Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6318

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2018
Datum publicatie
05-06-2018
Zaaknummer
NL18.1515
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Soedanees.

Opvolgende aanvraag.

Bahaddar.

Ammbtsbericht.

Beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.1515


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen zijn rechtsvoorgangers, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Bondarev).


Procesverloop
Bij besluit van 22 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.1516, plaatsgevonden op 8 februari 2018. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn verschenen [getuige], getuige, [informant], informant, werkzaam als politicoloog, en A. Fawzy, tolk.

Ter zitting is het onderzoek geschorst.

Verweerder heeft op 19 februari 2018, onder geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nadere stukken ingediend.

Bij beslissing van 16 maart 2018 heeft een andere enkelvoudige kamer van de rechtbank bepaald dat het gerechtvaardigd is dat alleen de rechtbank van die stukken kennis neemt.

Partijen hebben ingestemd met beperkte kennisneming door de rechtbank.

Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn geregeerd op het verzoek van de rechtbank om zich uit te laten over het houden van een vervolgzitting. De rechtbank laat daarom een nadere zitting achterwege.

De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is van Soedanese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]. Eiser behoort tot de Fur-bevolkingsgroep en is afkomstig uit Khartoem.

2. Eiser heeft op 1 juli 2015 voor de eerste maal een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 13 december 2016. Bij uitspraak van 3 juli 2017 (AWB 17/446) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op 24 augustus 2017 (201706251/2/V2).

3. Op 12 december 2017 heeft eiser een opvolgende aanvraag ingediend. Hieraan heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij bij terugkeer naar Soedan gevaar loopt, omdat hij zowel in Soedan als in Nederland politiek actief is (geweest) en tevens omdat hij in Israël is geweest.

Eiser heeft in 2010 aan een demonstratie deelgenomen in Soedan. In 2016 is hij in Nederland lid geworden van de organisatie Darfur Union/Kinderen van Darfur. In dat jaar heeft eiser een bijeenkomst van deze organisatie bijgewoond en heeft hij aan demonstraties deelgenomen in Nederland, waaronder een voor de ambassade van Soedan. Van hem zijn foto’s op internet verspreid die zijn aanwezigheid bij die demonstraties tonen. Eiser zal problemen zal ondervinden vanwege zijn etniciteit, Fur. Eiser is verkracht toen hij 10 à 12 jaar oud was. Verder heeft eiser een beroep gedaan op de brief van verweerder van 20 november 2017 (kenmerk 2154767) aan de Tweede Kamer over het landgebonden asielbeleid voor Soedan.

4. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden heeft gesteld. De gestelde politieke activiteiten zijn al in het eerdere afwijzende besluit beoordeeld, dat in rechte vaststaat. Dat hij inmiddels de consul van Soedan op de hoogte heeft gesteld van zijn activiteiten, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Het relaas over zijn verkrachting op jeugdige leeftijd had eiser eerder naar voren moeten brengen. Bovendien hebben deze gebeurtenissen lang geleden plaatsgevonden en vormden deze geen aanleiding voor eiser om zijn land te verlaten. De brief aan de Tweede Kamer van 20 november 2017 houdt geen beleidswijziging in. Volgens verweerder is er geen sprake van bijzondere feiten en omstandigheden, als bedoeld het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Bahaddar (JV 1998/45).

5. Eiser voert in beroep aan dat verweerder de brief van 20 november 2017 aan de Tweede Kamer ten onrechte niet als een beleidswijziging heeft aangemerkt: mensen die zich inzetten voor naleving van de mensenrechten in Soedan, worden aangewezen als risicogroep; met geringe indicaties kunnen zij vrees voor vervolging aannemelijk maken. De deelname aan de demonstraties en foto’s van eiser op internet vormen geringe indicaties, omdat de Soedanese autoriteiten eiser mogelijk hebben gespot. Het onderzoek van politicoloog [informant] laat zien dat het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Soedan van 20 juni 2017 (hierna: het ambtsbericht) een onjuist beeld geeft van de positie van teruggestuurde Soedanese asielzoekers. Voorts blijkt uit de media en politiek dat er algemene bezorgdheid heerst over het lot van teruggestuurde asielzoekers. Elke teruggestuurde asielzoeker staat in de negatieve aandacht van de Soedanese overheid, aldus eiser.

6. Ter zitting heeft verweerder het in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat de brief van 20 november 2017 geen beleidswijziging inhoudt, niet meer gehandhaafd. Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb zal de rechtbank de in het bestreden besluit gegeven en onjuist gebleken motivering op dit punt passeren, nu aannemelijk is dat eiser hierdoor niet is benadeeld. De rechtbank is van oordeel dat deze beleidswijziging eiser niet zal kunnen baten en zij overweegt daartoe het volgende.

7. Terecht heeft verweerder vastgesteld dat met bovengenoemde uitspraken in rechte vast is komen te staan dat niet geloofwaardig is dat eiser in 2010 organisator is geweest van de demonstratie in Soedan en dat uit zijn verklaringen volgt dat hij daar juist een zeer geringe rol heeft gespeeld. Verweerder heeft er voorts terecht op gewezen dat in rechte vast staat dat ongeloofwaardig is dat eiser vanwege zijn deelname aan demonstraties in Nederland in de negatieve belangstelling staat van de Soedanese autoriteiten. Dat er foto’s zijn genomen van de demonstraties, heeft verweerder volgens deze uitspraken niet van belang hoeven achten.

8. Eiser heeft in zijn opvolgende aanvraag niet (alsnog) aannemelijk gemaakt dat zijn rol bij de demonstraties een andere is geweest dan die van deelnemer. Dat eiser de consul van Soedan persoonlijk op de hoogte zou hebben gesteld van zijn activiteiten, is in het geheel niet onderbouwd en heeft verweerder dan ook niet hoeven aannemen. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij aan de hand van de beelden die van de demonstraties in Nederland zouden zijn gemaakt, is gemonitord door de Soedanese autoriteiten. Eiser heeft tijdens het gehoor opvolgende aanvraag bovendien verklaard dat hij bij de bijeenkomst van oktober 2016 van de Darfur Union slechts toehoorder was. Eiser heeft het voorgaande niet weerlegd in beroep.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet behoort tot de mensenrechtenverdedigers die zich

kritisch hebben geprofileerd, zoals omschreven in het ambtsbericht van 20 juni 2017 (p. 89). Dat betekent ook dat eiser niet behoort tot de risicogroep, zoals omschreven in het gewijzigde beleid van verweerder, bekendgemaakt bij brief van 20 november 2017. Eiser heeft daarom ook op dit punt geen nieuwe relevante elementen en bevindingen naar voren gebracht.

10. Met betrekking tot de omstandigheid dat eiser tussen zijn tiende en twaalfde jaar zou zijn verkracht heeft verweerder geconcludeerd dat deze omstandigheid ook geen nieuw(e) element of bevinding vormt. Eiser heeft hiertegen noch bij zijn zienswijze, noch in beroep iets tegenin gebracht. De rechtbank volgt dan ook het standpunt van verweerder.

11. De rechtbank concludeert dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd.

12. De rechtbank zal vervolgens bezien of sprake is van bijzondere en individuele feiten en omstandigheden die nopen tot toepassing van artikel 83.0a van de Vw (de ‘Bahaddar-toets’).

13. Eiser heeft gesteld dat uitgezette Soedanezen in hun land een reëel risico lopen op behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In dit verband heeft eiser het voorbeeld genoemd van een Soedanese vreemdeling die op 7 december 2017 naar Soedan is uitgezet en die niet politiek actief zou zijn geweest. Bij aankomst in Soedan zou deze vreemdeling onmiddellijk in hechtenis zijn gesteld en met stokken zijn geslagen. De getuige [getuige] heeft ter zitting verklaard dat hij persoonlijk contact heeft gehad met deze vreemdeling. Tegenover de getuige heeft de vreemdeling verklaard dat hij 10 tot 14 dagen vast heeft gezeten en dat hij regelmatig werd geslagen en gemarteld. Hij moest informatie geven over de Nederlandse autoriteiten en de Nederlandse asielprocedure. Na zijn vrijlating werd de vreemdeling een meldingsplicht opgelegd. Daaraan wilde de vreemdeling niet meer voldoen en hij is weggegaan. Ter zitting heeft informant [informant] verklaard dat hij op 6 februari 2018 contact heeft gehad met een neef van de vreemdeling. Uit dit contact kwam naar voren dat de vreemdeling 2 à 3 weken opgesloten heeft gezeten in een kamer zonder daglicht en dat de vreemdeling was geslagen met een plastic waterpijp. De Soedanese autoriteiten zouden van de vreemdeling willen horen wat hij Nederland heeft verklaard over de Soedanese overheid en welke activiteiten hij zou hebben verricht, aldus de informant.

14. Uit de door verweerder verstrekte informatie, waarvan alleen de rechtbank heeft kennis genomen, volgt dat een onderzoek is ingesteld naar de omstandigheden van deze vreemdeling. Bij dit onderzoek, waarbij met de vreemdeling is gesproken, is gebleken dat hij op essentiële punten, waaronder de meldplicht en de periode waarin hij gevangen zou zijn gehouden, wisselend heeft verklaard en dat verweerder in het licht van zijn ongeloofwaardig geachte asielrelaas geen reden meer aanwezig acht om het ontvangen signaal serieus te nemen.

15. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de verklaringen van de uitgezette Soedanese vreemdeling niet betrouwbaar zijn. Daarom kan niet vastgesteld worden dat de Soedanese autoriteiten ten aanzien van deze vreemdeling in strijd hebben gehandeld met artikel 3 van het EVRM. Aan de verklaringen van getuige [getuige] en van informant [informant] kan daarom niet die waarde worden toegekend die eiser daaraan gehecht wil zien. Ook overigens is niet gebleken dat uitgezette Soedanezen blootstaan aan schending van deze verdragsbepaling.

16. Er is daarom geen sprake van bijzondere feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 83.0a van de Vw.

17. Verweerder heeft de aanvraag van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

18. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. Die kosten bepaalt de rechtbank aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 1.002 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 501 en een wegingsfactor van 1).

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser van € 1002 (duizendentwee euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.