Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6110

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-05-2018
Datum publicatie
15-06-2018
Zaaknummer
AWB 16_28217
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wegens gevaar voor de samenleving, Kwalificatierichtlijn is wel van toepassing, ondeugdelijk gemotiveerd of eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt, beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/28217

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 mei 2018 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2016 en de aanvulling van 2 december 2016 (tezamen: het bestreden besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingetrokken met terugwerkende kracht tot 23 november 2013. Tevens is aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd.

Dit besluit is op 2 december 2016 aan eiser in persoon uitgereikt.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1983 en heeft de Iraakse nationaliteit. Bij besluit van 7 april 2005 is aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, met ingang van 11 april 2000 en geldig tot 11 april 2003, en een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, met ingang van 11 april 2003, verleend.

2. Verweerder heeft aan de intrekking van de verblijfsvergunning ten grondslag gelegd dat wordt voldaan aan artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, de glijdende schaal, zoals neergelegd in artikel 3.86, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Eiser is onherroepelijk veroordeeld voor een poging tot zware mishandeling. Dit betreft een overtreding van artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht, waarop een maximale strafbedreiging van acht jaren gevangenisstraf staat. Eiser heeft dit strafbare feit gepleegd op 7 juni 2000, terwijl hij op dat moment een verblijfduur van minder dan één jaar had. Het ten uitvoer gelegde gedeelte van de straf moet in dat geval ten minste gelijk zijn aan één dag. Eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 227 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk. Daarnaast heeft eiser nog andere ernstige misdrijven gepleegd. De verblijfsvergunning wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot 23 november 2013, nu dit de pleegdatum is van het eerste feit dat eiser heeft gepleegd en waarvoor hij onherroepelijk is veroordeeld, te weten het invoeren van ruim 10 kilogram hasj in Denemarken, na invoering van de glijdende schaal van 1 juli 2012. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat de vluchtelingenstatus van eiser, gelet op artikel 11, eerste lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn 2011/95/EU (de Kwalificatierichtlijn), niet meer actueel is. De situatie in Irak is zodanig gewijzigd dat eiser niet langer voor vervolging te vrezen heeft. Ook is niet aannemelijk dat eiser thans heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) of daar een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 loopt. De intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd valt daarom niet onder de werking van de Kwalificatierichtlijn en het daaruit voortvloeiende toetsingskader.

3. Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder e, van de Kwalificatierichtlijn houdt een onderdaan van een derde land of staatloze op vluchteling te zijn wanneer hij, omdat de omstandigheden in verband waarmee hij als vluchteling werd erkend, hebben opgehouden te bestaan, niet langer kan weigeren zich onder de bescherming te stellen van het land van zijn nationaliteit.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn trekken de lidstaten, met betrekking tot verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend na de inwerkingtreding van Richtlijn 2004/83/EG, de verleende vluchtelingenstatus van een onderdaan van een derde land of een staatloze in, beëindigen zij deze of weigeren zij deze te verlengen indien hij volgens de criteria van artikel 11 geen vluchteling meer is.

Ingevolge artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn, voor zover van belang, kunnen de lidstaten de aan een vluchteling verleende status intrekken wanneer hij een gevaar vormt voor de samenleving van die lidstaat, omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000 worden ingetrokken indien de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem terzake de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is opgelegd.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder aan de intrekking van eisers verblijfsvergunning ten grondslag heeft gelegd dat eiser niet valt onder de werking van de Kwalificatierichtlijn. In dit verband heeft verweerder overwogen dat, gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder e, van de Kwalificatierichtlijn, de vluchtelingenstatus van eiser niet meer actueel is. De rechtbank volgt verweerder niet in dit betoog. Daartoe overweegt de rechtbank dat de enkele vaststelling dat sprake is van een situatie zoals omschreven in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder e, van de Kwalificatierichtlijn niet betekent dat de Kwalificatierichtlijn niet langer van toepassing is op het besluit tot intrekking van eisers verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Uit artikel 14, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn blijkt reeds dat voor de beëindiging van een vluchtelingenstatus een actieve handeling van de lidstaten is vereist. Voorts heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bepaald dat een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd die rechtstreeks op grond van een vluchtelingenstatus is verleend, samenvalt met die vluchtelingenstatus en dat de intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd daarom tevens de intrekking van de vluchtelingenstatus inhoudt, zodat artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn op een dergelijk besluit van toepassing is. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van 2 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1550) en 17 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1780).

4.2.

In artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn is uitputtend opgesomd op welke gronden een vluchtelingenstatus kan worden ingetrokken dan wel beëindigd. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat de lidstaten de vluchtelingenstatus kunnen intrekken indien de vreemdeling volgens de criteria van artikel 11 van de Kwalificatierichtlijn geen vluchteling meer is. Echter deze beëindigingsgrond is niet in de nationale wetgeving geïmplementeerd in het geval een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is verleend. Artikel 35 van de Vw 2000 bevat geen bepaling die het mogelijk maakt een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in te trekken omdat de grond voor verlening is komen te vervallen. De Nederlandse wetgeving is op dit punt gunstiger voor een vreemdeling dan de Kwalificatierichtlijn. De wetgever heeft hiermee gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 3 van de Kwalificatierichtlijn gunstigere normen vast te stellen. Verweerder kan daarom niet op grond van artikel 14, eerste lid, Kwalificatierichtlijn een asielrechtelijke verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd intrekken.

4.3.

Op grond van artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn kan de vluchtelingenstatus worden ingetrokken dan wel beëindigd indien eiser een gevaar vormt voor de samenleving van de lidstaat, omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf. Uit de onder rechtsoverweging 4.1. genoemde uitspraken van de Afdeling volgt dat, gelet op artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 juni 2015 in de zaak C‑373/13, H.T., (ECLI:EU:C:2015:413) voor de intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, die tevens de intrekking van de vluchtelingenstatus inhoudt, tenminste is vereist dat de betreffende vreemdeling door zijn persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verweerder is in het bestreden besluit in het kader van de intrekking van de verblijfsvergunning weliswaar ten overvloede ingegaan op de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die eiser in verband met de ernst van de gepleegde misdrijven is opgelegd, maar heeft niet gemotiveerd dat en waarom het persoonlijke gedrag van eiser een actuele bedreiging vormt. De verwijzing naar de overwegingen ten aanzien van de vertrektermijn en het inreisverbod acht de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat eiser door zijn persoonlijke gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Nu verweerder deze beoordeling achterwege heeft gelaten, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering.

5. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit in strijd met het in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde motiveringsbeginsel is genomen. De overige beroepsgronden behoeven derhalve geen nadere bespreking.

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet, gelet op de door verweerder nog te maken beoordeling of eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dit naar het zich laat aanzien geen efficiënte geschilafdoening zal opleveren. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.