Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6023

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-05-2018
Datum publicatie
25-05-2018
Zaaknummer
NL18.7310
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AA, Irak, Koerd, ongeloofwaardig asielrelaas, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.7310


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Elias).

Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 april 2018 (het bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H.M. Barzendeji. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser is een Koerd, afkomstig uit de Koerdische Autonome Regio (KAR). Hij is van Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum]. Op 4 februari 2018 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft hij het volgende ten grondslag gelegd. Eiser had in Irak een relatie met [naam]. Haar vader is een vooraanstaand lid van de partij KDP, hij is een machtige man. Toen eiser en [naam] ongeveer negen maanden een relatie hadden, nam zij drie dagen achter elkaar haar telefoon niet op. Toen eiser op de vierde dag – 14 november 2017 – thuiskwam van zijn werk, stond er een aantal auto’s van de [Koerdische militairen] (Koerdische militairen) voor zijn huis. Eiser is daarom niet naar huis gegaan, maar naar de woning van een vriend. Na twee dagen kwam zijn moeder langs en vertelde dat de vader van eiser na de inval naar de vader van [naam] is gegaan en om haar hand heeft gevraagd. De vader van [naam] wil daar echter niets van weten en heeft eiser met de dood bedreigd. Zijn ouders hebben hem daarom naar het buitenland gestuurd. Eiser heeft bedreigende berichten van de vader van [naam] ontvangen en zijn ouders worden in de gaten gehouden en lastig gevallen.

  2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Ook acht verweerder geloofwaardig dat eiser een relatie heeft gehad met [naam]. Verweerder acht echter niet geloofwaardig dat [vader ], de vader van [naam], achter deze relatie is gekomen en dat eiser daarom met de dood wordt bedreigd.

3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij met de dood wordt bedreigd door [vader ]. Daartoe heeft verweerder allereerst terecht opgemerkt dat het opmerkelijk is dat eiser in zijn vrije relaas niet heeft verteld dat [vader ] zelf bij de inval in eisers huis aanwezig was. Zijn vrees voor deze [vader ] is immers de kern van zijn asielrelaas, zodat verwacht mag worden dat hij daar alles over vertelt zodra hij daartoe in de gelegenheid wordt gesteld. Ook is terecht opgemerkt dat eiser wisselend heeft verklaard over de functie van [vader ]. Voorts heeft verweerder terecht geconstateerd dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de gebeurtenissen na afloop van de inval. Enerzijds heeft eiser verklaard dat zijn moeder continu in de gaten werd gehouden en daarom het huis niet meer uit durfde. Anderzijds heeft hij verklaard dat zijn moeder hem een paar dagen na de inval heeft bezocht bij de vriend waar eiser verbleef. Voor deze tegenstrijdigheid heeft eiser in beroep geen afdoende verklaring gegeven. Ook heeft eiser in beroep niet kunnen uitleggen waarom de eer van [naam] en haar familie niet hersteld kon worden door te trouwen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat zowel uit het algemeen ambtsbericht inzake Irak van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 10 november 2016, als uit de verklaringen van eiser blijkt dat in geval van buitenechtelijke seksuele activiteiten, de oplossing van eerkwesties er vaak uit bestaat dat personen met elkaar trouwen. Eiser heeft niet uit kunnen leggen waarom de vader van [naam] hier niet mee akkoord ging. Tot slot heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat het vreemd is dat eiser op legale wijze via de luchthaven de Koerdische Autonome Regio (KAR) heeft kunnen verlaten, terwijl [vader ] een machtig persoon in de KAR zou zijn.

5. Eiser heeft in beroep foto’s en twee artikelen overgelegd om aan te tonen dat [vader ] een hoge rang heeft bij de Peshmerga. De rechtbank overweegt dat eiser hiermee weliswaar afdoende heeft aangetoond dat de persoon op de foto’s een hoge militaire rang heeft, doch dit kan niet tot een ander oordeel leiden. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft eiser vreemde en tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de bedreiging door [vader ]. De overgelegde foto’s en artikelen nemen dat niet weg. Bovendien heeft eiser niet aangetoond, zoals hij zelf ook erkent, dat de persoon op de foto’s daadwerkelijk de vader van [naam] is. De overgelegde bedreigingen via social media met bijbehorende profielfoto en naam kunnen eveneens niet tot een ander oordeel leiden, aangezien het hier geen objectief verifieerbare bronnen betreft, zoals verweerder terecht heeft overwogen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. Holierhoek, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier.

Deze uitspraak is gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.