Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6107

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
08-06-2018
Zaaknummer
C/09/533012 / HA ZA 17-554
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

feitelijke toetsing 611d Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/533012 / HA ZA 17-554

Vonnis van 25 april 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BY-BOO B.V.,

gevestigd te Barneveld,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. P.A.J.M. Lodestijn te Nijmegen,

tegen

de rechtspersoon naar Belgisch recht

DE POORTERE DECO N.V.,

gevestigd te Moeskroen,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A. van Hees te Amsterdam.

Partijen zullen hierna By-Boo en De Poortere genoemd worden.

De Poortere is ter zitting bijgestaan door mr. L. Bakers te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 5 april 2017 met producties 1-11;

- de conclusie van antwoord in conventie alsmede van eis in reconventie van 26 juli 2017 met producties 1-7;

- het tussenvonnis van 30 augustus 2017 waarbij een comparitie is bepaald;

- de conclusie van antwoord in reconventie, genomen op 12 januari 2018, met bijlage 12 (kostenspecificatie);

- de brief zijdens By-Boo van 9 januari 2018 met als bijlage een aanvullende kostenspecificatie;

- de op 12 januari 2018 genomen akte houdende overlegging productie 8 zijdens De Poortere (kostenspecificatie);

- de op 12 januari 2018 genomen akte houdende overlegging productie 9 zijdens De Poortere (aanvullende kostenspecificatie);

- het proces-verbaal van comparitie van 12 januari 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

1.3.

Het proces-verbaal van de comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. By-Boo en De Poortere hebben van deze gelegenheid gebruikgemaakt, By-Boo bij brief van 29 januari 2018 en De Poortere bij B-16 formulier van 30 januari 2018. Deze stukken zijn aan het proces-verbaal gehecht en maken onderdeel uit van het procesdossier.

2 De feiten

2.1.

De Poortere maakt deel uit van de De Poortere groep en richt zich op het ontwerpen en vervaardigen van decoratief textiel, waaronder tapijten.

2.2.

By-Boo richt zich op de verhandeling van (klein)meubelen en aanverwante artikelen.

2.3.

De Poortere brengt sinds september 2011 een collectie producten onder de naam VINTAGE op de markt, waaronder tapijten met een bepaald dessin (hierna: Vintage Multi tapijten).

2.4.

In 2013 heeft De Poortere geconstateerd dat By-Boo op de MOW-beurs in Duitsland en via de website www.by-boo.com patchwork tapijten toonde respectievelijk te koop aanbod, voorzien van specifieke dessins (hierna: Patchwork dessin 1) in verschillende kleuren.

2.5.

De Poortere heeft op 19 september 2013 van het Landgericht Düsseldorf een ex parte verbod verkregen terzake van – kort gezegd – de verhandeling van tapijten met het Patchwork dessin 1 door By-Boo in Duitsland.

2.6.

Bij brief van 10 oktober 2013 heeft de Belgische advocaat van De Poortere By-Boo gesommeerd iedere (verdere) inbreuk op haar intellectuele eigendomsrechten te staken en gestaakt te houden.

2.7.

Bij brief van 25 oktober 2013 heeft de advocaat van By-Boo aan de Belgische advocaat van De Poortere onder meer het volgende bericht:

“Ten aanzien van het inbreukmakend handelen diene nog het volgende. By-Boo heeft direct aansluitend op de verbodsactie tijdens de Duitse beurs elke vorm van exploitatie van het inbreukmakend tapijt gestaakt en gestaakt gehouden, om vervolgens op mijn dringende advies de onder de detailhandel verspreide prototypes terug te roepen. Deze recall-actie dateert van kort na de beurs en als reactie daarop worden de inbreukmakende tapijten thans druppelsgewijs retour ontvangen. Uiteraard zullen deze tapijten separaat worden verzameld en mijn cliënte zal deze tapijten voor uw cliënte houden, tot nader order. Bij mijn weten gaat het in totaal om 22 stuks.

(…)

Dit een en ander betekent dat By-Boo geen enkele verkooptransactie met betrekking tot het inbreukmakend tapijt heeft gerealiseerd. (…)”

2.8.

Bij brief van 15 juli 2014 heeft de advocaat van De Poortere aan de directie van By-Boo medegedeeld dat By-Boo, ondanks haar eerdere toezegging, nog steeds inbreuk maakt op de intellectuele eigendomsrechten van De Poortere en haar een onthoudingsverklaring voorgelegd. In de brief is onder meer de volgende sommatie opgenomen:

“D. Alle in voorraad gehouden en geretourneerde onder A. Bedoelde inbreukmakende producten binnen 5 dagen na ondertekening van deze brief zal (laten) vernietigen in aanwezigheid van een deurwaarder”.

2.9.

By-Boo heeft de onthoudingsverklaring niet ondertekend. Wel heeft zij bij brief van 21 juli 2014 via haar advocaat onder meer het volgende aan De Poortere bericht:

“In mijn mailbrief van 25 oktober 2013 heb ik namens mijn cliënte niet alleen de onmiddellijke staking van de exploitatie van de inbreukmakende tapijten toegezegd, maar ook een recall-actie.

Ten bewijze van het feit dat mijn cliënte in oktober en november 2013 direct en volledig uitvoering aan deze recall-toezegging heeft gegeven, heb ik te uwer kennisneming de factuurhistorie dienaangaande bijgevoegd.

(…)

Daarmee was voor mijn cliënte de kous af. Zij heeft immers haar stakingstoezegging direct en volledig nageleefd en de retour ontvangen proefexemplaren bevinden zich nog steeds onder haar, in afwachting van nadere instructie van uw cliënte.

(…)

Hoewel dit een en ander mijn cliënte redelijkerwijs niet valt aan te rekenen, laat zulks onverlet dat ik goed begrijp dat uw cliënte thans een ‘harde’ onthoudingsverklaring van mijn cliënte verlangt zoals geformuleerd onder A. in de sommatiebrief van 15 juli jl. van uw kantoorgenoot mr. Bakers. Hierbij verbind ik mij uitdrukkelijk namens mijn cliënte aan deze verklaring, zulks onder aanvaarding van een boete € 1.000,-- voor elke overtreding.

(…)”

2.10.

Door By-Boo is een nieuwe collectie tapijten op de markt gebracht voorzien van een van het Patchwork dessin 1 afwijkend dessin (hierna: Patchwork dessin 2).

2.11.

Op 3 oktober 2014 heeft De Poortere By-Boo tezamen met VME Nederland B.V. gedagvaard in een procedure bij deze rechtbank. In die zaak heeft op 17 juni 2015 een comparitie van partijen plaatsgevonden.

2.11.1.

Bij vonnis van 19 oktober 2016 (hierna: het veroordelend vonnis) heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat By-Boo met het aanbieden van tapijten met Patchwork dessin 1 wel inbreuk heeft gemaakt op de niet-ingeschreven Gemeenschapsmodelrechten en auteursrechten ter zake van de Vintage Multi tapijten/dessins, en dat dat niet het geval is ten aanzien van de aangeboden tapijten met Patchwork dessin 2.

2.11.2.

De rechtbank heeft in de procedure tussen De Poortere en By-Boo, voor zover hier van belang, als volgt beslist:

5.1

beveelt By-Boo iedere inbreuk op de auteursrechten van De Poortere met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder het openbaar maken of verveelvoudigen van het Vintage Multi dessin van De Poortere, waaronder begrepen het produceren, leveren of anderszins verhandelen van tapijten met het

Patchwork-dessin 1 (hierna: inbreukmakende tapijten);

5.2

beveelt By-Boo binnen dertig dagen na de betekening van dit vonnis aan de advocaat van De Poortere een schriftelijke opgave, met aanhechting van kopie van alle ter staving van deze opgave relevante bescheiden (waaronder in- en verkoopfacturen en transportdocumentatie) van:

1. de volledige naam- en adresgegevens van alle (rechts)personen in binnen- en buitenland van wie By-Boo vanaf 17 september 2013 inbreukmakende tapijten heeft betrokken en/of die bij de vervaardiging of verhandeling van inbreukmakende tapijten betrokken zijn;

2. de aantallen inbreukmakende tapijten die door, in opdracht, of ten behoeve van By-Boo vanaf 13 september 2017 zijn vervaardigd, indien van toepassing gespecificeerd per leverancier en/of producent;

3. de aantallen inbreukmakende tapijten die vanaf 17 september 2013 door, in opdracht, of ten behoeve van By-Boo zijn afgeleverd;

4. de aantallen inbreukmakende tapijten die By-Boo direct of indirect in bezit/in voorraad heeft;

(…)

5.3

veroordeelt By-Boo tot betaling aan de Poortere van schadevergoeding nader op te maken bij staat voor door By-Boo als gevolg van de inbreuk op niet-ingeschreven Gemeenschapsmodelrechten en auteursrechten geleden schade en/of ter keuze van De Poortere , afdracht van de door By-Boo met de verhandeling van de inbreukmakende tapijten genoten winst;

5.4

beveelt By-Boo om binnen 5 (vijf) werkdagen na betekening van dit vonnis een brief te sturen aan al haar afnemers in de Europese Unie waaronder Nederland aan wie zij de inbreukmakende tapijten vanaf 17 september 2013 heeft verkocht en/of geleverd, voor zover zij deze tapijten niet reeds van die afnemers retour heeft ontvangen, op het gebruikelijke briefpapier van By-Boo, met daarin uitsluitend de volgende tekst, dan wel – voor zover By- Boo gebruikelijk met de betreffende afnemer communiceert in een andere taal dan de Nederlandse – met een waarheidsgetrouwe vertaling in die taal van onderstaande tekst, zonder enige toevoeging en zonder op enigerlei wijze afbreuk te doen aan doel en strekking van de recall:

(…)

5.5

beveelt By-Boo de advocaat van De Poortere binnen 14 (veertien) werkdagen na een daartoe strekkend verzoek in het bezit te stellen van specificaties bevattende een schriftelijk overzicht van alle retour ontvangen exemplaren van de inbreukmakende tapijten, alsmede van alle afnemers die hebben geweigerd aan het verzoek tot retournering te voldoen;

5.6

beveelt By-Boo de in voorraad gehouden en aan haar geretourneerde inbreukmakende tapijten binnen 14 (veertien) dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis te (laten) vernietigen in aanwezigheid van een deurwaarder, met verstrekking van bewijs van de vernietiging binnen 2 dagen na vernietiging aan De Poortere ;

5.7

veroordeelt By-Boo tot betaling aan De Poortere van een dwangsom ter hoogte van € 5.000,-

(vijfduizend euro) voor iedere overtreding van één van de hiervoor onder 5.1 tot en met 5.6 genoemde verboden en bevelen, dan wel, naar keuze van De Poortere , voor iedere dag of dagdeel dat By-Boo, in strijd handelt met enig bovengenoemd verbod of bevel, of enig gedeelte daarvan met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 100.000,-;

5.8

verklaart de onder 5.1 tot en met 5.7 opgenomen bevelen en veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

2.12.

De rechtbank heeft in dit vonnis onder meer het volgende overwogen:

4.40

By-Boo heeft voorts aangevoerd dat niet aannemelijk is dat de met het Patchwork dessin 1 gemaakte inbreuk tot schade heeft geleid, nu het slechts 22, inmiddels allemaal teruggehaalde, prototype tapijten betrof. Dat zij over niet meer dan 22 tapijten heeft beschikt heeft By-Boo echter niet met stukken onderbouwd. (…)

2.13.

In een door de directeur van By-Boo, [A] , ondertekend e-mailbericht van 25 november 2016 heeft By-Boo aan De Poortere opgave gedaan uit hoofde van het veroordelend vonnis. In deze e-mail zijn onder meer de volgende passages opgenomen:

en

en

2.14.

Bij brief van dezelfde datum heeft de advocaat van By-Boo de advocaat van De Poortere bericht dat uit de sub 2.13 genoemde opgaaf volgt dat By-Boo gedurende de onder 5.6 van het veroordelend vonnis bedoelde 14-dagentermijn steeds in de onmogelijkheid heeft verkeerd het aldaar bedoelde bevel tot vernietiging na te leven.

2.15.

Bij exploot van 23 december 2016 heeft De Poortere aan By-Boo aangezegd dat By-Boo zich volgens haar niet aan de veroordeling sub 5.6 van het veroordelend vonnis heeft gehouden en deze heeft overtreden door na te laten om de twintig in voorraad gehouden inbreukmakende tapijten te vernietigen binnen de gegeven termijn, zodat By-Boo 20 maal dwangsommen van € 5.000 verbeurt. Vervolgens is aan By-Boo bevel gedaan tot betaling van € 100.000 ter zaken van verbeurde dwangsommen. Ter verkrijging van betaling daarvan heeft De Poortere executoriaal beslag doen leggen onder afnemers van By-Boo.

2.16.

Teneinde die executie te voorkomen, is op 3 februari 2017 door By-Boo een bankgarantie gesteld voor een totaalbedrag van € 105.000 ten guste van De Poortere. De in die bankgarantie gestelde termijn voor het instellen van de hoofdzaak is verlopen, waarna de bankgarantie is uitgekeerd op 22 maart 2017 door overmaking op de derdenrekening van de advocaat van De Poortere.

2.17.

Op dezelfde dag heeft By-Boo conservatoir beslag laten leggen onder bedoelde derdenrekening op al hetgeen de advocaat van De Poortere voor De Poortere onder zich heeft.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

By-Boo vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de dwangsomveroordeling verbonden aan het bevel tot vernietiging (dictum sub 5.6 en 5.7 van het veroordelend vonnis) primair op te heffen, subsidiair op te schorten totdat By-Boo één of meer inbreukmakende exemplaren van de dessin 1-tapijten retour heeft ontvangen, dan wel meer subsidiair te verminderen tot een maximaal te verbeuren bedrag, met veroordeling van De Poortere in de kosten van deze procedure ex artikel 1019h Rv1, waaronder de beslagkosten en vermeerderd met rente en (na)kosten.

3.2.

By-Boo voert daartoe aan dat zij in de in artikel 611d Rv bedoelde onmogelijkheid verkeert om aan het sub 5.6 van het veroordelend vonnis bepaalde te voldoen. Zij stelt dat zij slechts 13 tapijten retour heeft ontvangen en dat deze, behoudens 1 exemplaar dat de advocaat heeft behouden, reeds voor het zomerreces van 2014 door By-Boo zijn afgevoerd ter vernietiging.

3.3.

De Poortere voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.5.

Onder de voorwaarde dat de rechtbank de vorderingen van By-Boo in conventie afwijst, vordert De Poortere – samengevat – de onmiddellijke opheffing van het conservatoir derdenbeslag dat By-Boo met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam bij exploot van 22 maart 2017 heeft gelegd onder de Stichting Derdengelden BINGH Advocaten, met veroordeling van By-Boo in de kosten van deze procedure ex artikel 1019h Rv.

3.6.

De Poortere voert daartoe aan dat met afwijzing van de vorderingen in conventie, geen grond meer bestaat voor de handhaving van het beslag.

3.7.

By-Boo voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Het onderhavige geschil betreft een vordering gebaseerd op artikel 611d Rv. De rechtbank is internationaal en relatief bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van die bepaling in samenhang met artikel 24 lid 4 Brussel I bis-Vo2.

4.2.

Artikel 611d, eerste lid, Rv luidt als volgt:

De rechter die een dwangsom heeft opgelegd, kan op vordering van de veroordeelde de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen.

4.3.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een onmogelijkheid, moet de vraag beantwoord worden of de dwangsom als dwangmiddel – dat wil zeggen als geldelijke prikkel om nakoming van de veroordeling zoveel mogelijk te verzekeren – zinloos is geworden. Het is daarbij de taak van de 611d-rechter om te onderzoeken of de veroordeelde vanaf zijn veroordeling redelijkerwijze al het mogelijke heeft gedaan om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat het daarbij gaat om de inspanning en zorgvuldigheid die de veroordeelde sinds de uitspraak heeft betracht, zodat de onmogelijkheid om de hoofdveroordeling na te leven in beginsel dient te worden beoordeeld aan de hand van feiten en omstandigheden welke zich hebben afgespeeld na de hoofdveroordeling. Indien de gestelde onmogelijkheid een gevolg is van door de veroordeelde voor de veroordeling gemaakte fouten, mag daarmee slechts in bijzondere omstandigheden rekening worden gehouden bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre de rechter van de hem in artikel 4, lid 1 verleende discretionaire bevoegdheid gebruik zal maken.3

4.4.

Wat ook zij van hetgeen By-Boo heeft aangevoerd met betrekking tot de afvoer van tapijten voorafgaand aan het veroordelend vonnis (waarvan de juistheid overigens door De Poortere is bestreden), is de rechtbank van oordeel dat By-Boo na het veroordelend vonnis in ieder geval niet de hiervoor bedoelde inspanning en zorgvuldigheid heeft betracht. Daarvoor zijn twee omstandigheden doorslaggevend.

4.4.1.

In de eerste plaats heeft By-Boo niet op zorgvuldige wijze invulling gegeven aan de onder 5.2 van het veroordelend vonnis bepaalde verplichting om opgave te doen. In de e-mail van 25 november 2016, waarmee By-Boo stelt aan haar verplichting te hebben voldaan, wordt uitgegaan van een totaal van 21 geretourneerde tapijten waarvan de advocaat één bewijsexemplaar heeft meegenomen. De overige 20 zouden eind juli 2014 zijn afgevoerd. Zelfs nog in haar conclusie van antwoord in reconventie heeft zij het standpunt ingenomen dat het gaat om 20 tapijten die zij aanvankelijk heeft opgeslagen en later heeft afgevoerd. Eerst ter comparitie heeft By-Boo aangegeven dat de opgave niet juist is geweest, omdat niet 21 maar slechts 13 tapijten retour zijn ontvangen. Als verklaring voor het doen van een onjuiste opgave brengt By-Boo naar voren dat de opgaaf feitelijk niet is opgemaakt door directeur [A] (die de opgaaf heeft ondertekend) maar door een medewerker ( [de medewerker] ) die niet op de hoogte was van de feitelijke gang van zaken en die uitsluitend is gaan terugrekenen op basis van het in het vonnis genoemde aantal van 22 (zie hiervoor sub 2.12) dat ook reeds was genoemd in de hiervoor sub 2.7 genoemde brief van haar advocaat. De rechtbank is van oordeel dat By-Boo zich had moeten realiseren dat haar opgaaf voor De Poortere leidend was om te controleren of By-Boo het bevel tot vernietiging op juiste wijze zou opvolgen en dat zij daarom bij het opstellen ervan de uiterste zorgvuldigheid diende te betrachten. De hiervoor geschetste wijze waarop de opgaaf kennelijk tot stand is gekomen en het eerst ter zitting erkennen van de onjuistheid daarvan, geeft echter juist blijk van een grote mate van onzorgvuldigheid bij het nakomen van haar op het vonnis gebaseerde verplichtingen jegens De Poortere.

4.4.2.

In de tweede plaats is de rechtbank van oordeel dat By-Boo onvoldoende inspanningen heeft verricht om te achterhalen wat er is gebeurd met de 8 tapijten die mee zijn geweest naar de MOW-beurs in Duitsland. Het is By-Boo die deze procedure tot aanpassing van de in het veroordelend vonnis bepaalde dwangsom aanhangig heeft gemaakt. Zij voert daartoe thans aan4 dat van de destijds ontvangen 30 prototypes inbreukmakende tapijten, 13 uit de recall zijn teruggekomen (waarvan er 1 is behouden door de advocaat en er 12 zijn afgevoerd), 9 tapijten nooit zijn teruggekomen en zich dus nog onder afnemers zullen bevinden en 8 zijn meegeweest naar de beurs in Duitsland en daarna zijn teruggekomen op het bedrijf van By-Boo. Het had dan op de weg van By-Boo gelegen om alles in het werk te stellen om na te gaan wat er met die 8 tapijten is gebeurd en De Poortere daaromtrent zo goed mogelijk te informeren. Het ter zitting gedane bewijsaanbod om dat alsnog uit te zoeken, is niet relevant voor het oordeel dat By-Boo na het veroordelend vonnis onvoldoende inspanningen heeft verricht om aan de hoofdveroordeling te voldoen.

4.5.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de vorderingen in conventie worden afgewezen en dat By-Boo als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten aan de zijde van De Poortere wordt veroordeeld. De hoogte van de proceskosten wordt in beginsel gemaximeerd door de Indicatietarieven in IE-zaken5. Deze zaak moet worden aangemerkt als een daarin bedoelde eenvoudige bodemprocedure, zodat in beginsel een bedrag van maximaal € 8.000,- exclusief verschotten en griffierecht als redelijk en evenredig moet worden beschouwd. De kostenopgave van De Poortere stijgt daar bovenuit, maar nu zij niet heeft gemotiveerd waarom een hoger bedrag moet worden toegewezen, worden haar kosten begroot op voormeld bedrag, te vermeerderen met € 618 griffierecht.

in voorwaardelijke reconventie

4.6.

Nu deze rechtbank in conventie internationaal bevoegd is, is zij op grond van artikel 8 lid 3 Brussel I bis-Vo juncto 136 Rv eveneens internationaal en relatief bevoegd in voorwaardelijke reconventie.

4.7.

De rechtbank stelt vast dat de voorwaarde in vervulling is gegaan, zodat thans beoordeling van de reconventionele vordering voorligt.

4.8.

De rechtbank wijst de vordering tot opheffing van het beslag toe. In het destijds door haar bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam ingediende verzoekschrift, heeft By-Boo haar rechten gebaseerd op de vernietiging van het door dwangsommen versterkte bevel tot vernietiging van de in voorraad gehouden en aan haar geretourneerde inbreukmakende tapijten door hetzij de appèlrechter, hetzij de dwangsomrechter.6 Nu in deze procedure de dwangsom niet wordt opgeheven/opgeschort/verlaagd en het veroordelend vonnis wat betreft de verplichtingen waarop de dwangsom is gezet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is de ondeugdelijkheid van het door By-Boo ingeroepen recht gebleken. De enkele omstandigheid dat De Poortere volgens By-Boo de proceskosten van VME, waartoe zij in het veroordelend vonnis is veroordeeld, niet heeft voldaan, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een restitutierisico dat handhaving van het beslag in afwachting van het hoger beroep rechtvaardigt. Dit leidt tot het oordeel dat het beslag in overeenstemming met artikel 705 Rv dient te worden opgeheven.

4.9.

By-Boo wordt ook in (voorwaardelijke) reconventie veroordeeld in de proceskosten. De behandeling van de reconventionele vordering wordt aangemerkt als een in de Indicatietarieven in IE-zaken bedoelde zeer eenvoudige bodemprocedure, zodat in beginsel het liquidatietarief als redelijk en evenredig moet worden beschouwd. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen en gaat bij toepassing van het liquidatietarief uit van 0,5 punt en tarief II (onbepaalde waarde: € 452).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt By-Boo in de proceskosten, aan de zijde van de Poortere tot op heden begroot op € 8.618;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.4.

heft op het op 22 maart 2017 ten laste van De Poortere gelegde conservatoir beslag onder de Stichting Derdengelden BINGH Advocaten te Amsterdam aan de Stadhouderskade 14A;

5.5.

veroordeelt By-Boo in de proceskosten, aan de zijde van de Poortere tot op heden begroot op € 226;

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in conventie en in reconventie

5.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Brakel en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2018.

1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

2 Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

3 BenGH 29 april 2008, ECLI:NL:XX:2008:BD4245 (Pet Center/Schouten); HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0004

4 Zie het proces-verbaal van de comparitie, mr. Lodestijn sub 3-5.

5 Versie 1 april 2017

6 Verzoekschrift randnummer 16