Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6311

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
01-06-2018
Zaaknummer
NL17.15308
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

eiser van Syrische nationaliteit, Dublin-Kroatië, interstatelijk vertrouwensbeginsel, hartoperatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.15308


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.S. Yap),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Talsma).


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 december 2017.

Het beroep is ter zitting behandeld op 9 maart 2018, gelijktijdig met een door eiser op 8 maart 2018 ingediend verzoek om een voorlopige voorziening (NL18.4807). Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Het verzoek is toegewezen en het onderzoek in de beroepszaak is ter zitting geschorst, om eiser in de gelegenheid te stellen nadere stukken over te leggen.

Van eiser zijn stukken ontvangen op 12 april 2018. Van verweerder is een reactie ontvangen op 19 april 2018. Eiser heeft daarop gereageerd op 20 april 2018. Het onderzoek is met toestemming van partijen zonder nadere zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en van Syrische nationaliteit. Zijn asielaanvraag van 25 juli 2017 is bij het bestreden besluit niet in behandeling genomen, omdat Kroatië - gelet op het claimakkoord van 13 september 2017 op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening) - verantwoordelijk wordt geacht voor behandeling daarvan.

2. Eiser heeft in beroep het volgende aangevoerd:

- Ten aanzien van Kroatië kan niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Eiser vreest schending van het verbod op refoulement bij overdracht naar Kroatië en verwijst daartoe naar het rapport van AIDA uit 2017, hoofdstuk 2.7.

- Eiser heeft onder meer een hartoperatie (bypassoperatie/CABG) ondergaan. Vanwege zijn medische omstandigheden heeft hij een beroep gedaan op artikel 17 van de Dublinverordening en het arrest C.K. e.a. tegen Slovenië van 16 februari 2017 (C-578/16). Uit de na de zitting door eiser overgelegde informatie van behandelend artsen (cardioloog en KNO-arts) blijkt weliswaar dat geen sprake zal zijn van een medische noodsituatie en dat reizen op zich mogelijk is, maar de vraag of overdracht leidt tot een verslechtering van de medische situatie van eiser is onbeantwoord gebleven. Verweerder dient dat te onderzoeken en mag eiser niet overdragen zonder toezegging van Kroatië dat de benodigde zorg wordt geboden.

3. Niet in geschil is dat Kroatië in beginsel verantwoordelijk is voor behandeling van eisers asielaanvraag. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen en dat er geen grond is voor het oordeel dat eisers asielaanvraag in Kroatië niet zal worden behandeld. Het rapport van AIDA noopt niet tot een ander oordeel. De eerste beroepsgrond faalt daarom.

4. Uit een brief van de behandelend cardioloog van 8 april 2018 blijkt dat eiser een bypassoperatie heeft ondergaan, dat er op 8 april 2018 geen cardiale klachten meer zijn en dat eiser stabiel is en bezig is met hartrevalidatie. Verdere zorg door een cardioloog is nodig, waarbij wordt opgemerkt dat dit uiteraard niet persé in Nederland dient plaats te vinden. Er bestaat geen bezwaar om te reizen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser kan worden overgedragen aan Kroatië. Uit de overgelegde informatie blijkt niet dat overdracht zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidssituatie van eiser. Verder mogen de medische voorzieningen tussen lidstaten vergelijkbaar worden verondersteld. Aanvullende garanties over de mogelijkheid bij een cardioloog en/of andere specialist onder controle te blijven zijn daarom niet nodig. Ook overigens is niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden op grond waarvan verweerder aanleiding had moeten zien de aanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht te behandelen. Ook de tweede beroepsgrond faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2018.

Afschrift digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.