Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6312

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
01-06-2018
Zaaknummer
NL18.5316
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

eiser van Afghaanse nationaliteit, Dublin-Frankrijk, registratie geboortedatum, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL18.3516

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. J.P.M. Sio,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Talsma.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 februari 2018 (bestreden besluit).

De behandeling van het beroep ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2018. Gelijktijdig is eisers verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening behandeld (NL18.3517). Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. N. Vollebergh namens de gemachtigde van eiser. Tevens was aanwezig D. Madjlessi, tolk. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is van Afghaanse nationaliteit. Hij heeft op 13 november 2017 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel in Nederland ingediend.

2. Op 5 december 2017 heeft verweerder de Franse autoriteiten gevraagd eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (hierna: de Dublinverordening). Frankrijk heeft dat verzoek op 18 december 2017 geaccepteerd.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Frankrijk daarvoor verantwoordelijk wordt geacht. In het bestreden besluit wordt ervan uitgegaan dat eiser geboren is op [geboortedatum]. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 22 februari 2017 in Frankrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend als [naam], geboren op [geboortedatum] en van Afghaanse nationaliteit. Die aanvraag is nog in behandeling.

4. Eiser heeft daartegen het volgende aangevoerd:

- (1) Eiser is nooit gehoord over zijn bezwaren tegen overdracht aan Frankrijk, omdat de uitnodiging voor een Dublingehoor hem niet heeft bereikt. Op het moment dat de uitnodiging naar het AZC Heerhugowaard werd verstuurd, verbleef eiser nog op een andere locatie.

Bovendien heeft verweerder niets gedaan met het advies van het FMMU dat het essentieel was een nieuw medisch advies te vragen voorafgaand aan horen. Het bestreden besluit is daarom in strijd met de vereiste zorgvuldigheid genomen.

- (2) Eiser is geboren op [geboortedatum] en is dus minderjarig. Hoewel eiser tot op heden geen identificerend document heeft kunnen overleggen om zijn gestelde minderjarigheid te onderbouwen en de IND in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de informatie die door Frankrijk is verstrekt, kan verweerder niet zonder meer vasthouden aan de door Frankrijk opgegeven geboortedatum. Er is ook geen onderzoek gedaan door de Franse autoriteiten naar zijn leeftijd. Het ligt op de weg van verweerder de gerezen twijfel weg te nemen door eiser een leeftijdsonderzoek aan te bieden.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Verweerder heeft niet weersproken dat de uitnodiging voor het Dublingehoor is verstuurd een opvanglocatie waar eiser zich op dat moment nog niet bevond. Verweerder meldt in het bestreden besluit dat eiser van de uitnodiging op de hoogte had kunnen zijn, omdat hij werd uitgenodigd voor een gehoor dat zou plaatsvinden negen dagen na de datum waarop de uitnodiging is verzonden. Er is echter geen inzicht gegeven in wanneer eiser in die locatie werd opgevangen. Derhalve is niet aannemelijk dat eiser van deze uitnodiging op de hoogte had moeten zijn. De rechtbank is van oordeel dat is gehandeld in strijd met artikel 30, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 door eiser niet specifiek te horen over zijn bezwaren tegen overdracht aan Frankrijk. De rechtbank zal dit gebrek echter passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, nu eiser inmiddels voldoende in de gelegenheid is geweest zijn bezwaren tegen overdracht kenbaar te maken. Niet aannemelijk is dat eiser door dit gebrek is benadeeld. De eerste grond faalt.

6. Ten aanzien van de vraag of verweerder terecht van de in Frankrijk geregistreerde geboortedatum van eiser is uitgegaan, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder stelt zich onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:134) en 20 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:780) op het standpunt dat informatie uit één andere lidstaat waaruit blijkt dat een vreemdeling meerderjarig is, volstaat om een vreemdeling ook in Nederland meerderjarig te verklaren, mits in Nederland geen authentieke, identificerende documenten zijn overgelegd (C1/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000). Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij in Frankrijk ten onrechte als meerderjarig is geregistreerd. Eiser heeft geen enkel (identificerend) document overgelegd om dit te onderbouwen. De verwijzing naar lagere jurisprudentie geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Gelet op het vorenstaande mag verweerder ervan uitgaan dat eiser tijdens het indienen van zijn asielaanvraag in Nederland meerderjarig is en was hij niet gehouden eiser een leeftijdsonderzoek aan te bieden. Verweerder was evenmin gehouden de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 8, vierde lid, van de Dublinverordening in behandeling te nemen. Ook de tweede grond faalt.

7. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.