Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6338

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
08-06-2018
Zaaknummer
C/09/534486 / HA ZA 17-640
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2019:3275
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toezegging van de gemeente dat een bouwvergunning zal worden verleend?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/534486 / HA ZA 17-640

Vonnis van 23 mei 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. P.J.L.J. Duijsens te Den Haag,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon DE GEMEENTE ZUIDPLAS,

gezeteld te Nieuwerkerk aan den IJssel,

gedaagde,

advocaat mr. R.J.J. Aerts te Den Haag

Partijen zullen hierna [eiser] en de gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 juni 2017, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 10 januari 2018, waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 10 april 2018.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na toezending daarvan op het proces-verbaal te reageren voor zover het correcties van feitelijke aard betreft. Zij hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.3

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[eiser] was eigenaar van gronden gelegen aan de [adres 1.2 en 3] . De gronden liggen in de polder De Wilde Veenen.

2.2

[eiser] heeft de gronden aangekocht om een groot glastuinbouwbedrijf op de percelen te realiseren. Hij heeft daartoe de bestaande glasopstanden op de percelen gesloopt.

2.3

Ter plaatse van deze gronden gold ten tijde van belang het bestemmingsplan “Landelijk gebied 1983”. In dit bestemmingsplan was aan de gronden van [eiser] de bestemming “Agrarisch gebied (AB)” toegekend. De gronden waren tevens voorzien van de aanduiding “Kassenbouwbedrijven”. Op grond van artikel 10.3, aanhef en onder a, van de planvoorschriften mocht op de aldus aangeduide gronden niet meer dan 2,5 ha per bedrijf aan kassen worden gebouwd. Ingevolge artikel 10.3, aanhef en onder e, mochten de kassen uitsluitend worden gebouwd binnen de verlengden van de zijgrenzen van de met “Kassenbouwbedrijven ” aangeduide agrarische bouwpercelen, achter die percelen en achter bestaande kassen.

2.4

[eiser] heeft op 22 februari 2005 een bouwaanvraag ingediend voor het oprichten van een nieuwe kas met een oppervlakte van 3,4 ha.

2.5

Bij besluit van 9 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van (het voormalige) Zevenhuizen-Moerkapelle de door [eiser] aangevraagde bouwvergunning geweigerd wegens strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. De aangevraagde oppervlakte van 3,4 ha voldeed niet aan de door het bestemmingsplan ter plaatse toegestane maximale oppervlakte van 2,5 ha per bedrijf. De kas was bovendien niet geprojecteerd binnen de verlengden van de zijgrenzen van de met “Kassenbouwbedrijven” aangeduide agrarische bouwpercelen, maar was voorzien over de volle breedte van de percelen achter [adres 1.2 en 3] . In het besluit van 9 november 2005 is voorts vermeld dat het college geen aanleiding zag om toepassing te geven aan de in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud) opgenomen bevoegdheid om vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan. De reden hiervoor was dat het bouwplan niet in overeenstemming was met het beleid zoals neergelegd in de op 14 mei 2002 door de gemeenteraad vastgestelde “Beleidsnotitie toepassing van vrijstellings- en wijzigingsbevoegdheden ten aanzien van uitbreiding van glastuinbedrijven in de Eendragtspolder, Tweemanspolder en polder Wilde Veenen”. Op grond van dit beleid wordt, kort samengevat, geen medewerking verleend aan het verlenen van een vrijstelling ten behoeve van de uitbreiding van glastuinbouwbedrijven in de genoemde polders, dit om schaalvergroting tegen te gaan en om het groene en open karakter van voornoemde polders te waarborgen. Grootschalige glastuinbouw dient op grond van dit beleid geconcentreerd te worden in de Zuidplaspolder.

2.6

Voorafgaand aan dit besluit had de gemeente [eiser] naar aanleiding van zijn principe-verzoek al bij brief van 4 april 2005 meegedeeld dat geen medewerking aan het bouwplan zou worden verleend.

2.7

[eiser] heeft bezwaar ingediend tegen het weigeringsbesluit. Het college heeft dit bezwaar bij besluit van 16 februari 2006 ongegrond verklaard. [eiser] heeft tegen deze beslissing op bezwaar op 20 februari 2006 beroep ingesteld bij de rechtbank ‘s- Gravenhage en tevens de voorzieningenrechter van die rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft, toepassing gevend aan artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, op 8 mei 2006 uitspraak gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening en tevens uitspraak gedaan in de bodemprocedure. Het beroep van [eiser] is ongegrond verklaard.

2.8

[eiser] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). De Afdeling heeft bij uitspraak van 21 maart 2007 het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

2.9

Parallel met de bovenomschreven vergunningaanvraag heeft [eiser] aanvragen ingediend voor twee afzonderlijke, kleinere kassen.

2.10

Op 23 juni 2005 is aan [eiser] bouwvergunning verleend voor een kas van 2,4 ha. [eiser] heeft van deze vergunning geen gebruik gemaakt. De vergunning is vervolgens ingetrokken omdat [eiser] op 28 februari 2006 een nieuwe aanvraag heeft ingediend voor een glasopstand op het perceel.

2.11

Voorts is op 17 maart 2008 een bouwvergunning voor een glasopstand van 2,4 ha op het perceel afgegeven. Ook van deze vergunning heeft [eiser] geen gebruik gemaakt.

2.12

Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft de raad van (het voormalige) Zevenhuizen-Moerkapelle het bestemmingsplan “Tweemanspolder en polder de Wilde Veenen” vastgesteld. Bij besluit van 16 juni 2009 heeft het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland het bestemmingsplan goedgekeurd.

Ter zake van de glastuinbouwlocaties is in dit bestemmingsplan in artikel 4, tweede lid, onder 1, sub a, van de planvoorschriften bepaald dat bouwwerken uitsluitend binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak mogen worden gebouwd. Ingevolge artikel 4, tweede lid, onder 3, sub f, van de planvoorschriften mag de oppervlakte van kassen niet meer bedragen dan de bestaande oppervlakte ervan. Ingevolge artikel 4, derde lid, onder a, van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel vier, tweede lid, onder 1, sub a, voor het vergroten van de oppervlakte aan kassen indien dit noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering onder de daarin genoemde voorwaarden. Een van deze voorwaarden is dat de totale oppervlakte aan kassen niet meer mag bedragen dan 2,5 ha per locatie.

2.13

Bij uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2010 is het besluit van het college van gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 16 juni 2009 tot goedkeuring van het bestemmingsplan gedeeltelijk vernietigd, onder meer met betrekking tot de plandelen met de bestemming “Agrarisch gebied” met de aanduiding “glastuinbouwbedrijf”. De Afdeling heeft aan deze plandelen goedkeuring onthouden. De Afdeling heeft de raad van de gemeente opgedragen om een bestemmingsplan vast te stellen voor de betreffende planonderdelen waaraan goedkeuring is onthouden, met inachtneming van de uitspraak.

2.14

Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling is het bestemmingsplan “Herziening Tweemanspolder en Polder de Wilde Veenen” vastgesteld. In artikel 3.4.3 van de planregels is, samengevat en kort weergegeven, neergelegd dat de totale oppervlakte aan kassen niet meer mag bedragen dan 2,5 ha per locatie, waarbij voor reeds bestaande glastuinbouwbedrijven die positief bestemd zijn is voorzien in een uitbreidingsmogelijkheid met maximaal 20%.

2.15

De Rabobank heeft eind 2010 de financiering van [eiser] gestaakt. Dit heeft geleid tot de bedrijfsbeëindiging van [eiser] .

2.16

[eiser] heeft in een brief van 7 oktober 2011 aan de gemeente het standpunt ingenomen dat de gemeente heeft toegezegd dat een bouwvergunning voor het vernieuwen van kassen op de percelen van [eiser] zou worden verleend, dat de gemeente deze toezegging geen gestand heeft gedaan en daarom onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. [eiser] heeft de gemeente aansprakelijk gesteld voor de door hem hierdoor te lijden schade.

2.17

[eiser] heeft deze aansprakelijkstelling bij brieven van 13 december 2012 en

5 mei 2014 herhaald.

2.18

De gemeente heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 De vordering

3.1

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de gemeente veroordeelt om aan [eiser] te voldoen de schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2011, althans vanaf het moment van het lijden van de schade, althans vanaf het moment van het uitbrengen van de dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2

[eiser] legt aan deze vordering ten grondslag dat de gemeente heeft toegezegd dat zij vergunning zou verlenen voor een bedrijf van 5 ha en dat zij deze toezegging niet is nagekomen. Na die toezegging heeft [eiser] allerlei investeringen gedaan en mocht hij er op vertrouwen dat de toezegging door de gemeente zou worden nagekomen. Dat is ten onrechte niet gebeurd. Doordat de bouwplannen stagneerden en omdat de gemeente geen medewerking wenste te verlenen, leed eiser schade. De schade dient nog nader begroot te worden, zodat in deze procedure uitsluitend een verklaring voor recht wordt gevorderd en een vordering om de gemeente te veroordelen de schade op te maken bij staat te voldoen. De rechtbank merkt in dit verband op dat [eiser] blijkens het lichaam van de dagvaarding een verklaring voor recht vordert, maar dat deze vordering niet in het petitum is opgenomen. Nu de gemeente blijkens de conclusie van antwoord het petitum van [eiser] kennelijk zo heeft opgevat dat dit ook een vordering tot het geven van een verklaring voor recht omvat, zal de rechtbank het petitum ook op deze wijze lezen.

3.3

De gemeente voert verweer.

3.4

Op de stellingen van partijen zal hierna voor zover nodig nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

De vorderingen van [eiser] zijn gegrond op zijn stelling dat de gemeente heeft toegezegd dat een bouwvergunning zal worden verleend voor een glastuinbouwbedrijf van 5 ha, althans dat is toegezegd dat de twee glastuinbouwbedrijven van elk 2,5 ha die [eiser] wilde gaan realiseren samengevoegd zouden mogen worden tot één groot tuinbouwbedrijf van 5 ha. De gemeente heeft gemotiveerd betwist dat zij enigerlei toezegging heeft gedaan. De stelplicht en de bewijslast dat de gemeente toezeggingen met de door [eiser] gestelde inhoud heeft gedaan rusten op [eiser] .

4.2

[eiser] heeft in de dagvaarding volstaan met de enkele stelling dát een toezegging als bedoeld onder 4.1 is gedaan, zonder enige nadere concretisering of onderbouwing daarvan. Ter zitting heeft [eiser] gesteld dat zijn adviseur de heer [A] van Turpotec voorafgaand aan de aankoop door [eiser] van de percelen grond bij de gemeente heeft geïnformeerd naar de bouwmogelijkheden van de percelen. Hij heeft voor het eerst ter zitting gesteld dat de heer [A] in dit verband heeft gesproken met mevrouw [X] (gemeenteambtenaar), mevrouw [Y] (wethouder ruimtelijke ordening), en met de heer [Z] (programma-manager ruimtelijke projecten). [eiser] heeft ter zitting gesteld dat volgens [A] tijdens deze gesprekken door de gemeente is gezegd dat er op korte termijn bouwvergunningen verleend zouden worden. Het huidige bestemmingsplan liet weliswaar slechts twee keer 2,5 ha toe, maar de twee kleine kassen zouden op termijn tot één grote kas van 5 ha samengevoegd kunnen worden. Dit zou namelijk gewijzigd worden in het nieuwe bestemmingsplan.

4.3

De gemeente heeft ter zitting gemotiveerd betwist dat sprake is geweest van enigerlei toezegging(en). De heer [Z] heeft onweersproken toegelicht dat hij ten tijde van de gestelde besprekingen waarin de toezeggingen zou zijn gedaan nog niet in dienst was van de gemeente, zodat de gesprekken, anders dan door [eiser] is gesteld, in ieder geval niet met hem zijn gevoerd. Tevens heeft de heer [Z] ter zitting naar voren gebracht dat hij mevrouw [X] en mevrouw [Y] voorafgaand aan deze zitting naar de gestelde toezeggingen heeft gevraagd. Hij heeft ter zitting verklaard dat beiden uitdrukkelijk hebben ontkend dat zij enigerlei toezegging ter zake van de bouw van een grotere kas dan 2,5 ha dan wel tot samenvoeging van twee kleinere kassen tot één grote kas van 5 ha hebben gedaan. De gemeente heeft vooropgesteld dat [eiser] gelet op de uiterst summiere dagvaarding niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.

4.4

De rechtbank is met de gemeente van oordeel dat [eiser] ter zake van de gestelde toezegging niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Noch in de dagvaarding, noch ter zitting is voldoende concreet onderbouwd wie volgens [eiser] de door hem gestelde toezegging heeft gedaan, noch wanneer dat is geweest en onder welke omstandigheden. [eiser] heeft op geen enkele wijze geconcretiseerd dat en wanneer de door hem gestelde gesprekken hebben plaats gevonden, wie daarbij aanwezig zijn geweest, en wat er tijdens die gesprekken precies is besproken. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de toezegging door de gemeente in de conclusie van antwoord had het op de weg van [eiser] gelegen om de door hem gestelde toezegging nader te concretiseren en te onderbouwen.

4.5

Daar komt bij dat, naar de gemeente terecht naar voren heeft gebracht, het ook niet aannemelijk is dat mevrouw [X] en/of wethouder [Y] de gestelde toezeggingen zouden hebben gedaan, gelet op de onder 2.5 genoemde beleidsnotitie. Mevrouw [Y] is, naar de heer [Z] ter zitting heeft toegelicht, zelf betrokken geweest bij het opstellen van deze beleidsnotitie. Gelet op de inhoud van deze beleidsnotitie ligt het geenszins in de rede dat er vanuit de gemeente bereidheid zou hebben bestaan om in weerwil van die beleidsnotitie medewerking te verlenen aan het tostandkomen van een glastuinbouwbedrijf met een grotere oppervlakte dan 2,5 ha.

4.6

Dat de gemeente in de gesprekken zou hebben aangegeven dat in het toekomstige bestemmingsplan samenvoeging van bedrijven tot een bedrijf van 5 ha mogelijk zou worden gemaakt, dan wel dat de gemeente dit zelfs zou hebben toegezegd, is eveneens op geen enkele wijze gesubstantieerd. Ook hier geldt bovendien weer dat een mededeling van dien aard door de gemeente ook niet aannemelijk is, gelet op het feit dat het opvolgende bestemmingsplan “Tweemanspolder en polder de Wilde Venen” , zoals onder 2.12 weergeven, eveneens glastuinbouw met een oppervlakte groter dan 2,5 ha op de percelen van [eiser] uitsloot. In het nieuwe bestemmingsplan is de het bestaande beleid dus gehandhaafd.

4.7

Anders dan [eiser] ter zitting heeft betoogd betekent de onder 2.13 genoemde uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2010 niet dat thans ter plekke van de percelen van [eiser] kassenbouw met een oppervlakte van 5 ha is toegestaan. Uit de overwegingen van de Afdeling volgt, dat de Afdeling de maximering van de oppervlakte tot 2,5 ha per bedrijf op zichzelf heeft onderschreven. Naar het oordeel van de Afdeling diende evenwel aan reeds bestaande, positief bestemde, glastuinbouwbedrijven die al een oppervlakte van 2,5 ha hadden enige uitbreidings- mogelijkheden te worden geboden. In het nieuwe bestemmingsplan “Herziening Tweemanspolder en Polder de Wilde Veenen” is in artikel 3.4.3 van de planregels hieraan gevolg gegeven. Op grond van dit bestemmingsplan geldt echter nog steeds dat de totale oppervlakte aan kassen niet meer mag bedragen dan 2,5 ha per locatie, waarbij voor reeds bestaande glastuinbouwbedrijven die positief bestemd zijn is voorzien in een uitbreidingsmogelijkheid met maximaal 20% (dus tot maximaal 3 ha en niet tot 5 ha).

4.8

De stelling van [eiser] dat het huidige bestemmingsplan een bedrijf van 5 ha toelaat, al dan niet in de vorm van samenvoeging van kleinere bedrijven, is dus onjuist, nog daargelaten dat de advocaat van [eiser] ter zitting heeft verklaard dat het nieuwe bestemmingsplan niet aan de vorderingen ten grondslag is gelegd. Uit het herziene bestemmingsplan en uit de Afdelingsuitspraak van 9 juni 2010 kan in ieder geval niet worden afgeleid dat de gemeente zou hebben toegezegd dat het bestemmingsplan in die zin gewijzigd zou worden dat het een glastuinbouwbedrijf van 5 ha, dan wel samenvoeging van kleinere bedrijven tot één glastuinbouwbedrijf van 5 ha, mogelijk zou maken.

4.9

Nu [eiser] ter zake van de door hem gestelde toezeggingen niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, is er geen aanleiding voor nadere bewijslevering.

4.10

Nu de gestelde toezegging(en) die [eiser] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd niet zijn komen vast te staan, dienen zijn vorderingen te worden afgewezen.

4.11

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op € 1.522, te weten
€ 618 aan griffierecht en € 904 aan salaris advocaat (2 punten à € 452 volgens tarief II). De door de Staat gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de wijze als in het dictum vermeld. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1

wijst de vorderingen af,

5.2

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 1.522, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf 14 dagen na het wijzen dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

5.3

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2018.