Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6317

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-05-2018
Datum publicatie
01-06-2018
Zaaknummer
NL17.8330
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

eiseres, Iraakse nationaliteit, Bagdad, alleenstaande vrouw, erkenning als vluchteling UNHCR, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.8330


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 mei 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Talsma.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 5 september 2017 en het aanvullende besluit van 8 januari 2018 (bestreden besluiten).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig R. Achamlale. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Na afloop van de zitting heeft verweerder op 12 maart 2018 een stuk aan het dossier toegevoegd, waarop door eiseres op 13 maart 2018 is gereageerd. Van verweerder zijn stukken ontvangen en een schrijven van 26 maart 2018. Van eiseres is daarop geen (tijdige) reactie ontvangen. Vervolgens is het onderzoek met toestemming van partijen zonder nadere zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Iraakse nationaliteit. In 2006 is ze vanuit Irak naar Syrië vertrokken, waarna ze op 5 oktober 2015 in Nederland heeft gevraagd om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij de bestreden besluiten is de aanvraag afgewezen.

2. Tussen partijen is allereerst in geschil of zich in Bagdad een uitzonderlijke situatie voordoet waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) bescherming biedt. Eiseres voert aan dat uit de algemene ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak van 2015 en 2016 het aantal dodelijke (burger)slachtoffers door willekeurig geweld is verdrievoudigd.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 november 2016 (zaaknummers: ECLI:NL:RVS:2016:3083, -84 en -85) volgt dat in Bagdad geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als hiervoor bedoeld. Uit de stukken waarnaar eiseres heeft verwezen kan niet worden afgeleid dat de veiligheidssituatie in Bagdad dan wel Irak in significante zin is gewijzigd ten opzichte van de situatie zoals die is beoordeeld in voornoemde uitspraak. Ter zitting heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1744), waarin het ambtsbericht inzake Irak van 2016 is betrokken en waarin voormeld oordeel wordt herhaald. De grond dat verweerder zijn standpunt over de algemene veiligheidssituatie in Irak onvoldoende heeft gemotiveerd, faalt.

3. Verder is tussen partijen in geschil of eiseres voor de gevraagde vergunning in aanmerking komt omdat zij als alleenstaande vrouw moet worden aangemerkt. Eiseres heeft aangevoerd dat haar echtgenoot in Syrië verblijft en dat er in Irak niemand is om haar te beschermen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat haar echtgenoot zich niet bij haar kan voegen in Irak. De enkele stelling dat zij alleen is, kan niet leiden tot de conclusie dat eiseres de gevraagde vergunning moet worden verleend.

4. Ten slotte is in geschil of verweerder door de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) aan eiseres verleende bescherming op de juiste wijze heeft beoordeeld. Verweerder heeft ter zitting een document van UNHCR van 27 juni 2017 overgelegd dat ziet op eiseres en waarop is vermeld ‘Refugee Prima facie, 1951 Convention, (…) arrival date 11 augustus 2006, registration date 4 november 2007’. Verweerder heeft zich onder overlegging van een mailwisseling van maart 2018 met een medewerker van het Intern Protection Department van de UNHCR op het standpunt gesteld dat eiseres in 2006/2007 prima facie, derhalve niet op individuele gronden, als vluchteling is erkend door UNHCR. Dat op dit document ook ‘Special Protection and Assistance Needs’ is vermeld staat volgens de informatie van UNHCR los van de erkenningsgrond(en). Verweerder acht dit feit geen grond voor vergunningverlening. Ook Nederland voerde destijds een categoriaal beschermingsbeleid voor Irak.

5. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Ingevolge paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) toetst de IND alle aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd individueel en op basis van het toepasselijke asielbeleid, ook als de vreemdeling eerder door de UNHCR op individuele gronden is erkend als Verdragsvluchteling. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft aangetoond dat eiseres destijds als prima facie vluchteling is erkend door de UNHCR en dat haar bescherming is geboden omdat zij behoorde tot een bepaalde groep die toen als geheel - op het eerste gezicht - als vluchteling is erkend. Niet gebleken is dat een beoordeling van het individuele asielrelaas van eiseres heeft plaatsgevonden en aanleiding gaf tot het bieden van bescherming. Los daarvan levert een erkenning door de UNHCR geen verplichting op voor verweerder om eiser enkel en alleen om die reden zonder meer als vluchteling te erkennen. In paragraaf C2/3.2 van de Vc is in dat kader immers expliciet vermeld dat de IND alle aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel individueel toetst, ook als de vreemdeling eerder door de UNHCR als vluchteling is erkend. Verweerder heeft bij zijn oordeel verder ook terecht betrokken dat eiseres heeft verklaard tussen 2006 en 2015 meermaals voor korte perioden zonder problemen te zijn teruggekeerd naar Irak (bijvoorbeeld 18 dagen in december 2012, pagina 14 nader gehoor). De rechtbank acht dit standpunt voldoende gemotiveerd, zodat de hiertegen gerichte beroepsgrond faalt.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2018.

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van die uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.