Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6033

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-05-2018
Datum publicatie
15-06-2018
Zaaknummer
NL18.7944
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, Georgië, veilig land van herkomst, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.7944


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M. Grigorjan),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B.J. Pattiata).


Procesverloop
Bij besluit van 23 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.7945, plaatsgevonden op 3 mei 2018. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1969 en de Georgische nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 31 maart 2018 een asielverzoek ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vanwege zijn etnische afkomst, Yezidi, wordt gediscrimineerd in Georgië. Ook heeft eiser aangegeven dat hij gezondheidsproblemen heeft

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  • -

    de identiteit, herkomst en nationaliteit en

  • -

    eiser heeft zijn land van herkomst verlaten vanwege het feit dat hij geen baan kon vinden en op straat leefde.

Verweerder volgt eiser vooralsnog in zijn gestelde identiteit, herkomst en nationaliteit. Ook acht verweerder het geloofwaardig dat eiser zijn land van herkomst heeft verlaten omdat hij geen baan kon vinden en op straat leefde. Deze omstandigheden vormen volgens verweerder echter geen aanleiding om eiser in het bezit te stellen van een asielvergunning. Verweerder betrekt daarbij dat Georgië kan worden gezien als een veilig land van herkomst. Ook hebben de door eiser aangedragen omstandigheden volgens verweerder geen raakvlak met de verdragen waaraan wordt getoetst.

4. Eiser voert aan dat nu zijn identiteit, herkomst en nationaliteit worden gevolgd door verweerder, niet valt in te zien waarom verweerder zijn etniciteit niet onderbouwd acht. Daarnaast is de discriminatoire bejegening van Yezidi in Georgië dusdanig ernstig dat eiser daar op maatschappelijk en sociaal gebied niet kan functioneren. Eiser is meerdere keren opgepakt en mishandeld door de politie. Met betrekking tot het inreisverbod stelt eiser zich op het standpunt dat er onvoldoende rekening mee is gehouden dat eisers kinderen in Oostenrijk wonen en hij die dan niet kan bezoeken. Ook ligt de overleden echtgenote van eiser begraven in Tsjechië. Hij zou dan het graf twee jaar niet kunnen bezoeken. Het inreisverbod is derhalve in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5. De rechtbank overweegt het volgende.

5.1

Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (de Procedurerichtlijn), indien de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn.

Tussen partijen is niet in geschil dat Georgië in algemene zin kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst. Dit betekent dat een algemeen rechtsvermoeden geldt dat vreemdelingen afkomstig uit dat land geen bescherming nodig hebben, en dat de (nationale) autoriteiten effectieve bescherming bieden. Het is dan aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat de autoriteiten hem geen bescherming kunnen bieden. Verweerder kan dit algemeen rechtsvermoeden niet handhaven wanneer eiser aannemelijk maakt dat Georgië in zijn specifieke geval niet als een veilig land van herkomst kan worden beschouwd.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat Georgië ten aanzien van eiser de verdragsverplichtingen niet nakomt. Eiser heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd onvoldoende onderbouwd dat Georgië geen veilig land van herkomst voor hem is. Verweerder heeft daarbij terecht gesteld dat eiser het feit dat hij Yezidi is, niet heeft onderbouwd. Weliswaar is verweerder uitgegaan van de door eiser gestelde identiteit, herkomst en nationaliteit, maar dat betekent niet dat hiermee zijn gestelde etniciteit ook voldoende vast staat. Dat het besluit op dit punt tegenstrijdig zou zijn, wordt dan ook niet gevolgd. Voorts heeft verweerder de door eiser gestelde discriminatie onvoldoende mogen achten om aan te nemen dat dit voor eiser een dusdanig ernstige beperking oplevert van zijn bestaansmogelijkheden dat het voor hem onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Dat eiser veelvuldig zou zijn mishandeld heeft hij pas bij zienswijze aangevoerd zodat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid. Tevens heeft verweerder eiser daarbij mogen tegenwerpen dat hij de bescherming van de Georgische autoriteiten in kan roepen. Dat eiser geen bescherming wordt geboden is niet gebleken nu eiser niet de hulp van de (hogere) autoriteiten heeft gezocht.

5.2

Verweerder heeft zich met betrekking tot het inreisverbod niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser voor de duur van het inreisverbod zijn familieleven met zijn dochters niet op een andere manier kan invullen. Eiser heeft daarnaast zijn stelling dat zijn vrouw ligt begraven in Tsjechië niet onderbouwd. Verweerder heeft zich derhalve niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een schending van artikel 8 van het EVRM.

6. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.P. Brand, griffier.

Deze uitspraak is gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.