Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6126

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-05-2018
Datum publicatie
15-06-2018
Zaaknummer
NL18.8686
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.8686


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. Y. Tamer),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.J. Balvoort ).

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.8687, plaatsgevonden op 17 mei 2018. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

Eiser heeft op 5 maart 2018 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 26 februari 2010 en 8 april 2011 in Zwitserland, op 15 maart 2012 in Italië en op 26 november 2015 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Eiser heeft onder andere verklaard dat zijn verzoek in Duitsland is afgewezen. Verweerder heeft de Duitse autoriteiten op 21 maart 2018 op grond van Verordening (EU) 604/2013 (hierna: de Dublinverordening) verzocht om eiser terug te nemen. De Duitse autoriteiten hebben middels het claimakkoord van 4 april 2018 op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening hiermee ingestemd.

Onder de werking van de Dublinverordening mag verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Eiser heeft in het door hem in beroep gevoerde betoog niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen.

Eisers stelling dat sprake is van systematische tekortkomingen omdat niet in alle gevallen wordt voorzien in gefinancierde rechtsbijstand, kan niet worden gevolgd. Zowel artikel 27, zesde lid, van de Dublinverordening, als artikel 20, derde lid, van de Richtlijn 2013/32/EU (hierna: de Procedurerichtlijn) staat immers toe dat de toegang tot gefinancierde rechtsbijstand afhankelijk kan worden gesteld van de reële kans van slagen van de procedure. De kans van slagen dient te worden beoordeeld door de onafhankelijke rechter of een andere bevoegde instantie. Als een andere instantie de beoordeling verricht, dient die beoordeling vatbaar te zijn voor beroep bij de rechter. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan die bepalingen in Duitsland niet wordt voldaan.

Dat bovengenoemde artikelen in de Dublinverordening en de Procedurerichtlijn in strijd zouden zijn met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) kan niet worden gevolgd. De rechtbank overweegt dat in punt 60 van de considerans van de Procedurerichtlijn uitdrukkelijk is opgenomen dat bij de totstandkoming van de bepalingen van die richtlijn het Handvest in acht is genomen. In hetgeen eiser heeft aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank geen grond gelegen om te oordelen dat de bepalingen in de Procedurerichtlijn in strijd zijn met het Handvest. Immers dat in een procedure wordt beslist of aanspraak bestaat op gefinancierde rechtsbijstand maakt niet dat de daadwerkelijke toegang tot de rechter niet gewaarborgd is.

De beroepsgrond faalt en de rechtbank ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

Verweerder heeft zich –met de in het besluit gegeven motivering- dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten opzichte van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat door de overdracht van eiser aan Duitsland een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 4 van het Handvest.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming van eiser hier te lande te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening nu eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigd.

Voor zover eiser betoogt dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van een registertolk, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 29 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2224) volgt dat artikel 28, vierde lid, van de Wbtv, gelezen in samenhang met het derde lid, wat betreft de motivering geen andere eis aan verweerder stelt dan dat hij de reden voor het gebruik maken van een niet-beëdigde tolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden een van de in het derde lid vermelde redenen moet zijn. Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:600) volgt verder dat anders dan in het geval het register voor beëdigde tolken en vertalers voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat, in het geval een beëdigde tolk niet tijdig beschikbaar is, het schriftelijk vastleggen van een mededeling van die strekking op zichzelf geen deugdelijke motivering is. Verweerder moet dan toelichten waarom geen beëdigde tolk beschikbaar was.

Verweerder heeft aangegeven dat geen gebruik is gemaakt van een registertolk vanwege het niet tijdig beschikbaar hebben van tolken met een registervermelding in eisers taal. Dit is reeds in het rapport aanmeldgehoor Dublin vermeld. De rechtbank is van oordeel dat in de door verweerder in het besluit aangegeven reden, namelijk dat voor de Dublinprocedure korte termijnen gelden, de vereiste spoed is gelegen die maakt dat niet ieder gehoor in aanwezigheid van een registertolk kan worden afgenomen. Ook acht de rechtbank van belang dat gesteld noch gebleken is dat er sprake is geweest van miscommunicatie tussen de gehoormedewerker en eiser. Hiertoe overweegt de rechtbank dat uit het rapport naar voren komt dat eiser voorafgaand aan het gehoor positief heeft geantwoord op de vraag of hij de tolk goed kon verstaan en begrijpen in de Arabische (Tunesische) taal. Verder heeft eiser aan het eind van het gehoor verklaard alles goed te hebben begrepen en dat hij geen op- of aanmerkingen heeft op de werkwijze van de tolk. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het rapport van het aanmeldgehoor Dublin dan ook onvoldoende aanknopingspunten dat eiser door het gebruik van een niet-register tolk in zijn belangen is geschaad. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding het bestreden besluit onrechtmatig te achten. De beroepsgrond slaagt niet.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.

Deze uitspraak is gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.