Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6255

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4976
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

toekenning van een hogere tegemoetkoming in de woninghuur militair

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/4976

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W.E. Louwerse),

en

de Commandant van het Dienstencentrum Internationale Ondersteuning Defensie (hierna: het DCIOD), verweerder

(gemachtigde: mr. A. Verkroost).

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser van 12 november 2015 om toekenning van een hogere tegemoetkoming in de woninghuur vanaf juli 2014, afgewezen.

Bij besluit van 10 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen in die zin dat aan eiser een hogere vergoeding dient te worden toegekend vanaf 12 november 2015.

Bij aanvullend besluit van 10 juli 2017 heeft verweerder bepaald dat de toekenning van de hogere vergoeding aan eiser wordt toegewezen vanaf 12 november 2015 tot 3 juli 2017, zijnde de datum van de aanvang van eisers nieuwe functie, en dat voor eiser vanaf 3 juli 2017 een huurplafond voor de tegemoetkoming in de woninghuur geldt.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit en het aanvullend besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2018, alwaar de volgende beroepen samen werden behandeld: SGR 17/4483, SGR 17/4617, SGR 17/4976,

SGR 17/5744, SGR 17/5767, SGR 17/5768 en SGR 17/7744.

Eiser is niet in persoon verschenen, doch heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Tevens waren ter zitting aanwezig [A] en [B] .

Overwegingen

1.1

Eiser (SGTMARNALG) heeft in 2014 op verzoek een besluit gekregen tot het toekennen van een tegemoetkoming in de woninghuur op [woonplaats] . Verweerder heeft de door eiser gehuurde woning passend verklaard en heeft met betrekking tot de hoogte van de tegemoetkoming een maximaal te vergoeden huurbedrag (huurplafond) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddel ingesteld. Hiermee is in rechte vast komen te staan dat de tegemoetkoming in de woninghuur, waarop eiser een aanspraak maakt, door een huurplafond wordt begrensd.

1.2

Voor de periode van 7 juli 2014 tot 6 juli 2018 was aan eiser de functie van instructeur toegewezen. Vanwege een arbeidsconflict is eiser van deze functie ontheven en is hij van 4 april 2016 tot 3 juli 2017 geplaatst op de functie Collator Bureau Opintel.

Op 3 juli 2017 is eiser geplaatst op de functie van senior medewerker Bureau Opintel.

Op verzoek van eiser is deze plaatsing verlengd tot 2 juli 2019.

1.3

Op 29 oktober 2015 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) een uitspraak gedaan in een andere zaak over de kwestie van het toepassen van een huurplafond (ECLI:NL:CRVB:2015:3790). De CRvB heeft geoordeeld, kort gezegd, dat het toentertijd geldende artikel 13 van het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel (VBD) niet de bevoegdheid verleent om de hoogte van de tegemoetkoming te beperken. De in die zaak toegepaste beleidsregel, op grond waarvan een beperking in de hoogte van de tegemoetkoming in de woninghuur was opgelegd, heeft de CRvB strijdig geacht met het VBD.

1.4

Artikel 13 van het VBD is met ingang van 1 februari 2016 gewijzigd

(Stct. 29 januari 2016, nr. 4651). Hiermee is een formele grondslag gecreëerd voor het toepassen van een huurplafond voor woningen die wat het huurbedrag betreft als niet geschikt worden aangemerkt.

1.5

In de periode tussen 1 februari 2016 en 14 juni 2016 is een uitvoeringspraktijk geweest waarin tegemoetkomingen in de woninghuur werden toegekend zonder het toepassen van een huurplafond. Verweerder is hiervan op de hoogte geraakt op 14 juni 2016 en heeft per direct deze uitvoeringspraktijk beëindigd. Na 14 juni 2016 heeft verweerder geen tegemoetkomingen zonder het toepassen van een huurplafond toegekend en heeft alle zulke verzoeken, die na 14 juni 2016 zijn ingediend, afgewezen.

2. Bij rekest van 12 november 2015 heeft eiser onder verwijzing naar de uitspraak in 1.3 verzocht om volledige tegemoetkoming in de woninghuur vanaf juli 2014.

3.1

Bij het primaire besluit heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

3.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit herroepen in die zin dat aan eiser de verzochte hogere vergoeding wordt toegekend vanaf 12 november 2015, zijnde de datum van zijn verzoek. Verweerder heeft, voor zover hier van belang, aangegeven dat de Hoofddirecteur Personeel (HDP) inmiddels heeft besloten dat verzoeken om een hogere tegemoetkoming (dat wil zeggen zonder toepassing van een huurplafond) ingediend vóór 14 juni 2016, ingewilligd zullen worden indien een woning passend is verklaard, en dat ingeval van verlenging op de huidige functie, een huurplafond niet zal worden toegepast. Indien men echter een nieuwe functie toegewezen krijgt in het land van de plaatsing, zal het eerder ten aanzien van hem vastgestelde huurplafond wel worden gehanteerd. In dat geval wordt men wel in de gelegenheid gesteld om op kosten van Defensie te verhuizen naar een andere passende woning dan wel naar een vrije keuze woning als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a en onder b, van het VBD.

Aangezien in dit geval sprake is van een duuraanspraak, is verweerder op grond van vaste jurisprudentie gehouden om de tegemoetkoming toe te kennen met ingang van de datum van het verzoek. Voor toekenning met terugwerkende kracht zoals door eiser verzocht, bestaat geen verplichting.

Verweerder heeft het verzoek om toekenning van proceskosten voor het bezwaar afgewezen, omdat volgens verweerder deze proceskosten al zijn toegekend in een ander besluit op bezwaar, dat als samenhangend besluit met het onderhavige besluit op bezwaar is aan te merken.

3.3

Bij het aanvullend besluit heeft verweerder een einddatum aan de aan eiser toegekende hogere tegemoetkoming vastgesteld, 3 juli 2017, zijnde de datum van de aanvang van eisers nieuwe functie, en bepaald dat vanaf 3 juli 2017 een huurplafond voor de tegemoetkoming in de woninghuur geldt, welk voor eiser is vastgesteld op NaFl 2.400,00.

Verweerder heeft aangegeven dat de toekenning van de hogere tegemoetkoming in de woninghuur aan eiser wordt toegewezen voor de duur dat eiser op zijn functie was geplaatst. De functietoewijzing per 4 april 2016 is van vóór de datum van het primaire besluit. Deze nieuwe plaatsing wordt daarom niet als een nieuwe plaatsing gezien. De nieuwe functie waarop eiser sinds 3 juli 2017 is geplaatst, wordt wel als een nieuwe plaatsing gezien. Daarom wordt ten aanzien van eiser met ingang van 3 juli 2017 een huurplafond gehanteerd. Eiser wordt in de gelegenheid gesteld, indien eiser dit wenst, om binnen de gestelde termijn op kosten van het ministerie te verhuizen naar een andere passende woning dan wel een vrije keuze woning.

4. Eiser kan zich niet verenigen met de ingangs- en einddatum van de aan hem toegekende hogere tegemoetkoming in de woninghuur, alsmede met het (opnieuw) toepassen van een huurplafond per 3 juli 2017 bij het toekennen van de tegemoetkoming. Daartoe heeft eiser, samengevat, het volgende aangevoerd.

Het bestreden besluit is onbevoegdelijk genomen, nu het primaire en het bestreden besluit door dezelfde autoriteit zijn genomen.

Vanaf de datum van de uitspraak in 1.3 mag verweerder geen huurplafond toepassen bij de toekenning van een tegemoetkoming in de woninghuur. Verweerder heeft niet als een goede werkgever gehandeld door de hogere tegemoetkoming aan eiser niet met terugwerkende kracht toe te kennen. Verweerder heeft onrechtmatig jegens eiser gehandeld door eiser niet over de gevolgen van de uitspraak in 1.3 te informeren en door aan eiser niet ambtshalve een hogere tegemoetkoming toe te kennen. In een andere kwestie (de zogenaamde eigen huishouding-zaken) heeft verweerder wel vanuit goed werkgeverschap tegemoetkomingen toegekend met terugwerkende kracht tot aan de datum van uitspraak van de CRvB in die kwestie.

Het beleid van verweerder om een huurplafond toe te passen bij de plaatsing op een nieuwe functie is onjuist. In dit uitzonderlijk geval – eiser was immers ten onrechte ontheven van zijn functie van instructeur en is hierdoor op een nieuwe functie geplaatst per 3 juli 2017 – dient de functietoewijzing per 3 juli 2017 te worden beschouwd als een voortzetting van de aan eiser per 7 juli 2014 toegewezen functie.

Het opnieuw toepassen van een huurplafond dient achterwege te blijven, nu eiser aanvankelijk tot 6 juli 2018 op zijn oorspronkelijke functie zou zijn geplaatst.

Aan eiser is eerst bij het bestreden besluit van 10 juli 2017 bekendgemaakt dat hij een keuze heeft om te verhuizen. Eiser kan echter niet met terugwerkende kracht verhuizen.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit ten onrechte geen proceskosten voor het bezwaar toegekend. Van samenhangende besluiten is er geen sprake.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

De rechtbank is allereerst van oordeel dat het bestreden besluit door de daartoe bevoegde autoriteit is genomen. Verweerder heeft terecht er op gewezen dat de bevoegdheid met betrekking tot het nemen van besluiten op grond van artikel 13 van het VBD, geattribueerd is aan de Commandant van het DCIOD. Deze bevoegdheid is vervolgens niet gemandateerd, zodat uitsluitend de Commandant van het DCIOD bevoegd is om een besluit in primo en een besluit in bezwaar te nemen. Van een bevoegdheidsgebrek bij de totstandkoming van het bestreden besluit is dan ook geen sprake.

5.2

De rechtbank is voorts van oordeel dat het betoog van eiser, dat verweerder aan hem de hogere tegemoetkoming ambtshalve en met terugwerkende kracht tot aan de datum van de uitspraak in 1.3 diende toe te kennen, niet kan slagen. Voor verweerder bestaat in een geval als het onderhavige, bij besluitvorming op aanvraag, geen wettelijke verplichting om het eerdere besluit, dat in 1.1. is vermeld, ambtshalve te herzien. Dat verweerder in gevallen over een ander onderwerp, dit uit coulance of een oogpunt van goed werkgeverschap wel heeft gedaan, maakt niet dat verweerder dit op dezelfde manier in alle andere kwesties zou moeten doen.

Eiser had zich zo nodig van een juridisch advies kunnen voorzien over de gevolgen van de uitspraak in 1.3. Het verwijt van eiser richting verweerder, dat verweerder hem in het ongewisse heeft gelaten, treft daarom geen doel.

Nu eiser niet eerder dan per rekest van 12 november 2015 heeft gevraagd of het toegepaste huurplafond ongedaan of stopgezet kon worden, terwijl hij uit zijn salarisstroken kon weten dat het ten aanzien van hem het huurplafond nog altijd wordt toegepast, dient van de rechtmatigheid van het toepassen van het huurplafond tot aan de datum van dat rekest te worden uitgegaan. Nu sprake is van een duuraanspraak, is verweerder niet gehouden om de hogere tegemoetkoming toe te kennen met ingang van een eerdere datum dan de datum van het daartoe gedane verzoek.

5.3

De rechtbank volgt eiser voorts niet in zijn betoog dat ten aanzien van hem ook na 3 juli 2017 geen huurplafond mag worden toegepast. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat aangezien na 1 februari 2016 geen aansprak meer bestond op de hogere tegemoetkoming en de ingangsdatum van eisers nieuwe functie 3 juli 2017 daarna gelegen is, eiser vanaf 3 juli 2017 niet meer in aanmerking voor een tegemoetkoming zonder toepassing van een huurplafond komt. Dat de einddatum van zijn eerdere functie eerst 6 juli 2018 zou zijn geweest, doet hier niet aan af. Verweerder heeft terecht op gewezen dat eiser na 3 juli 2017 de gelegenheid had om op kosten van Defensie te verhuizen naar een woning met een huurprijs die niet hoger is dan het voor eiser geldende huurplafond. Dat die verhuizing hogere kosten voor verweerder zou meebrengen, maakt niet dat verweerder niet in redelijkheid het aanvullend besluit van 3 juli 2017 kon nemen. Bijkomende kosten is slechts een van de aspecten die voor verweerder in zijn besluitvorming een rol kunnen spelen. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, heeft verweerder een zwaarwegend belang om de regelgeving te handhaven ten einde precedentwerking te voorkomen. Dat verweerder dit belang heeft laten prevaleren boven het voor verweerder in dit concrete geval negatief uitpakkend kostenplaatje, acht de rechtbank, gelet op hetgeen verweerder hieromtrent heeft aangevoerd, niet onredelijk.

Van een onredelijke of onrechtmatige behandeling van eiser, doordat ten aanzien van hem met ingang van 3 juli 2017 een huurplafond is toegepast, is geen sprake.

5.4

Verweerder heeft zich met betrekking tot de aangedragen beroepsgrond tegen het niet toekennen van proceskosten voor het bezwaar, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat nu verweerder heeft aangegeven dat er meerdere maanden zijn gelegen tussen de afdoening van eisers bezwaar en het bezwaar in de andere zaak waarnaar in het bestreden besluit is verwezen, van nagenoeg gelijktijdige afhandeling van de bezwaarschriften, en derhalve van samenhangende zaken, geen sprake is geweest.

De beroepsgrond slaagt.

6. Het beroep is gelet op 5.4 gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit op het onderdeel van de proceskosten vernietigen en zal zelf in de zaak voorzien door aan eiser voor de behandeling van het bezwaar proceskosten toe te kennen. Deze proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1.)

De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

7. Voorts bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van het beroep. De voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1.)

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin geen proceskosten voor het bezwaar zijn

toegekend;

- bepaalt dat aan eiser proceskosten worden toegekend voor het indienen van het

bezwaarschrift ten bedrage van € 501,-;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde onderdeel van het

bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.002,-;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.