Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6261

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-05-2018
Datum publicatie
29-05-2018
Zaaknummer
17/13690
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zwaar inreisverbod. Toepassing huidig artikel 3:86 Vb. Gedrag eiser werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor fundamenteel belang samenleving. Belangenafweging 8 EVRM. Beroep deels ongegrond, deels niet-ontvankelijk, afwijzing verzoek schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: AWB 17/13690

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 mei 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: [naam gemachtigde].

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht met ingang van 15 december 2012 ingetrokken (het intrekkingsbesluit) en aan eiser een inreisverbod voor de duur van vijf jaar opgelegd. Dit inreisverbod heeft de rechtsgevolgen als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Bij besluit van 9 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op 6 mei 1990 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser heeft sinds 29 augustus 1996 rechtmatig verblijf in Nederland. Op 15 januari 2012 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het intrekkingsbesluit gehandhaafd, omdat eiser de norm van artikel 3.86, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) heeft overschreden en het tiende lid van deze bepaling niet in de weg staat aan het intrekkingsbesluit. Verweerder heeft voorts bij het bestreden besluit het inreisverbod gehandhaafd, omdat het persoonlijke gedrag van eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Het bestreden besluit is volgens verweerder niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. De voor deze zaak relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage.

Beroep tegen het intrekkingsbesluit

4. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraak van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298), heeft een vreemdeling tegen wie een inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw is uitgevaardigd, zolang dit inreisverbod van kracht is, geen belang bij zijn beroep tegen een intrekkingsbesluit. Eisers beroep tegen het intrekkingsbesluit is dan ook slechts ontvankelijk als de uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat het hem opgelegde inreisverbod niet langer van kracht is. Bij de toetsing van het inreisverbod betrekt de rechtbank, in navolging van voormelde uitspraak van de Afdeling, de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd tegen het intrekkingsbesluit. In overweging 8.2. beantwoordt de rechtbank de vraag of eisers beroep tegen het intrekkingsbesluit ontvankelijk is.

Beroep tegen het inreisverbod

5.1.

Eiser heeft als beroepsgrond aangevoerd dat niet aan de voorwaarden voor intrekking van zijn verblijfsvergunning is voldaan. Ter onderbouwing hiervan heeft hij de onder 5.2.1., 5.3.1. en 5.4.1. vermelde argumenten aangevoerd.

5.2.1.

Eiser heeft ten eerste aangevoerd dat verweerder de zaak ten onrechte op basis van het sinds 1 juli 2012 geldende artikel 3.86 van het Vb (hierna: het huidige artikel 3:86 van het Vb) heeft beoordeeld. Hiertoe heeft eiser naar voren gebracht dat het misdrijf dat hij op 15 december 2012 heeft gepleegd niet kan leiden tot toepassing van het huidige artikel 3:86 van het Vb, omdat hij hiervoor niet onherroepelijk is veroordeeld en omdat dit geen misdrijf is als bedoeld in het huidige artikel 3.86, tiende lid, van het Vb.

5.2.2.

De regelgever heeft artikel 3:86 van het Vb met ingang van 1 juli 2012 gewijzigd. Artikel 3:86 van het Vb zoals dat tot 1 juli 2012 gold (hierna: het voormalige artikel 3:86 van het Vb) is voor lang in Nederland verblijvende vreemdelingen gunstiger dan het huidige artikel 3:86 van het Vb. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:279) volgt dat het voormalige artikel 3:86 van het Vb van toepassing blijft op vreemdelingen die na 1 juli 2012 geen misdrijf meer hebben gepleegd en op vreemdelingen die niet onherroepelijk zijn veroordeeld voor een na 1 juli 2012 gepleegd misdrijf. Het huidige artikel 3:86 van het Vb is van toepassing op vreemdelingen die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een misdrijf gepleegd na 1 juli 2012. Het huidige artikel 3:86 van het Vb vormt op grond van artikel 3:98 van het Vb in samenhang gelezen met artikel 22, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw ook het beoordelingskader voor een besluit tot intrekking van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.

5.2.3.

Verweerder heeft in het bestreden besluit het huidige artikel 3:86 van het Vb op eiser van toepassing verklaard op grond van eisers veroordeling tot twee weken gevangenisstraf wegens het overtreden van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) op 15 december 2012 (parketnummer 09-055706-13 en ressortsparketnummer 22-004415-13). Dit is een misdrijf. Hoewel dit misdrijf in eisers uittreksel justitiële documentatie (ujd) van 20 februari 2018 is geregistreerd onder het kopje ‘Openstaande zaken betreffende misdrijven’ en in dit ujd is geregistreerd dat de status van het door eiser in deze zaak ingestelde hoger beroep ‘gedagvaard’ is, volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat eisers veroordeling voor dit misdrijf onherroepelijk is. Hiertoe is ten eerste redengevend dat in eisers ujd ten aanzien van deze zaak ook is geregistreerd dat eiser op 10 oktober 2013 hoger beroep heeft ingesteld tegen zijn veroordeling in eerste aanleg en dat deze veroordeling op 26 november 2014 onherroepelijk is geworden. Ten tweede is redengevend dat in eisers ujd ten aanzien van deze zaak, anders dan ten aanzien van de meeste andere zaken die daarin onder het kopje ‘Openstaande zaken betreffende misdrijven’ zijn geregistreerd, niet de status ‘niet onherroepelijk’ is geregistreerd. Bovendien volgt uit eisers ujd, zoals verweerder ook ter zitting heeft gesteld, dat eiser ook onherroepelijk is veroordeeld voor verscheidene andere misdrijven gepleegd na 1 juli 2012, waaronder openlijke geweldpleging op 11 januari 2015 (parketnummer 08-005190-15) en bedreiging met zware mishandeling, gepleegd op 15 januari 2015 (parketnummer 08-730028-15).

5.2.4.

Gelet op overwegingen 5.2.2. en 5.2.3. heeft verweerder terecht het huidige artikel 3:86 van het Vb op eiser van toepassing verklaard. De omstandigheid dat het misdrijf gepleegd op 15 december 2012 geen misdrijf als bedoeld in het huidige artikel 3:86, tiende lid, van het Vb is, leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit geen voorwaarde is voor het toepassen van het huidige artikel 3:86 van het Vb op een vreemdeling. De rechtbank volgt eiser dus niet in zijn onder 5.2.1. weergegeven standpunt.

5.3.1.

Eiser heeft ten tweede aangevoerd dat verweerder ten onrechte stelt dat de norm van het huidige artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb is overschreden. Hiertoe heeft eiser naar voren gebracht dat verweerder de misdrijven waarvoor hij vóór 16 april 2014 onherroepelijk is veroordeeld niet bij het bestreden besluit had mogen betrekken, omdat deze hem bij brief van 16 april 2014 vreemdelingrechtelijk zijn kwijtgescholden.

5.3.2.

In de brief van 16 april 2014 heeft verweerder aan eiser meegedeeld niet te zullen overgegaan tot het intrekken van zijn verblijfsvergunning en het opleggen van een inreisverbod. Hiertoe is redengevend, zo volgt uit de aan die brief ten grondslag liggende minuut, dat eiser op 16 april 2014 (nog) niet onherroepelijk was veroordeeld voor een misdrijf gepleegd na 1 juli 2012, zodat op 16 april 2014 (nog) het voormalige artikel 3:86 van het Vb op hem van toepassing was. Op grond van het voormalige artikel 3:86, tiende lid, van de Vb kwam verweerder op 16 april 2014 niet de bevoegdheid toe eisers verblijfsvergunning in te trekken.

5.3.3.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat verweerder op 16 april 2014 niet de bevoegdheid had eisers verblijfsvergunning in te trekken, niet meebrengt dat verweerder eiser alle misdrijven waarvoor hij vóór 16 april 2014 onherroepelijk is veroordeeld vreemdelingrechtelijk heeft kwijtgescholden. In die brief is niet een mededeling met dergelijke strekking opgenomen. Daarentegen is in de brief wel vermeld dat verweerder eisers verblijfsrecht opnieuw zal beoordelen als eiser opnieuw onherroepelijk wordt veroordeeld voor een misdrijf. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat verweerder de misdrijven waarvoor eiser vóór 16 april 2014 onherroepelijk is veroordeeld bij het bestreden besluit buiten beschouwing had moeten laten. Verweerder heeft dus al eisers onherroepelijke veroordelingen voor misdrijven bij de beoordeling van eisers verblijfsrecht op grond van het huidige artikel 3:86 van het Vb mogen betrekken.

5.3.4.

Niet in geschil is dat de duur van alle vrijheidsstraffen waartoe eiser zowel voor als na 16 april 2014 onherroepelijk is veroordeeld bij elkaar opgeteld de in het huidige artikel 3:86, vijfde lid, van het Vb vermelde hoogste norm overschrijdt. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn onder 5.3.1. weergegeven standpunt.

5.4.1.

Eiser heeft tot slot aangevoerd dat verweerder ten onrechte stelt dat aanleiding bestaat af te zien van toepassing van het huidige artikel 3.86, tiende lid, van het Vb. Hiertoe heeft eiser naar voren gebracht dat uit de minuut bij de brief van 16 april 2014 volgt dat verweerder geen van de misdrijven waarvoor eiser vóór 16 april 2014 onherroepelijk is veroordeeld heeft aangemerkt als een misdrijf als bedoeld in het huidige artikel 3:86, tiende lid, van het Vb. Zonder nadere motivering kan verweerder het misdrijf waarvoor eiser bij arrest van 27 november 2009 onherroepelijk is veroordeeld niet alsnog aanmerken als misdrijf als bedoeld in het huidige artikel 3:86, tiende lid, van het Vb, aldus eiser. Voorts heeft eiser aangevoerd dat hij na 16 april 2014 niet onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf als bedoeld in het huidige artikel 3:86, tiende lid, van het Vb.

5.4.2.

Op grond van het huidige artikel 3:86, tiende lid, in samenhang gelezen met artikel 3:98 van het Vb, ziet verweerder af van een intrekkingsbesluit ondanks dat de norm van het vijfde lid is overschreden, indien de vreemdeling een verblijfsduur heeft van tien jaren, tenzij sprake is van (a) een misdrijf als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (hierna: een ‘misdrijf van de a-categorie’) of (b) een misdrijf uit de Opiumwet waarop een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld (hierna: een ‘misdrijf van de b-categorie’). Een misdrijf als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, van het Sr is, voor zover hier van belang, een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad.

5.4.3.

Uit overweging 5.3.2. volgt dat verweerder eisers situatie op 16 april 2014 heeft beoordeeld op basis van het voormalige artikel 3:86, tiende lid, van het Vb en niet op basis van het huidige artikel 3:86, tiende lid, van het Vb. Deze twee versies van het tiende lid zijn niet met elkaar te vergelijken. Er is dus geen sprake van dat verweerder op 16 april 2014 heeft geoordeeld dat de misdrijven waarvoor eiser vóór 16 april 2014 onherroepelijk is veroordeeld geen misdrijven zijn als bedoeld in het huidige artikel 3:86, tiende lid, van het Vb. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit in het bestreden besluit alsnog kunnen beoordelen. Het standpunt van eiser over de nadere motiveringsplicht volgt de rechtbank gezien het vorenstaande niet.

5.4.4.

Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat eiser bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 november 2009 (ressortsparketnummer 22-001372-09), onherroepelijk geworden op 7 juni 2011, is veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf wegens onder andere openlijk geweld in verenging met enig lichamelijk letsel ten gevolge, gepleegd op 1 januari 2009, en dat dit een ‘misdrijf van de a-categorie’ is. Hiertoe verwijst verweerder naar het arrest van het gerechtshof, waarin het volgende staat:

“ Bovendien heeft u zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging als gevolg waarvan twee slachtoffers letsel hebben opgelopen (gebroken neus). Het hof acht het met name bijzonder kwalijk dat beide slachtoffers zijn getrapt terwijl zij op de grond lagen.”

Gezien deze passage uit het arrest van het gerechtshof volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat dit door eiser gepleegde misdrijf een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers ten gevolge heeft gehad. Op grond van artikel 141, tweede lid, aanhef en onder 1, van het Sr is de maximale gevangenisstraf voor openlijke geweldpleging in vereniging met enig lichamelijk letsel ten gevolge zes jaren. Gelet hierop volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat eiser bij het arrest van 27 november 2009 onherroepelijk is veroordeeld voor een ‘misdrijf van de a-categorie’.

5.4.5.

Bovendien volgt de rechtbank verweerder ook in zijn standpunt dat eiser onherroepelijk is veroordeeld voor een ‘misdrijf van de b-categorie’. Hiertoe is het volgende redengevend. Uit eisers ujd volgt dat eiser op 12 maart 2015 in eerste aanleg is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden wegens opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder C van de Opiumwet, dat eiser op 12 maart 2015 hoger beroep heeft ingesteld tegen deze veroordeling en dat deze veroordeling op 2 februari 2016 onherroepelijk is geworden (parketnummer 08-057458-14). Op grond van artikel 10, derde lid, van de Opiumwet is de maximale gevangenisstraf voor opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder C van de Opiumwet zes jaren. Eisers stelling dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat alleen opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder A van de Opiumwet een ‘misdrijf van de b-categorie’ is, volgt de rechtbank niet, omdat deze stelling niet nader is geconcretiseerd en geen steun vindt in de wetstekst en wetsgeschiedenis.

5.4.6.

Hoewel eiser ten tijde van het bestreden besluit een verblijfsduur had van meer dan tien jaar, is de rechtbank op grond van overwegingen 5.4.2. tot en met 5.4.5. van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat het huidige artikel 3:86, tiende lid, van de Vb niet in de weg staat aan het intrekken van eisers verblijfsvergunning. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn onder 5.4.1. weergegeven standpunt. De rechtbank merkt nog op dat verweerder bij de beoordeling van eisers verblijfsrecht op grond van het huidige artikel 3:86 van het Vb in het bestreden besluit eisers niet onherroepelijke veroordeling voor openlijke geweldpleging in vereniging op 8 september 2015 (parketnummer: 21-002991-16) niet heeft betrokken. Verweerder was daarom niet gehouden in het bestreden besluit in te gaan op het in bezwaar aangevoerde argument van eiser dat dit geen ‘misdrijf van de a-categorie’ is.

5.5.

Gelet op het vorenstaande volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat niet aan de voorwaarden voor het intrekken van zijn verblijfsvergunning is voldaan. De onder 5.1. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.

6.1.

Eiser heeft als beroepsgrond aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zijn persoonlijke gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving (hierna: het unierechtelijke openbare orde-criterium). Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder bij de beoordeling of is voldaan aan het unierechtelijke openbare orde-criterium ten onrechte alle misdrijven waarvoor eiser al dan niet onherroepelijk is veroordeeld heeft betrokken. Volgens eiser mogen bij die beoordeling slechts onherroepelijke veroordelingen voor misdrijven als bedoeld in het huidige artikel 3:86, tiende lid, van het Vb worden betrokken. Eiser stelt dat deze beperking volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 11 juni 2015 in de zaak tussen Z.Zh. en I.O. tegen verweerder (zaak C‑554/13, ECLI:EU:C:2015:377). Bovendien heeft de regelgever verweerder deze beperking met het huidige artikel 3:86 van het Vb opgelegd, aldus eiser. Voorts heeft eiser aangevoerd dat het bestreden besluit op dit onderdeel onbegrijpelijk is en daarom niet in stand kan blijven, omdat daarin alleen een opsomming van de maatschappelijke kwalificaties van de misdrijven waarvoor eiser is veroordeeld is gegeven, zonder dat daarbij de pleegdata of parketnummers zijn vermeld. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat hij in zijn verdediging is geschaad doordat verweerder eerst in het bestreden besluit een beoordeling van het unierechtelijke openbare orde-criterium heeft uitgevoerd.

6.2.

De rechtbank stelt voorop dat het niet in strijd met enige rechtsregel is dat verweerder in het bestreden besluit een ander beoordelingskader heeft gehanteerd dan in het primaire besluit, al helemaal niet nu eiser in bezwaar terecht heeft geklaagd over het in het primaire besluit toegepaste criterium. Aangezien eiser zijn bezwaren tegen het beoordelingskader in het bestreden besluit kan voorleggen aan de rechtbank, wat hij ook heeft gedaan, volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat hij in zijn verdediging is geschaad.

6.3.

Voor de oplegging van een inreisverbod voor de duur van vijf jaar is vereist dat is voldaan aan het unierechtelijke openbare orde-criterium. Het HvJ EU heeft zich in rechtsoverweging 51 van het arrest Z.Zh. en I.O. uitgelaten over de vraag of verweerder niet onherroepelijke veroordelingen mag betrekken bij de beoordeling of is voldaan aan het unierechtelijke openbare orde-criterium, zoals dat is neergelegd in artikel 7, vierde lid, van richtlijn 2008/115. Die rechtsoverweging luidt, voor zover hier van belang, als volgt.

“ Evenwel moet worden gepreciseerd dat een lidstaat kan constateren dat er sprake is van een gevaar voor de openbare orde in het geval van een strafrechtelijke veroordeling, ook al is deze niet onherroepelijk, wanneer die veroordeling, samen met alle andere omstandigheden van de situatie van de betrokkene, een dergelijke constatering rechtvaardigt. Het feit dat een strafrechtelijke veroordeling niet onherroepelijk is geworden staat er dus niet aan in de weg dat een lidstaat zich op de uitzondering bedoeld in artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 kan beroepen [lees: dat de lidstaat oordeelt dat is voldaan aan het unierechtelijke openbare orde-criterium (toevoeging rechtbank)]. Zoals de advocaat-generaal in punt 65 van haar conclusie heeft opgemerkt, is in de bewoordingen van deze richtlijn voor een voorwaarde van onherroepelijkheid immers geen steun te vinden […].”

6.4.

Uit deze rechtsoverweging volgt dat verweerder, anders dan eiser stelt, niet onherroepelijke veroordelingen mag betrekken bij de beoordeling of is voldaan aan het unierechtelijke openbare orde-criterium. Voorts ziet de rechtbank in dit arrest van het HvJ EU geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder bij de beoordeling of is voldaan aan het unierechtelijke openbare orde-criterium alleen veroordelingen voor misdrijven als bedoeld in het huidige artikel 3:86, tiende lid, van het Vb mag betrekken. De door eiser voorgestane beoordelingsmaatstaf voor de beoordeling of is voldaan aan het unierechtelijke openbare orde-criterium, zoals weergeven onder 6.1., vindt dan ook geen steun in voormeld arrest van het HvJ EU. De rechtbank ziet voorts geen grond voor het oordeel dat de regelgever met het huidige artikel 3:86 van het Vb het unierechtelijke openbare orde-criterium heeft aangescherpt. Dat niet onherroepelijke veroordelingen in principe niet mogen worden betrokken bij besluiten die het verblijfsrecht doen beëindigen, maar wel bij besluiten tot oplegging van een inreisverbod is niet in strijd met het nationale recht of het unierecht.

6.5.

Het vorenstaande betekent dan ook dat verweerder bij de beoordeling of is voldaan aan het unierechtelijke openbare orde-criterium terecht alle misdrijven waarvoor eiser is veroordeeld, ongeacht of die veroordelingen onherroepelijk zijn en ongeacht of die misdrijven zijn aan te merken als misdrijven als bedoeld in het huidige artikel 3:86, tiende lid, van het Vb, heeft betrokken. In het bestreden besluit heeft verweerder een opsomming gegeven van eisers veroordelingen voor misdrijven die bij de beoordeling van het unierechtelijke openbare orde-criterium zijn betrokken. Verweerder heeft verzuimd daarbij de pleegdata of de parketnummers te vermelden. Hoewel dit afbreuk doet aan de begrijpelijkheid van het bestreden besluit, ziet de rechtbank hierin anders dan eiser geen grond het bestreden besluit te vernietigen, omdat op basis van het door verweerder ingebrachte ujd kan worden herleid om welke veroordelingen het gaat en wanneer eiser daarvoor is veroordeeld.

6.6.

Uit eisers ujd volgt dat eiser ten tijde van het bestreden besluit onherroepelijk was veroordeeld voor meer dan dertig misdrijven, gepleegd in de periode van maart 2005 tot en met februari 2017 en dat de totale duur van de daarbij aan hem opgelegde vrijheidsstraffen ten tijde van het bestreden besluit meer dan dertig maanden bedroeg. Uit eiser ujd volgt onder andere dat eiser op 10 oktober 2005 (parketnummer 10-661188-05) onherroepelijk is veroordeeld tot 100 dagen jeugddetentie wegens diefstal met geweld, gepleegd op 15 april 2015, en op 17 juli 2006 (parketnummer 10-660051-06) onherroepelijk is veroordeeld tot twee maanden jeugddetentie wegens onder meer openlijk geweld in verenging, gepleegd op 12 december 2005. Verder is eiser op 27 november 2009 onherroepelijk veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf wegens onder meer openlijk geweld in vereniging met enig lichamelijk letsel ten gevolge, gepleegd op 1 januari 2009, en overtreding van artikel 26 van de Wet wapens en munitie, gepleegd op 4 juni 2008 (ressortsparketnummer 22-001372-09). Ook is eiser op 27 november 2009 onherroepelijk veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf wegens onder meer diefstal in vereniging met bedreiging, gepleegd op 13 april 2007, en diefstal in vereniging met braak, gepleegd op 9 oktober 2006 (ressortsparketnummer 22-001112-09). Ook volgt uit eisers ujd dat hij op 12 maart 2015 onherroepelijk is veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder C van de Opiumwet, gepleegd op 3 februari 2014 (parketnummer 08-057468-14). Voorts volgt uit eisers ujd dat hij op 12 mei 2015 onherroepelijk is veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf wegens bedreiging met zware mishandeling, gepleegd op 15 januari 2015 (parketnummer 08-730028-15) en op 15 januari 2016 tot één maand gevangenisstaf wegens openlijk geweld in vereniging, gepleegd op 11 januari 2015 (parketnummer 08-005190-15).

6.7.

Verder blijken uit eisers ujd verscheidene niet onherroepelijke veroordelingen voor misdrijven. Zo is eiser op 5 september 2016 (parketnummer 96-110770-16) in eerste aanleg veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf wegens overtreding van de Wvw op 28 mei 2016 en is hij op 13 februari 2017 (ressortsparketnummer 21-002991-16) in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden wegens openlijk geweld in vereniging, gepleegd op 8 september 2015. Weliswaar staat niet vast dat eiser de in deze overweging vermelde misdrijven heeft gepleegd, maar verweerder kan aan deze niet onherroepelijke veroordelingen wel het gerechtvaardigd vermoeden ontlenen dat eiser ook van januari 2015 tot en met mei 2016 zich niet heeft onthouden van crimineel gedrag.

6.8.

Gezien eisers onherroepelijke en niet onherroepelijke veroordelingen en in aanmerking genomen dat eiser van 30 mei 2016 tot en met 24 februari 2017 in voorlopige hechtenis heeft gezeten, zodat hij in deze periode in beginsel geen misdrijven kon plegen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser sinds 2005 onophoudelijk crimineel gedrag vertoont. Eiser heeft, zoals verweerder terecht heeft gesteld, naast vermogensdelicten, die overlast en schade voor de samenleving tot gevolg hebben, ook ernstige geweldsmisdrijven gepleegd waarmee hij een grove inbreuk heeft gemaakt op de rechtsorde in het algemeen en de lichamelijke integriteit van de slachtoffers in het bijzonder. Eiser is meer dan tien keer veroordeeld tot een vrijheidsstraf van één maand of meer, maar deze straffen hebben hem er niet van weerhouden nieuwe (gewelds)misdrijven te plegen. Ook de mededeling van verweerder in de brief van 16 april 2014 dat bij een volgende onherroepelijke veroordeling eisers verblijfrecht opnieuw wordt beoordeeld, welke mededeling moet worden opgevat als een waarschuwing, heeft er niet toe geleid dat eiser zich heeft onthouden van het plegen van nieuwe (gewelds)misdrijven. Verweerder stelt dan ook terecht dat het risico dat eiser in de toekomst opnieuw ernstige geweldsmisdrijven zal plegen reëel en hoog is. Eiser betwist weliswaar dat hij onverbeterlijk is en stelt dat hij zal proberen dit met een rapport te onderbouwen, maar een dergelijk rapport is uitgebleven en de feiten spreken in zijn nadeel.

6.9.

De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder terecht het standpunt inneemt dat het persoonlijke gedrag van eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, namelijk het belang van de bescherming van de openbare orde. Eisers standpunt dat verweerder ten onrechte niet heeft meegewogen dat de strafrechter hem nooit een maatregel voor stelselmatige daders heeft opgelegd, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat deze maatregel vaak wordt ingezet bij veelplegers van misdrijven van relatief geringe ernst bij wie sprake is van een verslaving of psychiatrische problematiek en eiser, gezien de aard en ernst van zijn misdrijven, niet tot deze groep behoort. Evenmin leidt zijn standpunt dat hij een arbeidshandicap heeft tot een ander oordeel, nu aan deze omstandigheid in het kader van de beoordeling of is voldaan aan het unierechtelijke openbare orde-criterium geen betekenis toekomt. De onder 6.1. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.

7.1.

Eiser heeft als laatste beroepsgrond aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft bij zijn belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM ook niet onherroepelijke veroordelingen en onherroepelijke veroordelingen voor andere misdrijven dan bedoeld in het huidige artikel 3:86, tiende lid, van het Vb betrokken. Dit is volgens eiser, om dezelfde redenen als vermeld onder 6.1., niet toegestaan. Daardoor heeft verweerder bij zijn belangenafweging aan het algemeen belang teveel gewicht toegekend. Daarentegen heeft verweerder bij zijn belangenafweging te weinig gewicht toegekend aan eisers belang bij voortzetting van zijn verblijf in Nederland. Dit is mede het gevolg van het feit dat verweerder niet alle relevante omstandigheden bij zijn afweging heeft betrokken. Eiser woont al sinds zijn zesde in Nederland en heeft daarom sterke banden met Nederland. Eiser is bovendien afhankelijk van Nederland en kan niet terug naar Marokko, omdat hij hier een Wajong-uitkering heeft, terwijl Marokko een dergelijke voorziening niet kent. Als eiser terug moet naar Marokko zal hij daarom in de problemen komen. Bovendien heeft eiser geen banden met Marokko. Tot slot stelt eiser dat uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 23 juni 2008 (Maslov tegen Oostenrijk (JV 2008/267)) (hierna: het Maslov-arrest) volgt dat eiser, als jongvolwassene die zich op jonge leeftijd in Nederland heeft gevestigd, alleen uit Nederland mag worden geweerd indien daarvoor zeer zwaarwegende redenen bestaan. Verweerder heeft niet beoordeeld of dergelijke redenen er zijn. Volgens eiser zijn die er niet.

7.2.

Verweerder dient in geval van besluiten als het onderhavige een belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM te maken. Hij dient het belang van de vreemdeling bij het kunnen uitoefenen van zijn privéleven in Nederland en, als dat wordt aangenomen, van zijn familie- en gezinsleven af te wegen tegen het algemeen belang bij het vertrek van hem uit Nederland. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:720), moet de rechter toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden bij die belangenafweging heeft betrokken en, zo ja, of hij niet ten onrechte het standpunt inneemt dat die afweging heeft geresulteerd in een “fair balance” tussen enerzijds het belang van de vreemdeling en anderzijds het algemeen belang.

7.3.

Verweerder heeft een dergelijke belangenafweging gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij die afweging alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken. Meer in het bijzonder is de rechtbank, anders dan eiser, van oordeel dat het bestreden besluit er blijk van geeft dat eisers stelling dat in Marokko geen voorziening voor jongvolwassenen met een arbeidshandicap bestaat, bij de belangenafweging is betrokken.

7.4.

In overweging 6.5. heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder bij de beoordeling of is voldaan aan het unierechtelijke openbare orde-criterium terecht alle misdrijven waarvoor eiser onherroepelijk dan wel niet onherroepelijk is veroordeeld heeft betrokken. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder deze veroordelingen niet ook mag betrekken bij zijn belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM.

7.5.

Verweerder heeft bij de bepaling van het gewicht dat toekomt aan het belang van de samenleving bij vertrek van eiser uit Nederland naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet ten onrechte alle misdrijven waarvoor eiser onherroepelijk dan wel niet onherroepelijk is veroordeeld, in aanmerking genomen. Ook de overige onder 6.8. vermelde omstandigheden – te weten: de hoeveelheid misdrijven, de aard en ernst van die misdrijven, de zeer lange periode waarin eiser steeds opnieuw misdrijven pleegt en het mede daardoor bestaande reële en hoge risico op het opnieuw plegen van ernstige geweldsdelicten – heeft verweerder niet ten onrechte bij zijn belangenafweging betrokken. Op grond van deze omstandigheden neemt verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte het standpunt in dat het belang van de samenleving bij vertrek van eiser uit Nederland, waarmee de openbare orde wordt beschermd, zeer zwaarwegend is.

7.6.

Tegenover dit algemeen belang staat het belang van eiser bij het uitoefenen van zijn familie- en gezinsleven met zijn ouders, broers en zussen, die allen in Nederland wonen. Verweerder heeft in het primaire besluit aangenomen dat sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiser en zijn ouders, broers en zussen. Eiser heeft eerst ter zitting aangevoerd dat verweerder met het bestreden besluit een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op dit familie- en gezinsleven. Ter zitting heeft hij echter geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat hij niet van zijn ouders, broers en zussen gescheiden zou mogen worden. Ook is niet gebleken dat eiser, als meerderjarige, niet in staat zou zijn zelfstandig een bestaan op te bouwen. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat er voor eisers ouders, broers en zussen belemmeringen bestaan om eiser al dan niet voor langere tijd te volgen naar of te bezoeken in Marokko, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat het zeer zwaarwegende belang van de samenleving bij vertrek van eiser uit Nederland zwaarder weegt dan eisers belang bij het in volle omvang kunnen uitoefenen van zijn familie- en gezinsleven met zijn ouders, broers en zussen.

7.7.

Tegenover het algemeen belang staat ook het belang van eiser bij het uitoefenen van zijn privéleven in Nederland. Bij de bepaling van het gewicht dat toekomt aan dit belang heeft verweerder betrokken dat eiser op zijn zesde vanuit Marokko naar Nederland is gekomen en dat hij op het moment van het bestreden besluit bijna 21 jaar rechtmatig verblijf had in Nederland. Eiser heeft dus het grootste gedeelte van zijn jeugd in Nederland doorgebracht en is in Nederland naar school geweest. Eiser heeft volgens verweerder daarom sterke banden met Nederland. Verweerder heeft echter niet ten onrechte bij zijn afweging betrokken dat eiser gedurende zijn verblijf in Nederland geen activiteiten heeft ontplooid die zijn banden met Nederland verder hebben versterkt, zoals het verrichten van vrijwilligerswerk of het opbouwen van een sociaal netwerk van betekenis anders dan met familieleden. Verweerder heeft evenmin ten onrechte in aanmerking genomen dat eiser gedurende zijn meerderjarigheid veelvuldig in detentie heeft doorgebracht. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser niet ten onrechte niet heeft gevolgd in zijn standpunt dat hij afhankelijk is van Nederland en niet terug kan naar Marokko, omdat hij hier een Wajong-uitkering heeft, terwijl een dergelijke voorziening in Marokko ontbreekt. Verweerder stelt namelijk niet ten onrechte dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij met de (financiële) hulp van zijn ouders geen menswaardig bestaan kan opbouwen in Marokko. Gezien het vorenstaande neemt verweerder niet ten onrechte het standpunt in dat eiser weliswaar sterke banden heeft met Nederland, maar dat deze banden niet zodanig sterk zijn dat deze onder geen beding verbroken mogen worden. Hoewel de banden die eiser met Marokko heeft marginaal zijn, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet ten onrechte bij zijn belangenafweging heeft betrokken dat eiser in staat moet worden geacht zich snel aan te passen aan de Marokkaanse cultuur en gewoonten, nu hij Berber spreekt, het islamitisch geloof belijdt en tijdens zijn opvoeding onderdelen van de Marokkaanse cultuur en gewoonten heeft meegekregen. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat het zeer zwaarwegende belang van de samenleving bij het vertrek van eiser uit Nederland zwaarder weegt dat eisers zwaarwegende belang bij het uitoefenen van zijn privéleven in Nederland.

7.8.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder niet gehouden was te beoordelen of sprake was van zeer zwaarwegende redenen als bedoeld in het Maslov-arrest. De situatie van eiser is namelijk niet te vergelijken met de situatie die aan de orde was in het Maslov-arrest. In het Maslov-arrest ging het om een jongvolwassen vreemdeling die enkel tijdens zijn minderjarigheid misdrijven had gepleegd, terwijl eiser door is gegaan met het plegen van misdrijven nadat hij meerderjarig is geworden en daarmee nooit meer voor langere tijd is gestopt.

7.9.

De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder terecht stelt dat een gedwongen vertrek van eiser uit Nederland niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Dit wordt niet anders als eisers recht op respect voor zijn privéleven en zijn familie- en gezinsleven in samenhang worden beschouwd en afgewogen tegen het algemeen belang van de bescherming van de openbare orde, dat gelet op overwegingen 6.9. en 7.5. is gediend met eisers vertrek uit Nederland. De onder 7.1. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.

Conclusies

8.1.

Nu geen van de beroepsgronden slaagt, concludeert de rechtbank dat het inreisverbod rechtmatig is. Eisers beroep tegen het inreisverbod is daarom ongegrond.

8.2.

Uit de conclusies die de rechtbank in overwegingen 4. en 8.1. heeft getrokken volgt dat het beroep tegen het intrekkingsbesluit niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat de rechtbank het beroep in zoverre niet inhoudelijk beoordeelt. Wel heeft de rechtbank de beroepsgronden tegen dit intrekkingsbesluit bij de beoordeling van het beroep tegen het inreisverbod betrokken.

Verzoek om schadevergoeding en proceskosten

9. Eiser heeft de rechtbank bij brief van 9 maart 2018 verzocht verweerder te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding aan hem van € 7.840,- wegens schade geleden door onrechtmatige vreemdelingenbewaring van in totaal 98 dagen (van 15 tot 30 oktober 2017 en van 25 november 2017 tot en met 16 februari 2018). Nu het beroep deels ongegrond en deel niet-ontvankelijk wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser. De rechtbank wijst het verzoek van eiser dan ook af.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het intrekkingsbesluit niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het inreisverbod ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, voorzitter, en mr. B. van Velzen en mr. A. Pahladsingh, leden, in aanwezigheid van M. Daşdemir, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2018.

De griffier is verhinderd voorzitter

deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Relevante artikelen in de Vw

Op grond van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw, voor zover hier van belang, kan de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd worden ingetrokken indien de houder daarvan bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd.

Op grond van artikel 61, eerste lid, van de Vw dient de vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, Nederland uit eigen beweging te verlaten binnen de in artikel 62 bepaalde termijn.

Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw vaardigt Onze Minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid.

Op grond van het vierde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, wordt het inreisverbod gegeven voor een bepaalde duur, die ten hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

Op grond van het zevende lid van dit artikel, voor zover hier van belang, kan, in afwijking van het zesde lid en artikel 8, de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt geen rechtmatig verblijf hebben, in geval hij:

a. bij onherroepelijk geworden rechtelijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem ter zake de maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd;

c. naar het oordeel van Onze Minister een ernstige bedreiging vormt als bedoeld in het vierde lid.

Op grond van het achtste lid van dit artikel kan Onze Minister in afwijking van het eerste lid om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

Relevante artikelen in het Vb

Op grond van het huidige artikel 3:86, vierde lid, van het Vb, voor zover hier van belang, kan de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voorts worden afgewezen op grond van artikel 18, eerste lid, onder e, van de Vw, indien de vreemdeling wegens ten minste drie misdrijven bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf, jeugddetentie of een taakstraf is opgelegd en de totale duur van de onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelten van die straffen en maatregelen ten minste gelijk is aan de in het vijfde lid bedoelde norm.

Op grond van het vijfde lid van dit artikel bedraagt de in het vierde lid bedoelde norm bij een verblijfsduur van ten minste 15 jaar, 14 maanden.

Op grond van het tiende lid van dit artikel wordt de aanvraag in afwijking van de voorgaande leden niet afgewezen bij een verblijfsduur van tien jaren, tenzij er sprake is van:

a. een misdrijf als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;

b. een misdrijf uit de Opiumwet waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld.

Op grond van artikel 3.98, eerste lid, van het Vb, voor zover hier van belang, kan de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op grond van artikel 22, tweede lid, onder c, van de Vw worden ingetrokken, indien de vreemdeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf of een taakstraf is opgelegd, en de totale duur van de straffen ten minste gelijk is aan de norm, bedoeld in artikel 3.86, vijfde lid.

Op grond van het tweede lid van dit artikel, voor zover hier van belang, zijn de artikelen 3.86 en 3.87 van overeenkomstige toepassing.

Op grond van artikel 6.5a, vierde lid, onder a, van het Vb bedraagt de duur van het inreisverbod in afwijking van het eerste tot en met derde lid, ten hoogste vijf jaren, indien het betreft een vreemdeling die is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van zes maanden of langer.

Relevante artikelen in het Sr

Op grond van artikel 22b, eerste lid, aanhef en onder a, van het Sr wordt een taakstraf niet opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad.

Artikel 8 van het EVRM

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.