januari 2005, NJ 2005, 346).

4.4.

Uit de rechtspraak volgt dat het criterium van de gebleken onschuld een strenge maatstaf is. In wezen komt deze maatstaf erop neer dat slechts dan kan worden gezegd dat de onschuld blijkt, wanneer daarover hetzij melding is gemaakt in bijvoorbeeld het vrijsprekend vonnis, dan wel wanneer daarover op basis van de relevante stukken geen redelijke twijfel mogelijk is. Voorbeelden zijn de situaties waarin vast komt te staan dat de politie ‘de verkeerde te pakken had’ (bijvoorbeeld omdat de verdachte een sluitend alibi heeft of zonder twijfel vaststaat dat een ander de dader was) of dat (achteraf) helemaal geen strafbaar feit gepleegd blijkt te zijn, bijvoorbeeld omdat de aangifte waarop de verdenking berustte vals blijkt te zijn (vgl. conclusie A-G Langemeijer voor HR 12 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2668 en conclusie A-G Spier voor HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR1522).

4.5.

De achtergrond van deze strenge maatstaf is onder meer, dat niet kan worden aanvaard dat de Staat risicoaansprakelijkheid draagt voor het gebruik van strafvorderlijke dwangmiddelen. Burgers dienen tot op zekere hoogte te accepteren dat in het geval van een gegronde verdenking strafrechtelijke dwangmiddelen tegen hen kunnen worden ingezet, ook indien de strafvervolging uiteindelijk niet tot een veroordeling leidt. Daarnaast is in de rechtspraak in aanmerking genomen dat in het Wetboek van Strafvordering al mogelijkheden tot schadevergoeding en vergoeding van kosten, zij het beperkte, zijn opgenomen, waarop de voormalige verdachte is aangewezen (vgl. HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956).

De a-grond:

Gesloten stelsel van rechtsmiddelen:

4.6.

De Staat voert ten aanzien van de a-grond als meest verstrekkende verweer aan dat de beoordeling van de rechtbank afstuit op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Hij voert daartoe aan dat voorafgaand aan de doorzoeking bij FAT, de rechter-commissaris toestemming heeft verleend voor gelijktijdige doorzoekingen in de woningen van de medeverdachten. De doorzoeking bij FAT berust op dezelfde gronden. Kort hierna is de verdenking tegen de overige verdachten wederom getoetst door de rechter-commissaris in het kader van de inverzekeringstelling en ook toen voldoende zwaar bevonden. In het kader van de opening van een gerechtelijk vooronderzoek zijn de verdenkingen jegens FAT en de overige verdachten nogmaals getoetst en ook toen oordeelde de rechter dat de verdenking voldoende zwaar was voor een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Sv, aldus de Staat. Dit leidt ertoe dat de strafrechter zich in de ogen van de Staat reeds over de rechtmatigheid van de doorzoeking heeft gebogen en het de rechtbank thans niet is toegestaan opnieuw de rechtmatigheid te beoordelen.

4.7.

De rechtbank overweegt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen beoogt te beschermen tegen de situatie dat twee verschillende rechters over één en dezelfde kwestie een verschillend oordeel vormen voor wat betreft de rechtmatigheid. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake. Het staat immers vast dat de doorzoeking bij FAT vooraf noch achteraf is getoetst door een strafrechter. Slechts de doorzoeking bij een tweetal privépersonen is door de strafrechter getoetst, alsmede de opening van een gerechtelijk vooronderzoek. Dat het onderwerp van toetsing door deze rechtbank raakvlakken heeft met het onderwerp van toetsing door de strafrechter doet daar niet aan af. De toetsing vooraf van de doorzoeking betrof niet FAT en de toetsing van het gerechtelijk vooronderzoek is gedaan een half jaar na de doorzoeking bij FAT en vond plaats mede op basis van het onderzoek dat het OM na de doorzoeking heeft gedaan. Die toetsing kan om die reden al niet worden gelijkgesteld met de toetsing die thans aan deze rechtbank wordt verzocht. Met FAT c.s. is de rechtbank dan ook van oordeel dat dit verweer van de Staat faalt. De rechtbank is daarom zowel in het kader van de a-grond als in het kader van de b-grond gehouden om te oordelen over de gestelde onrechtmatigheid.

Schending van publiekrechtelijk rechtsnormen

4.8.

De rechtbank zal eerst de door FAT in het kader van de a-grond gestelde publiekrechtelijke normschendingen behandelen die er volgens FAT mede toe hebben geleid dat het OM tot de doorzoeking van 6 februari 2007 is overgegaan. Daarna zal de rechtbank de stelling beoordelen dat er op het moment van die doorzoeking geen redelijk vermoeden van schuld bestond en dat die doorzoeking disproportioneel was.

4.9.

FAT stelt als eerste publiekrechtelijke normschending dat de financieel toezichthouder, de Nederlandse Bank, het primaat had om tot vervolging over te gaan en niet het OM. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft FAT zich ter zitting beroepen op twee convenanten, namelijk het Convenant ter voorkoming van ongeoorloofde samenloop van bestuurlijke en strafrechtelijke sancties van 1 december 2008 (Stcrt 2009 nr. 9) en het Convenant bestuurlijke boeten en strafrechtelijke sancties van 30 juni 2004 (Stcrt 6 juli 2004, nr. 126). Volgens FAT volgt uit de artikelen 2 en 3 van de beide convenanten dat het primaat voor onderzoek en bestuurs(straf)rechtelijke afdoening ligt bij de toezichthouder, in casu de Nederlandse Bank, die daartoe ook beter is geëquipeerd dan het OM. Dit zou bij een eventuele vervolging volgens FAT tot de niet-ontvankelijkheid van het OM moeten leiden. FAT stelt in de tweede plaats dat het OM zich bij de uitvoering van het rechtshulpverzoek op de verkeerde vennootschap heeft gericht, omdat het rechtshulpverzoek melding maakt van de vennootschap FAT op de Nederlandse Antillen en niet van vennootschap FAT in Amsterdam.

In de derde plaats betoogt FAT dat het OM ten onrechte het Landelijk Parket met het onderzoek heeft belast in plaats van het Functioneel Parket. Het Functioneel Parket zou daartoe beter toegerust zijn. Bij het Landelijk Parket ontbreekt de expertise om de feiten te onderzoeken ten aanzien waarvan de verdenking bestond en onderzoek door het Functioneel Parket zou nooit tot de doorzoeking hebben geleid, aldus FAT.

Ten slotte stelt FAT dat het OM ten onrechte geen onderzoek à décharge heeft verricht alvorens tot de doorzoeking over te gaan.

4.10.

De rechtbank volgt FAT niet in deze stellingen. Voor wat betreft de vraag of het primaat voor onderzoek elders lag dan bij het OM, gold om te beginnen ten tijde van het onderzoek en de doorzoeking in 2007 het convenant van 2008 nog niet. De rechtbank zal daarom de stelling van FAT beoordelen in het licht van de inhoud van het convenant van 2004. Dit convenant beoogt de wijze van afdoening van strafbare feiten in het kader van financiële toezichtwetgeving, waarvoor verschillende toezichthoudende en met opsporingsbevoegdheden belaste instanties bestaan, onderling af te stemmen alvorens daadwerkelijk tot vervolging wordt overgegaan. Zoals de Staat terecht heeft betoogd en anders dan FAT stelt, wordt in het convenant het primaat niet bij de toezichthouder gelegd. Het convenant regelt slechts dat de toezichthoudende en opsporingsbevoegde instanties beslissingen omtrent afdoening van te voren afstemmen en elkaar daartoe informatie verstrekken en tijdig met elkaar in overleg treden. Van een verplichting van een toezichthoudende instantie om tot bestuursrechtelijke afdoening over te gaan of een verbod aan een opsporingsinstantie om tot opsporing over te gaan is geen sprake. Bovendien beoogt het convenant slechts de samenwerking tussen instanties te coördineren, indien financiële toezichtwetgeving tot een samenloop van bevoegdheden leidt. De verdenkingen tegen FAT betroffen echter niet alleen handelingen in strijd met financiële toezichtwetgeving, maar – zo volgt uit het proces-verbaal van verdenking van 14 december 2006 – ook handelingen in strijd met de artikelen 416/417bis (witwassen) en 420bis/ter Sr (heling). Het OM had ten aanzien van deze verdenkingen als enige onderzoeks- en opsporingsbevoegdheden, zodat de stellingen van FAT ook om die reden niet slagen.

4.11.

Voor wat betreft de te onderzoeken vennootschap overweegt de rechtbank dat, hoewel op pagina 6 van het rechtshulpverzoek inderdaad de vennootschap FAT in Willemstad wordt genoemd als één van de vennootschappen waarmee de [X] Groep verband zou houden, onder 2.6 van het rechtshulpverzoek de vennootschappen PAKRA en FAT op het adres [adres 2] staan beschreven. Daarbij wordt de vraag gesteld aan welke bedrijven door deze twee vennootschappen advies wordt verleend. Dat het OM de vordering ex artikel 126nd Sv aan FAT in Amsterdam heeft uitgereikt is daarom niet onbegrijpelijk en kan in ieder geval niet leiden tot de conclusie dat het OM zich enkel tot FAT in Curaçao had mogen richten.

4.12.

Ten aanzien van de stelling dat het OM het Functioneel Parket met dit onderzoek had moeten belasten is de rechtbank met de Staat van oordeel dat geen rechtsregel bestaat die het OM hiertoe verplichtte. Het OM heeft binnen de grenzen van de wet beleidsvrijheid om een onderzoek toe te wijzen aan het Landelijk Parket. Het OM heeft voorts onbetwist gesteld dat het Landelijk Parket onder meer gespecialiseerd is in (internationale) fraudezaken, dergelijke zaken ook tot haar takenpakket heeft en zich in het onderhavige onderzoek bovendien heeft laten bijstaan door het gespecialiseerde Team Financiële en Digitale Recherche van de KLPD, zodat ook om die reden niet kan worden geconcludeerd dat het onderzoek door een ondeskundig parket is verricht. Ten slotte kan ook uit de stellingen van FAT niet worden afgeleid dat de in de verhoren gestelde vragen blijk geven van ondeskundigheid.

4.13.

Ten aanzien van de stelling dat het OM ten onrechte geen onderzoek à décharche heeft verricht overweegt de rechtbank als volgt. De Staat heeft er terecht op gewezen dat politie en justitie onpartijdig dienen te zijn bij hun onderzoek en dat zij in het kader van de waarheidsvinding dienen na te gaan wat er is gebeurd en wie daarvoor verantwoordelijk is. Uit het opsporingsonderzoek kan zowel ontlastend als belastend bewijsmateriaal komen, dat beide in het dossier dient te worden gevoegd. Daaruit volgt echter niet dat er een verplichting zou bestaan voor het OM om onderzoek à décharge te doen (nog daargelaten dat FAT niet heeft aangegeven waaruit dat specifieke onderzoek à décharge in dit concrete geval zou hebben moeten bestaan). Niet valt in te zien welke publiekrechtelijke regel voor het OM een verplichting in het leven roept om een dergelijk onderzoek te verrichten en evenmin waarom het niet-verrichten van een onderzoek a décharge anderszins onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW.


▪ Redelijk vermoeden van schuld:

4.14.

Ter onderbouwing van haar stelling dat geen redelijk vermoeden van schuld bestond ten tijde van de doorzoeking, heeft FAT in de eerste plaats aangevoerd dat zij in 2006 volledig heeft voldaan aan de vordering ex 126nd Sv. Er is door het OM nooit gevraagd om cliëntdossiers, zodat FAT ook niet gehouden was om die te verstrekken. Van het door het OM gestelde ‘niet meewerken’ is dan ook nimmer sprake geweest en dit kon geen reden kon zijn om te vermoeden dat zich bij FAT strafbare feiten voordeden, aldus FAT. Daarnaast kon het OM aan de door FAT verstrekte administratie evenmin een dergelijke conclusie verbinden. De werkwijze van FAT, de door het OM onderzochte transacties en de opgezette vennootschapsstructuren waren normaal in de internationale trustwereld en konden niet leiden tot het vermoeden dat strafbare feiten waren gepleegd. Ten slotte moet ook uit de afloop van het strafrechtelijk onderzoek naar FAT en van dat naar haar medewerkers, alsmede uit de wijze waarop de procedure in Turkije tegen [X] is geëindigd worden geconcludeerd dat de verdenking van FAT vanaf het begin op los zand is gebaseerd.

4.15.

De rechtbank stelt voorop dat uit het hierboven aangehaalde Begaclaim-arrest volgt dat voor onrechtmatig handelen van de Staat in het kader van de a-grond niet voldoende is dat een opsporingshandeling niet tot een vervolging heeft geleid vanwege een gebrek aan bewijs of omdat een bepaald handelen achteraf niet onder reikwijdte van een delictsomschrijving blijkt te vallen. Er kan in dit kader pas sprake zijn van een onrechtmatig handelen van het OM als “bij voorbaat vaststaat dat geen veroordeling zal kunnen volgen of in redelijkheid niet kan worden betwijfeld dat het betrokken feitencomplex buiten het bereik van de strafbepaling valt waarop de tenlastelegging is toegesneden”. Het is aan FAT om in het kader van de a-grond feiten te stellen die ook tot die specifieke conclusie kunnen leiden.

4.16.

FAT hecht, blijkens haar stellingen, in dit verband veel belang aan de wijze waarop de strafzaak tegen [X] in Turkije is verlopen, hoe de strafzaak tegen de werknemers van FAT is verlopen en aan het feit dat er jegens FAT zelf uiteindelijk geen vervolging is ingesteld. Bepalend is echter of het OM op 6 februari 2007 een zelfstandige verdenking jegens FAT kon koesteren, waarbij de rechtbank benadrukt dat het in casu niet alleen ging om een vermoeden van witwassen, maar ook om een vermoeden van heling en om een vermoeden van het onvoldoende bijhouden en/of het ontbreken van administratie, hetgeen eveneens strafbaar is. In het kader van de toetsing aan de a-grond zal de rechtbank dan ook voorbij gaan aan de stellingen van FAT die zien op het verloop van de strafprocedure tegen [X] in Turkije of die zien op zaken van na de doorzoeking op 6 februari 2007.

4.17.

De rechtbank overweegt dat in het proces-verbaal verdenking elf gedragingen en handelwijzen zijn vermeld op basis waarvan het vermoeden bij het OM is ontstaan dat FAT zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan heling en witwassen. Slechts de laatste vier daarvan hebben betrekking op de 126nd Sv vordering. Zowel in het proces-verbaal verdenking zelf als in de processtukken van de Staat is toegelicht dat en waarom de overige in het proces-verbaal verdenking vermelde gedragingen/handelswijzen, mede gelet op de internationaal gehanteerde typologieën voor witwassen, een vermoeden van witwassen opleveren. De Staat wijst in dit verband onder meer op het gebruik van bankrekeningen van trustbedrijven en van andere derden voor het doen van overboekingen, hetgeen erop kan wijzen dat de herkomst van gelden en de identiteit van de bij de transactie betrokken partijen worden verhuld. Ook wijst de Staat op het meerdere malen voorstellen en wijzigen van vennootschapsstructuren, het voorstellen en/of uitvoeren van transacties met vennootschappen waarvan niet bekend is wie de uiteindelijke begunstigde is en het door de vennootschappen onder beheer van FAT verstrekken van leningen en het verrichten van uitbetalingen ter zake daarvan, terwijl die leningen niet of pas veel later werden gedocumenteerd. Dit alles kan volgens de Staat wijzen op witwassen. De Staat wijst voorts op het feit dat het ontbreken van de bepaalde dossiers in de administratie van FAT op het moment dat zij diende te voldoen aan de vordering ex 126nd Sv, erop kon wijzen dat FAT haar verplichtingen uit hoofde van de Wet Toezicht Trustkantoren (WTT) niet nakwam, hetgeen op zichzelf al een economisch delict is.

Deze verdenkingen van het OM vinden bovendien steun in de verklaring van [D] . Deze heeft, zoals hierboven onder 2.7 is weergegeven, verklaard niet te begrijpen waarom bepaalde overboekingen hebben plaatsgevonden via een rekening van een trustkantoor. Hij heeft verklaard dat het zeer ongebruikelijk is dat een trustkantoor op die manier rechtstreeks geld overboekt naar een rekening van een cliënt.

FAT heeft hiertegenover slechts in algemene zin betoogd dat de in het proces-verbaal verdenkingen genoemde gedragingen in de trustwereld heel gebruikelijk zijn. FAT heeft tegenover het gemotiveerde betoog van de Staat onvoldoende gesteld en onderbouwd dat en waarom de verdenkingen dermate ongefundeerd waren dat al bij voorbaat vaststond dat geen veroordeling zou kunnen volgen of in redelijkheid niet kon worden betwijfeld dat de betreffende gedragingen geen heling of witwassen konden opleveren. Ook de door FAT overgelegde “kladaantekeningen” met betrekking tot het hanteren van tussenrekeningen en geldstromen zijn daartoe niet voldoende. Nog daargelaten dat daarin niet alle bovengenoemde elf gedragingen aan de orde komen, volgt ook uit die kladaantekeningen niet dat de verdenkingen zo ongefundeerd waren, dat al bij voorbaat vaststond dat geen veroordeling zou kunnen volgen of in redelijkheid niet kon worden betwijfeld dat de betreffende gedragingen geen heling of witwassen zouden kunnen opleveren. Nu FAT op dit punt niet aan haar substantiëringsplicht heeft voldaan, is er geen aanleiding om het aanbod tot deskundigenbewijs van FAT te honoreren.

4.18.

Ten aanzien van het al dan niet meewerken aan de vordering ex artikel 126nd Sv overweegt de rechtbank met de Staat dat uit de inhoud van het “proces-verbaal van bevinding uitlevering” (hiervoor weergegeven onder 2.5) volgt dat het OM FAT heeft verzocht om uitlevering van alle opgeslagen en vastgelegde gegevens (dossiers) van alle in relatie tot [X] en [X Holding] staande vennootschappen die een rol speelden in het rechtshulpverzoek. De stelling van FAT dat niet om de compliance dossiers is gevraagd en dat het daarom ook niet vreemd is dat die niet zijn verstrekt, kan alleen om die reden al geen stand houden. Er is om alle gegevens verzocht door het OM. Het staat vast dat FAT begin 2006 niet alle volledige cliëntdossiers heeft verstrekt.

4.19.

Voorts heeft de heer [E] blijkens het proces-verbaal van verhoor van 3 februari 2006 aan de politie verklaard dat mevrouw [A] hem per e-mail van 24 januari 2006 had verzocht om niet mee te werken aan een verhoor door de politie, omdat dit in strijd zou zijn met een clausule in een managementovereenkomst met de bij FAT onder beheer staande vennootschappen, terwijl de Staat onweersproken heeft aangevoerd dat uit de tekst van de managementovereenkomst volgt dat FAT juist geen geheimhoudingsplicht heeft indien de wet haar verplicht tot het geven van informatie.

4.20.

Hoewel FAT het recht had om juridisch advies in te winnen inzake de vordering ex 126nd Sv en het inroepen van juridisch advies op zichzelf genomen niet leidt tot een verdenking van het plegen van strafbare feiten, is het gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk dat de wijze waarop FAT op de vordering ex artikel 126nd Sv heeft gereageerd, in combinatie met hetgeen uit de verklaringen van de heren [E] , [C] en [D] naar voren kwam, heeft bijgedragen aan de beslissing van het OM de activiteiten van FAT nader onder de loep te nemen, alsmede dat dit heeft bijgedragen aan de jegens FAT gerezen verdenkingen. Met name gezien de afgelegde verklaringen van [E] , [C] en [D] kan in ieder geval niet de conclusie worden getrokken dat ten aanzien van de verdenking van het OM inzake het onvoldoende bijhouden en/of ontbreken van administratie in zin van artikel 1 onder 2 WED in verband met artikel 10 WTT bij voorbaat vaststond dat geen veroordeling zou kunnen volgen of in redelijkheid niet kon worden betwijfeld dat het betrokken feitencomplex buiten het bereik van de strafbepaling viel ten aanzien waarvan de verdenking bestond.

4.21.

De rechtbank concludeert dat de stelling van FAT, dat voorafgaand aan de doorzoeking ten aanzien van de in het proces-verbaal van verdenking opgesomde verdenkingen geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, faalt.

4.22.

Ten aanzien van de stelling dat de doorzoeking een buitenproportioneel middel is geweest gelet op de bijzondere positie en belangen van FAT als groot internationaal trustkantoor overweegt de rechtbank als volgt. Het OM bepaalt in beginsel zelf of het tot het inzetten van zijn opsporingsbevoegdheden over gaat. Bij de keuze uit de hem ten dienste staande bevoegdheden heeft het OM in beginsel evenzeer beleidsvrijheid. Zoals hiervoor overwogen is niet vast komen te staan dat het OM FAT niet als verdachte mocht zien voor de strafbare feiten die in het proces-verbaal van verdenkingen staan beschreven. Hieruit volgt dat het OM dus ook bevoegd was om gebruik te maken van zijn bevoegdheden in het kader van opsporing, waaronder ook de mogelijkheid tot doorzoeking. De rechtbank volgt FAT niet in haar stelling dat een schriftelijk verzoek tot het leveren van informatie net zo effectief zou zijn geweest ter verkrijging van informatie over mogelijke strafbare feiten. Er is op die manier immers geen enkele manier voor het OM om te controleren of alle relevante informatie wel wordt overgelegd. Ook het alternatief van een doorzoeking in de kantoren van de cliënten van FAT kan niet worden gezien als een verplichting die het OM in het kader van proportionaliteit had. Die cliënten waren immers geen verdachten en de rechtbank ziet niet in waarom het OM had moeten vermoeden dat eventuele informatie over door FAT gepleegde strafbare feiten zich juist en alleen bij haar cliënten zou moeten bevinden. De stellingen van FAT in dit kader leiden daarom niet tot het oordeel dat er voor het OM een minder vergaand alternatief bestond dan een doorzoeking bij FAT, laat staan dat het OM een verplichting tot het toepassen van een dergelijk alternatief heeft geschonden. Dat FAT als internationaal trustkantoor behoefte had aan rust en vertrouwen speelt onder die omstandigheden geen rol.

4.23.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat het beroep van FAT op de a-grond niet slaagt.

De b-grond:

4.24.

Ten aanzien van de b-grond stelt FAT dat zowel uit de afloop van het onderzoek naar [X] en de [X] -groep in Turkije, als uit de beslissingen van het OM om het onderzoek naar FAT en haar medewerkers in Nederland te seponeren moet worden geconcludeerd dat FAT onschuldig was ten aanzien van alle verdenkingen. FAT handhaaft haar stelling dat het OM sepotcode 01 had moeten hanteren in plaats van 02. Voor één van de medeverdachten heeft zelfs te gelden dat na een beslissing van de Nationale Ombudsman de sepotcode ook daadwerkelijk is gewijzigd in 01, aldus FAT.

4.25.

De rechtbank overweegt dat voor het aannemen van aansprakelijkheid onder de b-grond slechts plaats is indien uit de uitspraak van de strafrechter, of anderszins uit het strafdossier ten aanzien van de gewezen verdachte blijkt dat hij of zij onschuldig is.

Anders dan FAT betoogt, is niet voldoende dat het OM vanwege een gebrek aan bewijs uiteindelijk niet tot vervolging is overgegaan van FAT of van andere verdachten. Zoals hiervoor onder 4.4 is overwogen houdt de door de rechtbank aan te houden maatstaf in dat over de volledige onschuld van de gewezen verdachte op basis van de stukken van het strafdossier geen redelijke twijfel mogelijk is. De rechtbank is met de Staat van oordeel dat aan die maatstaf niet is voldaan. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.26.

In de zaak tegen FAT is door de Nederlandse strafrechter geen uitspraak gedaan over de onschuld van FAT en evenmin kan die conclusie worden getrokken uit de inhoud van het strafdossier. Uit het strafdossier van FAT volgt niet dat er geen redelijke twijfel mogelijk is ten aanzien van de onschuld van FAT aan alle tegengeworpen verdenkingen. Ook uit de afloop van de procedure tegen [X] volgt de onschuld van FAT niet. De verdenkingen jegens FAT zijn immers zelfstandige verdenkingen die zijn gerezen naar aanleiding van het onderzoek dat door het OM is gedaan en naar aanleiding van de door Deloitte en [de fiscale adviseur] beschikbaar gestelde dossiers.

4.27.

De rechtbank concludeert dat het beroep van FAT op de b-grond niet slaagt.

Lekken naar de pers

4.28.

FAT voert voorts aan dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door te lekken naar de pers voorafgaand aan de doorzoeking bij FAT. FAT stelt dat niet alleen in de hiervoor onder 2.15 opgenomen publicaties aandacht werd besteed aan de doorzoeking en het strafrechtelijk onderzoek, maar dat ook op televisie beelden te zien waren van de doorzoeking en dat op internet meerdere websites aandacht aan de doorzoeking hebben besteed. FAT stelt dat uit diverse omstandigheden volgt dat het OM ervoor verantwoordelijk is dat de pers bekend was met de doorzoeking en het strafrechtelijk onderzoek. Dit volgt volgens FAT uit het korte tijdsbestek tussen de doorzoeking en de eerste publicatie van de Volkskrant op internet en de specifieke informatie die in die publicaties stond. Het OM was voorafgaand aan de doorzoeking de enige partij die weet had van de doorzoeking en van de reden van de doorzoeking en was dus ook de enige partij die de pers vooraf kan hebben ingelicht, aldus FAT. FAT is van mening dat gelet op deze omstandigheden een omkering van de bewijslast van de stelling dat het OM heeft gelekt op zijn plaats is, althans in ieder geval het aannemen een rechtsvermoeden van het bewijs van die stelling. De Staat heeft betwist dat er door het OM of door personen voor wie het OM verantwoordelijk is gelekt is. De Staat heeft subsidiair het causale verband tussen het gestelde lekken en door FAT daardoor gestelde geleden schade betwist.

4.29.

De rechtbank overweegt dat in het midden kan blijven of door het OM of door personen voor wie het OM verantwoordelijk is naar de pers is gelekt. Ook indien vast zou komen te staan dat het OM voorafgaand aan de doorzoeking informatie daarover heeft gedeeld met de pers en indien in dat kader ook onrechtmatigheid zou worden vastgesteld, moet vervolgens ook komen vast te staan dat de door FAT gestelde schade (al dan niet mede) het gevolg is van dit ‘lekken’. Van dit causale verband heeft FAT de stelplicht en de bewijslast. FAT heeft evenwel onvoldoende onderbouwd gesteld dat de schade in causaal verband staat met een eventueel ‘lekken’. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.30.

Uit de eigen stellingen van FAT volgt dat de trustwereld valt of staat met vertrouwen en dat zij als trustkantoor (daarom) een groot belang heeft bij een vlekkeloze reputatie. Bij twijfel over die reputatie is – zo stelt FAT zelf – het risico zeer groot dat haar cliënten zullen vertrekken. Ter zitting is namens FAT naar voren gebracht dat óók zonder het (gestelde) ‘lekken’ door het OM, de doorzoeking bij FAT in de trustwereld en bij haar cliënten bekend zou zijn geworden. De trustwereld is klein en daarnaast was FAT – zo verklaarde de heer [eiser sub 6] ter zitting – contractueel verplicht om aan haar cliënten te melden dat zij het onderwerp was van strafrechtelijk onderzoek. Dat betekent dat ook zonder het lekken naar de pers, de cliënten van FAT ervan op de hoogte zouden zijn gekomen dat FAT voorwerp van strafrechtelijk onderzoek was en haar reputatie ter discussie zou zijn komen te staan. De twijfel over de reputatie van FAT was daarmee – zo leidt de rechtbank uit de eigen stellingen van FAT af – ook zonder een lek vanuit het OM gegeven. De heer [eiser sub 6] verklaarde weliswaar ook dat er verschil bestaat tussen de eigen informatie over het strafrechtelijk onderzoek naar FAT en de informatie daarover vanuit de pers, omdat FAT de situatie in dat eerste geval nog zou hebben kunnen plooien en de schade dan zou hebben kunnen beperken, maar die stelling heeft hij op geen enkele wijze toegelicht. Dat betekent dat het causaal verband tussen het ‘lekken’ en de schade niet kan worden vastgesteld en een vordering tot schadevergoeding ook op deze grond niet kan slagen. Voor bewijslevering is geen plaats.

Conclusie onrechtmatig handelen van de Staat jegens FAT

4.31.

De rechtbank concludeert dat de stellingen van FAT niet kunnen leiden tot het oordeel dat de Staat onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW jegens FAT heeft gehandeld. De vorderingen van FAT zullen daarom worden afgewezen.

Vorderingen overige eisers

4.32.

Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de Staat niet onrechtmatig jegens FAT heeft gehandeld, ontvalt om die reden de primaire grondslag aan de vorderingen van de overige eisers, inhoudende dat de Staat met het onrechtmatig handelen jegens FAT tevens onrechtmatig heeft gehandeld jegens de (indirecte) aandeelhouders en crediteurs van FAT.

4.33.

De subsidiaire grondslag voor de vordering van eisers sub 2 tot en met 6 bestaat eruit dat ook rechtmatig overheidsoptreden van het OM in de gegeven omstandigheden recht geeft op schadevergoeding aan de overige eisers vanwege schending van het égalitébeginsel. Zij beroepen zich daarbij op de inhoud van het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0801 (De Staat/Lavrijsen) en de sindsdien ontwikkelde rechtspraak. De schade die de overige eisers hebben geleden was voor hen niet te voorzien en viel volledig buiten hun normale maatschappelijke risico.

4.34.

De rechtbank is in de eerste plaats met de Staat van oordeel dat geen sprake is van optreden jegens de overige eisers. Er zijn immers alleen jegens FAT opsporingshandelingen verricht. Bij de overige eisers zijn geen doorzoekingen verricht. De rechtbank is voorts met de Staat van oordeel dat de door de overige eisers gestelde geleden schade behoort tot hun normale maatschappelijk risico. De rechtbank overweegt daartoe dat de overige eisers aandeelhouders en aandeelhouders van aandeelhouders van FAT zijn, behoudens eiseres 5, die, zo stellen zij, een lening heeft uitstaan aan een (inmiddels failliete) aandeelhouder van FAT. Een (middellijk dan wel onmiddellijk) aandeelhouder draagt in beginsel zelf het (zowel positieve als negatieve) risico ten aanzien van de lotgevallen van de onderneming waarin hij een belang heeft. Hoewel de overige eisers stellen dat zij onevenredig nadeel hebben geleden dat niet onder het normale maatschappelijke risico van aandeelhouders valt, valt niet in te zien dat de verliezen van de onderneming waarin zij een belang hebben, of het oninbaar worden van leningen die zij aan die vennootschappen hebben uitstaan, buiten het normale maatschappelijke risico van een aandeelhouder zouden moeten vallen. Dat het hier om de trustwereld gaat maakt dit, anders dan eisers sub 1 tot en met 6 betogen, niet anders. Integendeel, een kenmerk van de trustwereld is naar de eigen stellingen van FAT c.s. immers dat de resultaten van een trustbedrijf vallen of staan met een onberispelijke reputatie. Ook bij rechtmatig strafvorderlijk overheidsoptreden zal die reputatie in de regel een deuk oplopen en zal dit leiden tot schade. Zonder nadere onderbouwing van FAT, die in dit geval ontbreek, kan daarom niet met succes worden betoogd dat de gevolgen van rechtmatig overheidsoptreden in casu niet te voorzien zijn of anderszins niet voor risico van de (middellijk dan wel onmiddellijk) aandeelhouder van dat trustkantoor zouden dienen te komen. Ten aanzien van eiseres sub 5 overweegt de rechtbank dat deze vennootschap, de stellingen van FAT c.s. volgend, geen belang had in FAT of in de aandeelhouders van FAT, maar enkel een lening had uitstaan aan de failliete aandeelhouder van FAT. Eiseres sub 5 heeft niet nader onderbouwd waarom zij het oninbaar worden van een lening niet zou hoeven te beschouwen als behorend tot haar normale maatschappelijke risico, zodat deze stelling als onvoldoende onderbouwd wordt verworpen.

Slotsom

4.35.

De slotsom is dat dat de Staat noch jegens FAT noch jegens de overige eisers onrechtmatig heeft gehandeld of op een andere gestelde grond jegens hen schadeplichtig is. FAT c.s. heeft voor het overige geen stellingen ingenomen die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, zodat de rechtbank aan bewijslevering niet toekomt. De vorderingen van FAT c.s. zullen worden afgewezen.

4.36.

Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- griffierecht € 3.894,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 9.054,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 9.054,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Meijer, mr. J.S. Honée en mr. P.G. Salvadori en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2018.