Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6244

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
29-05-2018
Zaaknummer
C-09-550848-KG ZA 18-325
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter in Den Haag heeft vandaag bepaald dat eiser zich niet langer hoeft te melden bij de reclassering.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Staat, gelet op de adviezen van het NIFP en de reclassering, in redelijkheid niet tot zijn beslissing tot handhaving van de meldplicht heeft kunnen komen. Onmiskenbaar heeft eiser een zeer ernstig feit gepleegd. Daarmee is rekening gehouden bij de aan hem opgelegde straf.

Bij de beoordeling van de vraag of de meldplicht bij de reclassering moet worden gehandhaafd, speelt de ernst van het gepleegde feit geen rol meer. Daarvoor is van belang of deze bijzondere voorwaarde nog zinvol is met het oog op het terugbrengen van het recidiverisico. Dat is volgens het NIFP en de reclassering niet het geval. Dat betekent dat eiser niet langer kan worden verplicht zich periodiek bij de reclassering te melden.

Voorwaarden

Deze uitspraak betekent niet dat er voor eiser helemaal geen voorwaarden meer gelden. Voor hem gelden nog de voorwaarden dat hij gedurende de resterende periode van zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling (tot 2020) geen strafbare feiten mag plegen, dat hij geen contact mag hebben met de media en dat hij de familie van Pim Fortuyn en/of Q niet mag benaderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/463
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/550848 / KG ZA 18/325

Vonnis in kort geding van 29 mei 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. W.H. Jebbink te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Openbaar Ministerie en Ministerie van Justitie en

Veiligheid,

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met daarbij en nadien overgelegde producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de op 15 mei 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Bij brief van 14 mei 2018 heeft [eiser] verzocht om behandeling van de zaak met gesloten deuren, omdat als onderdeel van het geding rapporten die onder meer zijn persoon/persoonlijkheid betreffen zullen worden besproken. Volgens [eiser] eist de eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer dat niet publiekelijk de resultaten van psychologisch en psychiatrisch onderzoek worden behandeld of besproken en verder wil hij vrij zijn om in te gaan op door hem gevoerde vertrouwelijke besprekingen met de Staat. [eiser] heeft dit verzoek ter zitting nog kort nader toegelicht. De Staat heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat een openbare terechtzitting het uitgangspunt is. Verder heeft de Staat gesteld dat hij maar kort op de door [eiser] bedoelde rapporten zal ingaan en dat behandeling achter gesloten deuren daarom vooralsnog niet nodig is.

1.3.

De voorzieningenrechter heeft ter terechtzitting bepaald dat de behandeling van de zaak niet achter gesloten deuren zal plaatsvinden. Reden hiervoor is dat een openbare terechtzitting een belangrijk uitgangspunt van de rechtspraak is. De gedachte daarachter is dat rechtspraak controleerbaar moet zijn voor het publiek. De inhoud van de dagvaarding en hetgeen [eiser] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om in afwijking op dit uitgangspunt de gehele behandeling van de zaak achter gesloten deuren te laten plaatsvinden. [eiser] is er door de voorzieningenrechter op gewezen dat hij tijdens de mondelinge behandeling bij de bespreking van concrete punten nog kan verzoeken dat deel van de behandeling van de zaak achter gesloten deuren te laten plaatsvinden en dat de voorzieningenrechter op dat verzoek dan nog zal beslissen. [eiser] heeft daar niet meer om verzocht.

1.4.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 18 juli 2003 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien jaar wegens, in het bijzonder, de moord op Pim Fortuyn en het bedreigen van zijn chauffeur.

2.2.

Bij Besluit voorwaardelijke invrijheidstelling van 25 april 2014 heeft het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) [eiser] met ingang van 2 mei 2014 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling zijn algemene en bijzondere voorwaarden verbonden als bedoeld in artikel 15a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Als bijzondere voorwaarde is onder meer een meldplicht bij Reclassering Nederland (hierna: de Reclassering) opgelegd. Het besluit voorwaardelijke invrijheidstelling is na 25 april 2014 een aantal keer door het OM gewijzigd, waarbij altijd een meldplicht is blijven gelden. De formulering van de meldplicht is voor het laatst (naar aanleiding van de hierna onder 2.7 en 2.8 genoemde rapporten) gewijzigd bij Wijzigingsbesluit voorwaardelijke invrijheidstelling van 18 april 2018. De meldplicht is sindsdien als volgt geformuleerd:

“Meldplicht (8. MELDP)

Namelijk:

- dat u zich gedurende de proeftijd eens per zes weken zult melden bij Reclassering Nederland (…).

Deze meldplicht heeft tot doel toezicht te houden op de factoren die in de rapportages van het NIFP van 26-09-2017 en de Reclassering Nederland van 15-01-2018 als beschermend zijn aangeduid.

- U bent verplicht actief aan deze meldplicht deel te nemen door gevraagd en ongevraagd informatie te verstrekken die relevant is in het licht van de beschermende factoren. U dient vragen te beantwoorden over uw:

Huisvesting

Inkomen

Dagbesteding

Sport

Contact met partner en dochter

Sociale netwerk

- Het OM kan ten behoeve van de meldplichtgesprekken bij het openbaar bestuur en de politie informatie inwinnen en deze aan de Reclassering verstrekken.

Indien bij het OM of de Reclassering informatie bekend wordt die naar inschatting van het OM of de Reclassering van invloed kan zijn op het recidiverisico, dient u vragen daarover te beantwoorden. Dat geldt ook indien het vragen over andere dan de hiervoor benoemde beschermende factoren betreft.

- U dient zich te houden aan de aanwijzingen die u in het kader van de meldplicht door de Reclassering Nederland worden gegeven.

- De frequentie van de meldplichtgesprekken wordt zes maanden na de ingangsdatum van het besluit geëvalueerd.”

2.3.

In 2016 heeft [eiser] een kort geding tegen de Staat aanhangig gemaakt waarin hij, voor zover nu relevant, heeft gevorderd de Staat te verbieden om aan hem gedurende de proeftijd de voorwaarde en eis te stellen en de verplichting op te leggen om in het kader van de meldplicht bij de reclassering informatie te verstrekken en vragen te beantwoorden. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft deze vordering bij vonnis van 25 mei 2016 afgewezen.

2.4.

[eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 25 mei 2016. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 20 september 2016 het vonnis van 25 mei 2016 bekrachtigd.

2.5.

Op 12 december 2016 heeft het OM een vordering bij de rechtbank Amsterdam ingediend om de voorwaardelijke invrijheidstelling van [eiser] voor een periode van 365 dagen te herroepen in verband met het niet naleven van de bijzondere voorwaarde van meewerken aan het reclasseringstoezicht. De rechtbank heeft die vordering afgewezen bij uitspraak van 6 februari 2017. Daarbij heeft de rechtbank, voor zover nu van belang, als volgt overwogen:

“(…)

De rechtbank onderschrijft wat de civiele rechter over de inhoud van de meldplicht heeft overwogen. Uitgangspunt is dat de meldplicht inhoudt dat veroordeelde zich op de afgesproken tijdstippen bij de reclassering meldt en dat hij dan een gesprek met de reclassering aangaat, waarbij hij informatie verschaft over zijn re-integratie in de maatschappij. In dit inhoudelijke gesprek moet hij vragen van de reclassering beantwoorden over hoe het met hem gaat, waar hij zich mee bezig houdt en heeft gehouden, wat zijn plannen zijn en hoe bepaalde contacten verlopen. (…) De verplichting om mee te werken aan dat onderzoek – en daarmee de verplichting van veroordeelde om inzicht te geven in zijn persoonlijke levenssfeer – is evenwel niet onbegrensd. Ook de Staat heeft in de civiele procedure het uitgangspunt ingenomen dat, als veroordeelde een basaal inzicht zou geven op zijn re-integratie, er niets aan de hand was. Een volledig beeld van zijn privéleven hoefde de reclassering dan ook niet te krijgen.

De vraag die in deze procedure beantwoord moet worden is of veroordeelde naar behoren aan de meldplicht invulling heeft gegeven. (…)

Niet ter discussie staat dat veroordeelde zich steeds heeft gemeld. Uit de overgelegde transcripties blijkt verder dat hij, in elk geval vanaf het moment dat de voorzieningenrechter vonnis heeft gewezen, een basaal inzicht heeft gegeven in zijn privéleven aan de hand van de overeengekomen vragen. Uit deze door hem gegeven informatie komt naar voren dat hij zich staande kan houden in de maatschappij en dat hij bezigheden, een gezin en een dak boven zijn hoofd heeft.

De moeizame wijze waarop hij deze informatie heeft verstrekt, is mogelijk mede terug te voeren op zijn persoonlijkheid en op de negatieve ervaring die hij na de uitzending van Brandpunt Reporter met de reclassering heeft gehad. Hij heeft, zo stelt hij, het vertrouwen in de reclassering verloren en werkt slechts (met tegenzin) mee voor zover door de rechter noodzakelijk is geoordeeld.

Dat daarmee geen sprake is van een goed lopend reclasseringscontact is duidelijk. Het naar behoren voldoen aan de meldplicht is echter niet één op één gelijk te stellen met een succesvol contact. Kennelijk ziet het OM dat anders. Het OM heeft echter niet duidelijk kunnen maken waarom het eerder door de Staat ingenomen standpunt dat veroordeelde kan volstaan met het geven van een basaal zicht op zijn re-integratie, moet worden verlaten.

Dat de reclassering zich op het standpunt stelt aan de hand van de verstrekte informatie geen volledige en goed onderbouwde inschatting van risico’s te kunnen geven maakt dus niet dat de herroeping van de v.i. gerechtvaardigd is. Het roept wel de vraag op of het zinvol is het toezicht op deze wijze voort te zetten of dat aanpassing van de voorwaarden noodzakelijk is, maar dat staat nu niet ter beoordeling.

(…)

Het bovenstaande betekent dat veroordeelde naar het oordeel van de rechtbank de bijzondere voorwaarde van de meldplicht niet heeft overtreden.

(…)”

2.6.

Na de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2017 zijn partijen in overleg getreden over de wijze waarop in de toekomst invulling gegeven kon worden aan de meldplicht. In dat kader heeft het OM (in de persoon van mr. [X] , officier van justitie) op 5 mei 2017 een e-mailbericht aan de advocaat van [eiser] gestuurd met, voor zover nu van belang, de volgende inhoud:

“1. Het perspectief van het OM om een NIFP-onderzoek te willen, is om zicht te krijgen op het recidivegevaar en de reïntegratie van uw cliënt, maar daarnaast om recht te doen aan de beslissing van de rechtbank Amsterdam d.d. 6 februari 2017, waarin de rechtbank zegt dat onderzocht moet worden hoe op een zinvolle wijze invulling gegeven kan worden aan de meldplicht. Gelet op die achtergrond kan er geen sprake zijn van enige toezegging vooraf over een mogelijke afbouw van de meldplicht.

(…)

4. Het OM vindt een “kale meldplicht” acceptabel zolang het NIFP-onderzoek loopt; anders geformuleerd: hangende het NIFP-onderzoek. Wij hebben al aangegeven dat de reclassering een advies zal uitbrengen over het NIFP-rapport. (…)”

2.7.

In opdracht van het OM heeft het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: NIFP) een psychologisch onderzoek naar [eiser] ingesteld. Bij dit onderzoek zijn betrokken een psychiater, een klinisch psycholoog en een milieurapporteur. [eiser] heeft medewerking verleend aan dit onderzoek. In het van dit onderzoek opgestelde rapport van 26 september 2017 (hierna: het NIFP-rapport) staat, voor zover nu relevant, het volgende vermeld:

8. Risicotaxatie

Klinische risicotaxatie

Uit het onderhavige onderzoek komt naar voren dat de persoonlijkheidspathologie van betrokkene sinds 2003 (toen in het PBC bij hem een obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis werd gediagnosticeerd) zodanig in ernst is verminderd, dat niet langer van deze stoornis gesproken kan worden. Dit werd in 2011 ook door psycholoog [A] , in 2014 door de gedragsdeskundigen [B] en [C] en in 2015 door psychiater [D] geconcludeerd. Zoals uit het onderhavige onderzoek naar voren komt, is bij betrokkene wel sprake van typerende persoonlijkheidskenmerken, zoals onder meer blijkt uit een neiging tot orde, discipline, controle en perfectionisme, als ook uit een zekere starheid en rigiditeit. Deze kenmerken kleuren zijn persoonlijkheid, maar daar staat tegenover dat hij goed in staat is om gedragsalternatieven aan te wenden. Voorts kan worden opgemerkt dat betrokkene onomwonden afstand heeft genomen van zijn gedragingen in 2002 (de moord op Fortuyn), kan hij goed verwoorden dat hij destijds een verkeerde keuze heeft gemaakt en Fortuyn nooit van het leven had mogen beroven. Zijn spijt over hetgeen hij het slachtoffer, diens familie en vrienden en de samenleving heeft aangedaan, imponeert als oprecht. Tot slot kan worden gesteld dat sprake is van een groot aantal beschermende factoren, zoals huisvesting, inkomen, dagbesteding, sport, contact met zijn partner en dochter en een steunend sociaal netwerk.

Op basis van klinisch onderzoek en de informatie uit het milieuonderzoek kan aldus geconcludeerd worden dat het recidiverisico wordt ingeschat als laag.

Gestructureerde risicotaxatie

(…) Betrokkene functioneert thans in affectief, gedragsmatig en cognitief opzicht stabiel. ook op de risicohanteringsitems scoort betrokkene laag, wat betekent dat verwacht wordt dat hij ook in de toekomst in staat zal zijn om zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden en om te gaan met eventuele stressoren, en dat hij stabiel zal blijven functioneren.

Met behulp van de SAPROF kan een inschatting gemaakt worden van beschermende factoren voor geweldpleging. (…) Geconcludeerd kan worden dat sprake is van een groot aantal beschermende factoren en dat op basis van de gestructureerde risicotaxatie het recidiverisico als laag kan worden ingeschat.

Conclusie risicotaxatie

Op basis van de klinische- en gestructureerde risicotaxatie wordt het recidiverisico ingeschat als laag.

9 Beantwoording van de vragen

(…)

2. Risicoanalyse

(…)

(…) Uit het onderhavig onderzoek is naar voren gekomen dat deze persoonlijkheidskenmerken (zoals obsessieve-compulsieve of narcistische kenmerken) is afgenomen. Dit betekent dat er thans geen grond is om te veronderstellen dat psychische krenkingen tot een verhoogd recidiverisico leiden.

Parallel hieraan, vermoedelijk samenhangend met de inmiddels redelijk lange periode dat hij in de samenleving participeert, zijn de copingvaardigheden van betrokkene toegenomen en is zijn vermogen vergroot om gedragsalternatieven aan te wenden. Ten aanzien van het delict neemt betrokkene geheel afstand van de moord die hij pleegde. Hij stelt zeer duidelijk dat hij de heer Fortuyn nooit van het leven had mogen beroven en zegt bij herhaling spijt te hebben van zijn daad. Betrokkene wil zich richten op de toekomst, met zijn partner en dochter en een betaalde baan die nuttig is voor de samenleving. Het aantal beschermende factoren is thans groot.

3. Risicomanagement

a. Wat zijn drie jaar na invrijheidstelling naar aanleiding van uw risicoanalyse uw aanbevelingen ten aanzien van eventuele behandeling c.q. begeleiding en het risicomanagement?

b. Is er een eindtoestand te definiëren in termen van recidivegevaar en wat is eventueel nodig aan behandeling c.q. begeleiding mede in het licht van uw waardering van de collaterale informatie om die eindtoestand te bereiken? Wat betekent deze eindtoestand in termen van begeleiding en risicobeheersing?

c. Hoe kan de meldplicht bij de reclassering (opgenomen als bijzondere voorwaarde in het besluit tot voorwaardelijke invrijheidstelling) worden in gevuld op een wijze zoals bedoeld door de rechtbank:

“Van beide kanten zal aan herstel van vertrouwen moeten worden gewerkt. Veroordeelde moet daarbij voor ogen houden dat het juist in zijn belang is dat er een vruchtbaar reclasseringscontact ontstaat”. Zijn er manieren van beïnvloeding mogelijk van de responsiviteit von betrokkene ten opzichte van organisaties in het algemeen en organisaties en de reclassering in het bijzonder indien dit noodzakelijk is?

d. Kunt u een gemotiveerde inschatting geven van de bereidwilligheid van verdachte om mee te werken aan de voorwaarden?

Op grond van de bevindingen ten aanzien van de risicotaxatie, alsmede gelet op het feit dat bij betrokkene geen sprake is van een psychische stoornis of persoonlijkheidspathologie, concluderen ondergetekenden dat behandeling en begeleiding niet zijn aangewezen. Er zijn vanuit gedragskundig oogpunt geen bijzondere voorwaarden noodzakelijk met betrekking tot het risicomanagement.

Ten aanzien van het begrip ‘eindtoestand’ gaan de onderzoekers ervan uit dat dit ziet op de vraag of het recidiverisico nog verder verlaagd kan worden dan thans het geval is. Hierover kan gesteld worden dat risicotaxatie-instrumenten slechts drie klassen kennen ten aanzien van de inschatting van de kans op recidive: laag, matig of hoog (eventueel ook: laag-matig en matig-hoog). Het recidiverisico kan niet lager dan als ‘laag’ worden ingeschat. In dat opzicht is de eindtoestand in termen van recidivegevaar bereikt.

Ten aanzien van de meldplicht bij de reclassering kunnen op grond van het onderhavige onderzoek geen aanbevelingen worden gedaan voor het laten voortduren ervan. Immers is sprake van een laag recidiverisico, dat met behulp van op wetenschap gebaseerde instrumenten niet nog lager ingeschat kan worden. Een meldplicht zal vanuit gedragskundig oogpunt geen bijdrage leveren aan het verminderen van het recidiverisico, dat immers niet nog lager ingeschat kan worden.

(…)”

2.8.

Naar aanleiding van het NIFP-rapport heeft het OM de Reclassering opdracht gegeven om een rapport uit te brengen ter beantwoording van de vragen:

i. Hoe kijkt de Reclassering tegen handhaving van de meldplicht van [eiser] aan. Moet deze worden voortgezet en zo ja, op welke manier?

ii. In hoeverre is een vorm van toezicht op de in het NIFP-rapport genoemde beschermende factoren geïndiceerd?

De Reclassering heeft hiervan op 15 januari 2018 een rapport uitgebracht (hierna: het Reclasseringsrapport). Het rapport is tot stand gekomen met behulp van een op 20 november 2017 afgenomen RISc (Recidive Inschattings Schalen, een diagnostisch instrument waarmee de reclasseringsmedewerker een inschatting maakt van het recidiverisico, de factoren die het delictgedrag bepalen en de mogelijkheden voor gedragsverandering). In het Reclasseringsrapport staat, voor zover nu van belang, het volgende vermeld:

8 Beantwoording vraagstelling OM

(…)

Ten aanzien van vraag 1:

De herzieningsrechter heeft beslist dat het geven van basale informatie tijdens de meldplichtcontacten voldoende is. Om tot een goede risico-inschatting te komen, heeft Reclassering Nederland echter meer informatie van betrokkene nodig dan juridisch mogelijk is. In voortzetting van de meldplichtcontacten zien wij hierdoor dan ook geen toegevoegde waarde meer.

Ten aanzien van vraag 2:

Niet alle beschermende factoren zijn duurzaam ingevuld, zo heeft de heer [eiser] geen betaald werk, maar wel een zinvolle dagbesteding. Verder heeft hij op de verschillende leefgebieden zijn zaken op orde, echter blijft Reclassering Nederland zorgen houden over de expliciete gedragingen van betrokkene, zoals in de integrale conclusie staan beschreven. Om zicht te houden op de bestendiging in het evenwicht van de leefsituatie van betrokkene en zicht te houden op de overige bijzondere voorwaarden, is een vorm van toezicht gewenst.

9 Advies

Omdat Reclassering Nederland geen goede risico-inschatting kan maken en zorgen blijft houden over de expliciete gedragingen van de heer [eiser] , adviseert Reclassering Nederland een vorm van toezicht te houden. Gedacht wordt hierbij aan periodieke evaluatiemomenten door het Openbaar Ministerie en jaarlijks een rapportage, opgemaakt door een reclasseringsorganisatie, die zicht geeft op de bestendiging van de beschermende factoren, gedurende de voorwaardelijke invrijheidstelling-periode, waaraan de heer [eiser] dient mee te werken.

(…)”

2.9.

Op dit moment gelden voor [eiser] naast de algemene voorwaarden bij de voorwaardelijke invrijheidstelling en de meldplicht nog bijzondere voorwaarden inhoudende een contactverbod met bepaalde personen en een mediaverbod. Aan de meldplicht is in de periode vanaf 26 oktober 2016 (volgens [eiser] ), althans 15 december 2016 (volgens de Staat) beperkt invulling gegeven. Vanaf dat moment heeft [eiser] zich tot 20 april 2017 gedurende een periode geheel niet hoeven melden, vervolgens heeft hij zich een periode ‘kaal’ (zonder het verstrekken van inhoudelijke informatie) moeten melden (zie ook het onder 2.6 weergegeven e-mailbericht) en daarna zijn de meldplichtcontacten gebruikt ten behoeve van het verkrijgen van informatie voor het Reclasseringsrapport.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven:

I. de Staat met onmiddellijke ingang te verbieden aan hem gedurende zijn proeftijd in de zaak met parketnummer [nummer] (opnieuw) de verplichting op te leggen zich te melden bij de Reclassering of enige andere instantie, althans deze meldplicht op te schorten dan wel te schorsen; en/of

II. te bepalen dat [eiser] in de zaak met parketnummer [nummer] niet gehouden is zich op enige datum te melden bij de Reclassering; en/of

III. de Staat te verbieden in de zaak met parketnummer [nummer] van [eiser] te verlangen dat hij tijdens nadere meldplichtcontacten vragen beantwoordt, althans deze verplichting tot het beantwoorden van vragen op te schorten of te schorsen;

met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. De Staat kan in redelijkheid niet tot het handhaven van de meldplicht komen, althans de Staat kan in redelijkheid niet langer verlangen dat [eiser] informatie aan de Reclassering verstrekt. In de periode vanaf 26 oktober 2016 heeft de Staat gedurende bijna zes maanden niet van [eiser] verlangd zich bij de Reclassering te melden en gedurende een periode van een jaar heeft de Staat grotendeels toegestaan dat [eiser] tijdens de meldplichtcontacten geen informatie verstrekte. Dit heeft niet tot problemen geleid. Bovendien verblijft [eiser] al vier jaar in vrijheid, ondervindt hij geen problemen en heeft hij geen hulpvraag aan de Reclassering. Het NIFP oordeelt op grond van een grondige risicoanalyse dat de meldplicht geen doel meer dient in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling en dat het recidiverisico op het laagst mogelijke niveau is. Ook de meest recente RISc stelt het recidiverisico op het laagst mogelijke niveau en de Reclassering ziet geen toegevoegde waarde meer in voortzetting van de meldplichtcontacten. Bovendien is de meldplicht voor [eiser] – door het handelen van de Reclassering – belastend en niet effectief voor zijn resocialisatie / het voorkomen van recidivegevaar en blokkeert de meldplicht de wens van [eiser] om te emigreren. Al deze omstandigheden, afzonderlijk of in onderlinge samenhang bezien, maken dat de Staat onrechtmatig handelt jegens [eiser] door de meldplicht te handhaven.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Vooraf

4.1.1.

[eiser] baseert zijn vorderingen op onrechtmatig handelen van de Staat. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de civiele rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, gegeven. [eiser] is in zijn vordering ook ontvankelijk, omdat hem, voor wat hij wil bereiken met dit kort geding (schorsing van de bijzondere voorwaarde met betrekking tot de meldplicht) geen andere, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open staat.

4.1.2.

De rechtsvraag die in dit kort geding beantwoord moet worden is of aan [eiser] nog de plicht kan worden opgelegd om zich (als bijzondere voorwaarden verbonden aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling) te melden bij de Reclassering en daar vragen te beantwoorden. Voor de beantwoording van deze rechtsvraag zal de voorzieningenrechter eerst het wettelijk kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling en de achtergronden daarbij schetsen, zoals die voor iedere veroordeelde – en dus ook voor [eiser] – gelden. Vervolgens zullen de vorderingen van [eiser] inhoudelijk worden beoordeeld.

4.2.

Wettelijk kader

4.2.1.

De beslissing over het stellen van bijzondere voorwaarden en de termijn waarvoor de proeftijd bij de bijzondere voorwaarden geldt wordt genomen door het OM. Artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: het Uitvoeringsbesluit) bepaalt dat het OM de bijzondere voorwaarden aanvult, wijzigt of opheft indien de naleving daarvan door een veroordeelde of wijziging van overige omstandigheden daar aanleiding voor geeft. Bij de door haar te nemen beslissing over de bijzondere voorwaarden heeft het OM een grote mate van beleidsvrijheid. Die vrijheid vindt haar grens als geoordeeld moet worden dat het OM in redelijkheid niet tot het gevoerde beleid heeft kunnen komen. Dit laatste zal daarom bij de beoordeling van de vorderingen van [eiser] worden getoetst.

4.3.

Het doel van het stellen van bijzondere voorwaarden

4.3.1.

Uit de Memorie van Toelichting bij de wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de wijziging van de vervroegde invrijheidstelling in een voorwaardelijke invrijheidstelling (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 513, nr. 3) blijkt wat de bedoeling van de wetgever is geweest bij de huidige regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling: beschermen van de samenleving door het beperken van de kans op recidive door middel van het stellen van (algemene/bijzondere) voorwaarden. Zo staat in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld vermeld:

“(…)

(…) Gelet op het doel van de voorwaardelijke invrijheidstelling, nl. de bescherming van de samenleving door vermindering van de kans op recidive, is het onwenselijk om over te gaan naar een systeem waarbij een gedetineerde niet voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld, behoudens enkele uitzonderlingen. In een dergelijk systeem zouden immers veel gedetineerden pas wanneer de door de rechter opgelegde straf geheel is uitgezeten in vrijheid worden gesteld, zonder dat nog voorwaarden kunnen worden gesteld. Er is dan geen gecontroleerde en geleidelijke overgang van detentie naar vrijheid. (…)

(…)

De algemene voorwaarde geldt in alle gevallen waarin voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend. Ten aanzien van bijzondere voorwaarden is dit anders. Voor iedere gedetineerde zal bekeken moeten worden of het nodig is om bijzondere voorwaarden te stellen. Het stellen van bijzondere voorwaarden kan achterwege blijven indien het recidiverisico als gering wordt ingeschat op grond van bijvoorbeeld de persoonlijke omstandigheden van de gedetineerde. (…) In alle overige gevallen zal steeds aan de hand van een inschatting van het recidiverisico bekeken moeten worden welke bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling moeten worden verbonden. Daarbij kan onder andere het nieuwe diagnose instrument RISc (…) een rol spelen. (…)

(…)

(…) Cruciaal bij het voorkomen van recidive is de periode onmiddellijk na de invrijheidstelling. Juist in de periode onmiddellijk na de invrijheidstelling is van interventies het meeste effect te verwachten. In deze periode moet het eigen leven in de samenleving weer worden opgebouwd. Dit gaat gepaard met tegenslagen en hindernissen. Begeleiding en toezicht kan bij het omgaan met die tegenslagen en hindernissen het meeste effect sorteren. Na enige tijd zal vervolgens wel duidelijk zijn of de voorwaardelijk in vrijheid gestelde op de goede weg is met het opbouwen van een aanvaardbaar maatschappelijk bestaan of dat hij recidiveert. In het eerste geval is het niet nodig gestelde bijzondere voorwaarden te handhaven, in het tweede geval zal een adequate strafrechtelijke reactie dienen te volgen. (…)

Hieruit volgt dat bijzondere voorwaarden niet als automatisme bij voorwaardelijke invrijheidstelling worden opgelegd, maar alléén als dat in verband met het recidiverisico van een veroordeelde nodig is. Dit betekent dat de bijzondere voorwaarden niet gedurende de gehele proeftijd hoeven te gelden, maar kunnen worden opgeheven als deze niet meer nodig zijn.

4.3.2.

Of er sprake is van een recidiverisico en of er in verband daarmee bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling moeten worden verbonden, moet bij elke veroordeelde afzonderlijk beoordeeld worden. De ernst van het gepleegde delict speelt bij die beoordeling geen zelfstandige rol meer. Daarmee is al rekening gehouden bij de opgelegde straf.

4.4.

Inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [eiser]

4.4.1.

Toen [eiser] voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld is aan hem als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de Reclassering opgelegd. De invulling van deze meldplicht is niet altijd vlekkeloos verlopen. Partijen hebben ieder hun eigen lezing over aan wie dat te wijten is. Van een overtreding van de meldplicht door [eiser] is, zoals blijkt uit de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2017 (zie 2.5), echter geen sprake geweest. Uit deze uitspraak volgt ook dat [eiser] (slechts) een basaal inzicht hoeft te geven in zijn re-integratie. In vervolg op deze uitspraak van de rechtbank Amsterdam zijn partijen in overleg getreden over hoe in de toekomst op zinvolle wijze invulling gegeven kan worden aan de meldplicht. In dat kader heeft het OM het onderzoek door het NIFP en de Reclassering laten uitvoeren.

4.4.2.

De conclusies uit het NIFP-rapport en het Reclasseringsrapport zijn helder. Zowel uit het NIFP-rapport als uit het reclasseringsrapport volgt – weliswaar deels op andere gronden – dat van voortzetting van de meldplichtcontacten geen toegevoegde waarde valt te verwachten in het kader van het beperken van de kans op recidive.

4.4.3.

Het NIFP komt in een uitvoerig rapport naar aanleiding van een onderzoek dat is uitgevoerd door een psychiater, een klinisch psycholoog en een milieurapporteur tot de conclusie dat er bij [eiser] geen sprake is van een psychische stoornis of persoonlijkheidspathologie en dat er sprake is van een laag recidiverisico. Geconcludeerd wordt dat behandeling en begeleiding niet nodig zijn en dat vanuit gedragsdeskundig oogpunt geen bijzondere voorwaarden met betrekking tot het risicomanagement nodig zijn. Het NIFP concludeert verder dat een meldplicht vanuit gedragsdeskundig oogpunt geen bijdrage zal leveren aan het verminderen van het recidiverisico, omdat het recidiverisico niet lager kan worden ingeschat dan op dit moment het geval is.

4.4.4.

De Staat plaatst kanttekeningen bij deze conclusies. Volgens de Staat volgt uit het NIFP-rapport dat er nog sprake is van risicobevorderende, dwangmatige persoonlijkheidskenmerken. Daar staan op dit moment beschermende factoren tegenover waardoor het recidiverisico als laag kan worden ingeschat. Daarbij moet volgens de Staat in aanmerking worden genomen dat er maar drie klassen (laag - matig - hoog) zijn waarin het recidiverisico kan worden ingeschat en dat (alleen) tegen die achtergrond de eindtoestand in termen van recidiverisico is bereikt.

4.4.5.

Deze uitleg van het NIFP-rapport kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden gevolgd, simpelweg omdat het door de Staat gestelde verband – dat alleen tegen de achtergrond van de drie klassen waarin het recidiverisico kan worden ingeschat het recidiverisico laag is – niet uit het NIFP-rapport is af te leiden. Als naar inschatting van het NIFP het recidiverisico – ondanks dat deze al als laag is geklasseerd – nog te verminderen zou zijn, valt niet in te zien waarom het NIFP dat niet zou hebben geconcludeerd. Bovendien noemt het NIFP weliswaar dat er sprake is van ‘risicobevorderende persoonlijkheidskenmerken’, maar daarbij wordt ook opgemerkt dat deze zijn verminderd en dat deze niet zodanig aanwezig zijn dat van een pervasief patroon, verregaand disfunctioneren of een persoonlijkheidsstoornis gesproken kan worden. Verder is, anders dan de Staat stelt, in het NIFP-rapport ook niet te lezen dat doordat tegenover de risicobevorderende persoonlijkheidskenmerken beschermende factoren staan het recidiverisico laag is.

4.4.6.

Ook de Reclassering ziet in voortzetting van de meldplichtcontacten geen toegevoegde waarde, omdat [eiser] , gelet op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2017, bij die meldplichtcontacten alleen maar basale informatie hoeft te geven over zijn re-integratie en die informatie voor de Reclassering onvoldoende is om een goede risico-inschatting te maken. De Reclassering stelt dat zij daardoor geen goed zicht heeft kunnen krijgen op het functioneren van [eiser] en zij vraagt zich af hoe [eiser] in bepaalde situaties zal reageren en wat er zal gebeuren als de beschermende factoren (deels) wegvallen, terwijl die beschermende factoren volgens de Reclassering niet allemaal duurzaam zijn ingevuld.

4.4.7.

Dat laatste neemt volgens de voorzieningenrechter echter niet weg dat de conclusie is dat de Reclassering geen toegevoegde waarde ziet in voortzetting van de meldplichtcontacten. De rechtbank Amsterdam heeft immers bepaald dat [eiser] met het geven van basale informatie aan zijn verplichtingen ten aanzien van de contacten met de Reclassering op grond van de aan hem opgelegde bijzondere voorwaarde voldoet. Uitgangspunt is dat [eiser] geen verdere informatie hoeft te verschaffen dan hij nu doet. In dat geval is de meldplicht, ook volgens de Reclassering, zinloos.

4.4.8.

Het is overigens niet voor het eerst is dat meldplichtcontacten voor [eiser] als niet noodzakelijk worden beoordeeld. Al voorafgaand aan de voorwaardelijke invrijheidstelling van [eiser] in 2014 heeft de directeur van de penitentiaire inrichting waar [eiser] het OM op basis van het gedrag van [eiser] in detentie geadviseerd geen bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke invrijheidstelling te verbinden, omdat dat niet nodig was. Ook het recidiverisico is door het NIFP in een rapport van 23 februari 2014 al als laag ingeschat Op dat moment was echter nog niet te voorzien hoe de terugkeer van [eiser] in de maatschappij (mede vanwege mogelijke maatschappelijk onrust) zou uitpakken, zodat het opleggen van de bijzondere voorwaarde van de meldplicht bij de Reclassering toen voor de hand lag. Inmiddels is de situatie echter anders. [eiser] is nu al meer dan vier jaar voorwaardelijk in vrijheid gesteld en er hebben zich in die periode geen problemen voorgedaan bij zijn resocialisatie. Maatschappelijke onrust heeft daarop geen invloed gehad en uit het NIFP-rapport kan zonder meer worden afgeleid dat [eiser] zijn leven in vrijheid op goede manier vorm heeft kunnen geven.

4.5.

Conclusie

4.5.1.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en vanwege het doel waarvoor bijzondere voorwaarden volgens de wet kunnen worden opgelegd, moet worden geconcludeerd dat het OM zich thans niet langer in redelijkheid op standpunt kan stellen dat de meldplicht van [eiser] bij de Reclassering moet worden gehandhaafd. Hierbij is ook in aanmerking genomen dat in de afgelopen periode maar zeer beperkt invulling is gegeven aan de meldplicht van [eiser] (zie onder 2.9). Ook in deze periode is van enige problemen bij de resocialisatie of een toename van het recidiverisico geen sprake geweest. De omstandigheid dat [eiser] een misdrijf heeft begaan dat zeer uitzonderlijk was en dat tot grote maatschappelijke onrust heeft geleid maakt het voorgaande niet anders. De maatschappelijke onrust en de ernst van het gepleegde feit zijn namelijk al meegewogen bij de oplegging van de straf en betrokken bij het als laag beoordeelde recidiverisico. Zoals in een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RBDHA:2014:9411) al is overwogen, krijgt de handhaving van bijzondere voorwaarden een punitief karakter, als de ernst van het delict en de maatschappelijke onrust die daardoor is ontstaan daarbij opnieuw wordt meegewogen. Dat is in strijd met het doel van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling.

4.5.2.

Dit alles leidt er toe dat de vordering sub I van [eiser] wordt toegewezen in die zin dat de verplichting van [eiser] om zich bij de Reclassering te melden met onmiddellijke ingang zal worden geschorst en dat het de Staat zal worden verboden om bij ongewijzigde omstandigheden opnieuw een meldplicht op te leggen. De vordering sub II komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat deze een te verstrekkend karakter heeft. Op voorhand kan niet uitgesloten worden dat het OM in de toekomst in redelijkheid kan besluiten dat [eiser] zich moet melden bij de Reclassering. Bij toewijzing van het sub I gevorderde heeft [eiser] geen belang bij afzonderlijke toewijzing van het onder III gevorderde. Die vordering zal daarom worden afgewezen.

4.6.

Slotopmerking en proceskosten

4.6.1.

De voorzieningenrechter hecht er aan op te merken dat de beslissing die in dit kort geding wordt genomen niet betekent dat de straf van [eiser] ten einde is. Er is nog steeds sprake van een voorwaardelijke invrijheidstelling, waarbij [eiser] zich nog moet houden aan de algemene voorwaarde van het niet opnieuw plegen van een strafbaar feit en de bijzondere voorwaarden met betrekking tot het contact- en mediaverbod. In verband met deze bijzondere voorwaarden is [eiser] ook gebonden aan de algemene voorwaarde van medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht. Tot slot neemt onderhavige beslissing niet weg dat het OM kan besluiten de door de Reclassering in het Reclasseringsadvies geadviseerde vorm van toezicht (periodieke evaluatiemomenten door het OM en jaarlijks een rapportage door een reclasseringsorganisatie) alsnog op te leggen. De stelling van de Staat in dit verband dat het niet de taak van het OM is om zelf toezicht te houden snijdt geen hout, nu het OM op grond van artikel 15b lid 1 Sr zelf belast is met het toezicht op de naleving van de voorwaarden bij voorwaardelijke invrijheidstelling.

4.6.2.

De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Wegens het blijven ontbreken van een wettelijke grondslag is een kostenveroordeling met de verplichting tot betaling van de door de griffier voorgeschoten explootkosten niet mogelijk.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

schorst met onmiddellijke ingang de verplichting [eiser] om zich gedurende de proeftijd in de zaak met parketnummer [nummer] op grond van het Wijzigingsbesluit voorwaardelijke invrijheidstelling van 4 mei 2018 of een eerder (Wijzigings)besluit voorwaardelijke invrijheidstelling te melden bij Reclassering Nederland en verbiedt de Staat om hem bij ongewijzigde omstandigheden opnieuw de verplichting op te leggen zich bij de Reclassering te melden;

5.2.

veroordeelt de Staat in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.059,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 79,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2018.

idt