Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:6001

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
24-05-2018
Zaaknummer
09/818643-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

volwassen verdachte; medeplegen van gijzeling van een minderjarige jongen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/818643-17

Datum uitspraak: 9 mei 2018

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 23 november 2017, 19 april 2018 en

26 april 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G.K. Schoep en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R.P.A. Kint, advocaat te Zoetermeer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 augustus 2017 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] , wederrechtelijk

van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk een ander, te weten [betrokkene] , te dwingen iets te doen of niet te doen, te weten het verschijnen op een afspraak met verdachte en/of zijn mededader(s),

immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer] (onder omstandigheden dat deze tegelijkertijd door verdachte en zijn twee

mededaders werd benaderd) gezegd mee te gaan, en/of (vervolgens)

- met die [slachtoffer] meegelopen naar de auto, en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] laten instappen in de auto, en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] gedurende ongeveer anderhalf uur, althans enige tijd (in het bijzijn van

verdachte en/of zijn mededader(s)) in de auto laten zitten en rondgereden, zonder dat deze

gelegenheid kreeg de auto te verlaten, en/of

- de batterij uit de telefoon van die [slachtoffer] verwijderd, en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij niet weg mocht totdat hij geregeld had dat [betrokkene] ergens

was,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij mensen moest bellen en/of er voor moest zorgen dat er een afspraak zou komen met [betrokkene] en/of zij hem niet zouden laten gaan zolang zij niets van [betrokkene] hadden;

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte zich op 19 augustus 2017 te Zoetermeer samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan gijzeling.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het hem ten laste gelegde feit, medeplegen van gijzeling, heeft begaan.

De officier van justitie heeft zijn standpunt onderbouwd in een schriftelijk requisitoir, welk stuk hij aan de rechtbank heeft overgelegd.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde feit bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte ontkent het feit te hebben gepleegd en ook de overige in het dossier voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet maken dat tot een wettige en overtuigende bewezenverklaring kan worden gekomen.

De verdachte kent aangever [slachtoffer] niet en deze is volgens de verdachte zelf in de auto gestapt en op geen enkele wijze hiertoe gedwongen. Uit het dossier kan niet worden vastgesteld dat het voor aangever feitelijk niet mogelijk was zich vrij te verplaatsen.

Ook heeft de verdachte op geen enkel moment het opzet gehad op (de wederrechtelijkheid van) de vrijheidsbeneming van aangever, ook niet in voorwaardelijke zin, noch heeft de verdachte het oogmerk gehad aangever te dwingen iets te doen of niet te doen. Er is ook geen sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten. Mocht er een plan zijn geweest dan was de verdachte daar niet van op de hoogte. De verdachte heeft voorts geen enkele intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht geleverd in de zin dat kan worden gesproken van medeplegen.

Ook de raadsman heeft zijn pleitaantekeningen aan de rechtbank overgelegd.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1

Op zaterdag 19 augustus 2017 omstreeks 16:14 uur komt er bij de meldkamer een telefonische melding binnen. De melder [vader van betrokkene] vertelt dat zijn zoon [betrokkene] zojuist in Zoetermeer achterna was gezeten door een groep mannen met een honkbalknuppel. Zijn zoon had weten te vluchten maar de groep mannen had nu een vriend van zijn zoon in een zwarte Volkswagen Golf getrokken. Deze vriend, [slachtoffer] , zou door deze mannen tegen zijn wil worden vastgehouden. [betrokkene] had telefonisch het bericht ontvangen dat hij naar het winkelcentrum [locatie] in Zoetermeer moest komen om een verschuldigd geldbedrag te betalen. Als [betrokkene] niet zou komen zou zijn vriend [slachtoffer] niet worden losgelaten.

Politieagenten gaan naar aanleiding van de melding naar het [locatie] in Zoetermeer. Zij rijden over het parkeerterrein van het winkelcentrum [locatie] en zien een grijskleurige Volkswagen Polo voorzien van het kenteken [kenteken] , die daar geparkeerd staat. In dit voertuig zitten twee personen achterin en een persoon achter het stuur. Naast het voertuig staat een vierde persoon te bellen. De agenten controleren de inzittenden. Op de achterbank blijkt de in de melding genoemde [slachtoffer] te zitten. Nadat [slachtoffer] door de agenten uit de auto wordt gehaald verklaart hij dat hij tegen zijn wil werd vastgehouden door de twee mannen in de auto en de man die naast de auto staat2.

Verbalisant [verbalisant] heeft verklaard dat zij [slachtoffer] heeft horen zeggen dat hij bang was, dat hij in de auto was getrokken, dat hij niet meer weg mocht, dat ze 1,5 uur met hem hadden rond gereden en dat hij niets durfde te zeggen omdat hij bang was dat ze hem zouden gaan slaan als ze erachter kwamen dat hij met de politie gesproken had.3

De volgende drie mannen werden op zaterdag 19 augustus 2017 omstreeks 16:32 uur op heterdaad aangehouden:

1. [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats]4;

2. [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats]5;

3. [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats]6.

Verklaringen [slachtoffer]

(verder: aangever) heeft verklaard dat hij op 19 augustus 2017 had afgesproken om te chillen met [getuige] , [betrokkene] en [betrokkene] . Omstreeks 13.00 uur ontmoetten zij elkaar. Ze hebben gechild en vervolgens zijn aangever, [betrokkene] en [betrokkene] zijn naar [locatie] gelopen. Zij zouden op de parkeerplaats bij de Randstadrailhalte [locatie] aan de [locatie] [betrokkene] ontmoeten. Deze [betrokkene] had aan [betrokkene] gevraagd om te komen. [getuige] kwam rond 15.08 uur ook aanlopen op de betreffende parkeerplaats.

Aangever heeft verklaard dat een man (de langste van de drie, lichte huidskleur, met opgeschoren haar aan de zijkanten) [betrokkene] om een sigaret vroeg. [betrokkene] gaf een sigaret. Ze liepen verder en toen riep er een andere man “ [betrokkene] ”.

Deze man (met een babyblauw petje op, kleinste van de drie, bruine huidskleur, meer Surinaams, spijkerbroek) sprong uit een auto, een grijze Golf.

[betrokkene] rende daarop hard weg. Aangever zag een derde man (een beetje een Indonesisch uiterlijk, shirt met korte mouwen, mogelijk oranje van kleur, haar aan de zijkant opgeschoren en bovenop iets langere kuif) achter [betrokkene] aan rennen. Hij zag dat deze man een meerkleurige honkbalknuppel had, waar de kleuren rood/oranje in zaten.

[betrokkene] rende richting de stad, de drie mannen renden achter hem aan. Aangever ging naar huis en liep over de brug, toen hij “hey, hey” hoorde roepen.

Eén van de drie mannen riep dat. Ze vroegen naar het telefoonnummer van [betrokkene] . Aangever wist dit niet. Ook vroegen ze naar het adres van [betrokkene] en toen aangever zei dat hij dit wist, zeiden ze dat hij met hen mee moest. Aangever voelde zich onder druk gezet, omdat de mannen hun stem verhieven, veel ouder waren dan hij, ze achter [betrokkene] waren aangerend en ze met zijn drieën waren. Aangever was bang en is met hen meegelopen. Eén van de mannen liep achter hem en twee voor hem. Ze zijn niet naar [slachtoffer] huis gereden. Toen aangever niet kon vertellen wat de chillplekken van [betrokkene] waren, moest hij vervolgens allerlei mensen bellen. De mannen zeiden dat hij niet weg mocht totdat hij had geregeld dat [betrokkene] ergens was. Aangever heeft [betrokkene] , [getuige] en [betrokkene] gebeld. Uiteindelijk vroeg hij aan [getuige] of hij [betrokkene] naar de plek kon laten komen waar ze uiteindelijk zijn aangehouden. Een van de mannen heeft de hele rit naast aangever gezeten.

De andere twee reden afwisselend. De mannen haalden na het bellen de batterij uit de telefoon van aangever. Op een later moment heeft hij die teruggekregen. Aangever denkt dat het rijden ongeveer anderhalf uur heeft geduurd. Er is geen moment geweest dat hij uit de auto had gekund; er bleef altijd iemand bij hem zitten. De mannen zeiden tegen aangever dat zij rond de 1000 euro van [betrokkene] moesten krijgen. De mannen zeiden “het gaat niet om jou maar om [betrokkene] , maar we laten jou niet gaan zolang we niets van [betrokkene] hebben”. Aangever zag toen de politie kwam dat de tweede man de knuppel tegen zijn been had gezet, terwijl deze tijdens het rijden onder de bestuurdersstoel had gelegen.7

Op 29 januari 2018 heeft aangever als getuige bij de rechter-commissaris in de strafzaak tegen de drie verdachten een verklaring afgelegd. Hij heeft onder meer het volgende verklaard: Er stapten twee jongens uit de auto, één had een knuppel, ik denk [medeverdachte 1] .

Eén van de jongens sprak mij aan en vroeg of ik wist waar [betrokkene] woonde. Ze hadden toen geen knuppel meer bij zich. Ze wilden graag weten waar [betrokkene] was. Ze hebben mij niet aangeraakt, maar ik moest wel mee naar de auto. Ik wilde niet mee in de auto. Ik heb gezegd dat ik naar huis moest. Ze zeiden dat dat niet kon, omdat ze [betrokkene] moesten hebben. Ik denk dat ik door de spanning meegelopen ben. Ik voelde me rot en wilde me er niet mee bemoeien. Toen we naar de auto liepen liep er één voor me en één of twee achter me. Ik moest achterin de auto zitten. Ik zag toen de honkbalknuppel weer. Hij lag achterin bij de voeten, geloof ik. Ik moest een paar vrienden bellen om te vragen waar [betrokkene] was. Ik moest van allemaal bellen. Ik belde [getuige] . Hij hoorde dat er iets niet goed was. Ik belde niet met mijn eigen telefoon want ik had geen beltegoed. Daarna heb ik [betrokkene] gebeld, maar die wist niet waar [betrokkene] was. Ik werd gebeld door [getuige] . Hij had [betrokkene] gebeld en gezegd dat ik waarschijnlijk bij hen was. Ik heb tegen hem gezegd dat we bij halte [locatie] stonden. Toen gingen twee van de jongens drinken halen. Ik heb niet gevraagd of ik uit de auto mocht Ze hebben ook niets gezegd over wanneer ik eruit mocht. Ze hebben niet gedreigd in de auto. Ik heb niet gevraagd of ik eruit mocht. Ik voelde me wel vervelend. Er hing een negatieve sfeer.

Ik was wel bang. Ik kon niet weg uit de auto, omdat het een tweedeursauto was. Toen de andere twee gasten drinken gingen halen, haalde degene die in de auto bleef de simkaart en batterij uit mijn telefoon zodat ik niet meer kon bellen. Hij zat voor mij op de bijrijdersstoel. [medeverdachte 1] en de bestuurder gingen weg. De jongens hebben mij niet vast gepakt of aangeraakt.8

De politie heeft vastgesteld dat de man die om een sigaret vroeg de verdachte is, dat de man die met de honkbalknuppel over de openbare weg rende, de verdachte [medeverdachte 2] is en dat de man die eerst als bijrijder in de geparkeerde auto zat en later op de achterbank, de verdachte [medeverdachte 1] is.9

Verklaringen medeverdachte [medeverdachte 1]

Bij de rechter-commissaris heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] het medeplegen van de gijzeling van het slachtoffer [slachtoffer] op 19 augustus 2017 bekend. Hij heeft verklaard dat hij aangever niet heeft aangeraakt, maar wel heeft gezegd dat hij de auto niet mocht verlaten totdat [betrokkene] er zou zijn en dat de verdachte en [medeverdachte 2] dit ook tegen aangever hebben gezegd. [betrokkene] had in het verleden € 100,- van hem gestolen en hij wilde dit geld terug. [betrokkene] had [betrokkene] gebeld en ervoor gezorgd dat [betrokkene] naar de afgesproken plek zou komen. [betrokkene] rende weg, hij en de verdachte renden achter hem aan, maar kregen hem niet te pakken. Toen heeft [medeverdachte 2] aangever met de honkbalknuppel bedreigd en hebben ze aangever in de auto vast gehouden en gezegd dat hij niet weg mocht. Aangever moest [betrokkene] bellen. Aangever heeft ongeveer 1 à 1,5 uur bij hen in de auto gezeten. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij denkt dat het een onprettig gevoel was voor aangever en dat hij kan begrijpen dat hij heel erg bang is geweest.10

Op 29 januari 2018 is de medeverdachte [medeverdachte 1] als getuige door de rechter-commissaris gehoord in de zaken van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] . Hij heeft wederom verklaard dat hij samen met [medeverdachte 2] en de verdachte was. De verdachte en [medeverdachte 2] reden afwisselend.

Hij stelde voor om [betrokkene] te gaan zoeken. [betrokkene] was hem geld verschuldigd. [betrokkene] had op school € 100,- van hem gestolen. Hij heeft ook tegen [medeverdachte 2] en de verdachte gezegd dat [betrokkene] hem geld schuldig was. Er was niet echt een plan. Het was de bedoeling dat zij zouden vragen waar het geld was. [medeverdachte 1] zat rechts achterin. De verdachte en [medeverdachte 2] zaten voorin. [medeverdachte 1] zag [slachtoffer] wegrennen toen hij hem zag. [medeverdachte 1] zei iets van ‘Yo [betrokkene] ’ en de verdachte en hij renden achter [slachtoffer] aan. [medeverdachte 2] stond toen [medeverdachte 1] en de verdachte terugkwamen samen met aangever. [medeverdachte 2] had een honkbalknuppel. Hij zwaaide er onderhands een beetje mee. Aangever heeft de honkbalknuppel wel gezien.

Ze vroegen aangever om mee te komen om [betrokkene] te zoeken. Hij was een beetje gespannen, maar ging wel mee. Ze reden richting [locatie] en hebben gekeken op de plekken waar [betrokkene] gaat chillen. Daarna zijn ze naar winkelcentrum [locatie] gereden. De sfeer in de auto was gespannen. Ze hebben in de auto wel gezegd dat aangever niet weg mocht omdat ze op zoek waren naar [betrokkene] . Hij mocht niet uit de auto. Dat zeiden ze allemaal. Aangeverzat achterin naast [medeverdachte 1] .

[medeverdachte 1] heeft samen met de verdachte iets te drinken gehaald. Aangever moest gewoon blijven zitten [medeverdachte 2] bleef bij hem. Toen ze terugkwamen kwam de politie na een halve minuut.

[medeverdachte 1] heeft tevens verklaard dat hij aangever heeft gevraagd om [betrokkene] te bellen. Dat deed hij gewoon. Hij heeft meerdere telefoontjes gepleegd, ook naar [slachtoffer] vrienden. Aangever heeft steeds met de telefoon van [medeverdachte 1] gebeld. De honkbalknuppel lag bij [medeverdachte 1] achterin, naast zijn been. Toen de verdachte en [medeverdachte 1] terugkwamen van drinken halen was de batterij uit de telefoon van aangever. [medeverdachte 1] weet niet wie hem eruit heeft gehaald.

[medeverdachte 1] heeft tegen aangever gezegd: je mag niet uit de auto voordat [betrokkene] er is.11

Verklaring getuige [getuige]

Getuige [getuige] heeft bij de politie12 en als getuige bij de rechter-commissaris13 verklaard dat hij toen hij rond 15:08 uur ook in [locatie] was aangekomen, is aangesproken door een jongen die om een sigaret vroeg en dat dit dezelfde jongen was die even later naar [betrokkene] liep. Twee andere jongens stonden nog bij een auto, zilvergrijs van kleur. Vervolgens zag hij dat er een jongen met een honkbalknuppel achter [betrokkene] aan rende die er vandoor ging. Toen [getuige] thuis was, is hij door aangever gebeld met de vraag of hij [betrokkene] naar winkelcentrum [locatie] wilde laten komen.

Hij hoorde aan de stem van aangever dat hij bang was. Aangever klonk een beetje geschrokken en gedwongen. De getuige heeft daarop [betrokkene] gebeld en gezegd dat hij de politie moest bellen.

Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft bij de politie en bij de rechter-commissaris enige betrokkenheid bij de gijzeling van aangever ontkend. Aangever heeft wel bij hem en zijn vrienden in de auto gezeten, maar er is geen sprake geweest van dwang.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij op verzoek van medeverdachte [medeverdachte 1] naar [locatie] ging om daar een vriend van [medeverdachte 1] op te halen. Hij heeft niet gemerkt dat er iets aan de hand was met aangever. Van enig plan was hij niet op de hoogte. Ook heeft hij niet meegekregen dat aangever mee moest lopen, dat hij niet weg mocht en dat hij zijn vrienden moest bellen om te zorgen dat [betrokkene] naar winkelcentrum [locatie] zou komen, omdat medeverdachte [medeverdachte 1] nog geld van hem tegoed had en dit terug wilde. De honkbalknuppel die in de auto aanwezig zou zijn geweest heeft de verdachte niet gezien en ook heeft hij niet gezien dat de batterij uit de telefoon van [slachtoffer] is gehaald.

Oordeel van de rechtbank

Gelet op de verklaringen van aangever, bij de politie en bij de rechter-commissaris en de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris, bezien in samenhang met de overige in het dossier voorhanden zijnde stukken, acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat aangever niet uit vrije wil in de auto zat en hij daarin ook geen aandeel heeft gehad, ongeloofwaardig.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij op verzoek van medeverdachte [medeverdachte 1] naar [locatie] is gegaan. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft daarover verklaard dat hij [betrokkene] naar [locatie] had laten lokken en dat het de bedoeling was om het geld dat [betrokkene] hem nog schuldig was terug te halen en dat hij dat ook aan de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verteld.

De verdachte wist dus wel degelijk dat het de bedoeling was om een bedrag van 100 euro van [betrokkene] (terug) te krijgen en niet om een vriend van medeverdachte [medeverdachte 1] op te halen.

Voorts stelt de rechtbank vast dat aangever niet uit vrije wil in de auto is gestapt en daar

1,5 uur is gebleven. Aangever was een 14-jarige jongen die door de drie verdachten die allen ouder zijn dan aangever met luide stem is aangesproken vlak nadat aangever heeft gezien dat twee van deze verdachten zijn vriend achterna hebben gezeten met een honkbalknuppel. Aangever moet meelopen naar een auto. Eén van de verdachten loopt voor aangever en de andere twee lopen achter hem. Aangever moet achterin de driedeurs Polo stappen; dit betekent dat hij geen portier heeft dat hij zelf kan openen om zo de auto te verlaten. Medeverdachte [medeverdachte 1] gaat naast hem zitten op de achterbank. De honkbalknuppel ligt op dat moment in de auto. Er wordt tegen aangever gezegd dat hij mensen moet bellen en moet zorgen dat er een afspraak komt met [betrokkene] . Er wordt door alle verdachten tegen aangever gezegd dat hij de auto niet mag verlaten totdat [betrokkene] er is. Gedurende ongeveer anderhalf uur rijden de verdachten met de auto rond en mag aangever er niet uit. Pas als de politie komt, kan aangever de auto verlaten.

Gelet op voornoemde gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat aangever, hoewel hij niet actief heeft gevraagd om weg te mogen, tegen zijn wil werd vastgehouden, nu hij niet zelf in staat was de auto te verlaten en hem dat ook niet alleen in woord, maar ook daadwerkelijk, door hem niet alleen te laten terwijl anderen wel de auto verlieten, werd belet.

Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een dusdanige bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten dat er sprake is van medeplegen. Het is de verdachte die [betrokkene] om een sigaret heeft gevraagd en daarmee het eerste contact met [betrokkene] en zijn vrienden heeft gelegd. De verdachte is ook samen met medeverdachte [medeverdachte 1] achter [betrokkene] aangerend toen deze ervandoor ging. Aangever is vervolgens door de verdachte en medeverdachten aangesproken en zij hebben aangever begeleid naar de auto door voor en achter hem te lopen. Vervolgens is 1,5 uur met aangever in een auto rond gereden en heeft de verdachte ook gereden, terwijl aangever meerdere telefoontjes heeft gepleegd om [betrokkene] naar een bepaalde plek te laten komen. Daarbij is door alle verdachten tegen aangever gezegd dat hij de auto niet mocht verlaten voordat [betrokkene] op de afspraak was verschenen.

Gelet op het bovenstaande heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk medeplegen van een wederrechtelijke vrijheidsberoving met het oogmerk om [betrokkene] te dwingen iets te doen, namelijk te verschijnen op een afspraak met medeverdachte [medeverdachte 1] (en € 100,- te betalen). Dat die afspraak feitelijk niet tot stand is gekomen, maakt voor de strafbaarheid van het feit niet uit.

Dit betekent dat wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat de verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan, op de hieronder in de bewezenverklaring beschreven wijze.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

hij op 19 augustus 2017 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met het oogmerk een ander, te weten [betrokkene] , te dwingen iets te doen, te weten het verschijnen op een afspraak met verdachte en/of zijn mededaders,

immers heeft/hebbeb/is/zijn ) hij, verdachte, en/of zijn mededaders

- die [slachtoffer] (terwijl deze door verdachte en zijn twee mededaders werd benaderd) gezegd

mee te gaan, en vervolgens

- met die [slachtoffer] meegelopen naar de auto, en vervolgens

- die [slachtoffer] laten instappen in de auto, en vervolgens

- die [slachtoffer] gedurende ongeveer anderhalf uur (in het bijzijn van verdachte en/of zijn

mededaders) in de auto laten zitten en rondgereden, zonder dat deze gelegenheid kreeg de auto te

verlaten, en

- de batterij uit de telefoon van die [slachtoffer] verwijderd, en

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij niet weg mocht totdat hij geregeld had dat [betrokkene] ergens

was,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaders tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij mensen moest bellen en/of er voor moest zorgen dat er een afspraak zou komen met [betrokkene] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 70 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door Reclassering Nederland in het kader van de meldplicht en het hebben van scholing, werk dan wel andere dagbesteding.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, bepleit de raadsman het opleggen van een straf gelijk aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Nu de gronden voor de voorlopige hechtenis ontbreken, dient de verdachte, die net voor aanvang van de zitting is aangehouden, onmiddellijk in vrijheid te worden gesteld en dient de voorlopige hechtenis aldus te worden opgeheven. Mocht de rechtbank niet tot opheffing van de voorlopige hechtenis komen, dan moet schorsing van de voorlopige hechtenis volgen, omdat de verdachte per direct als hovenier aan het werk kan gaan en zijn persoonlijk belang daarom prevaleert boven het belang van bescherming van de maatschappij.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan gijzeling.

Daarbij is het slachtoffer gedurende ruim anderhalf uur van zijn vrijheid beroofd.

Het slachtoffer moest meelopen naar een auto, moest instappen en vervolgens is

er anderhalf uur met hem rondgereden en kreeg hij niet de gelegenheid om de auto te verlaten. Ook is op een gegeven moment de batterij uit zijn telefoon gehaald. Dit alles met het doel om een vriend van het slachtoffer te dwingen op een afspraak te verschijnen.

Eén van de andere verdachten wilde geld hebben van deze vriend.

Door hun handelen hebben de verdachte en de andere twee verdachte inbreuk gemaakt op een fundamenteel recht van een mens; de vrijheid om te gaan en staan waar hij wil.

Een feit als gijzeling zorgt bij het slachtoffer, maar ook in de samenleving voor gevoelens van angst en onveiligheid. Dit blijkt ook uit de verklaring van het slachtoffer.

De verdachte en zijn mededaders hebben bij het plegen van het feit gehandeld uit puur eigen belang en hebben zich niets aangetrokken van de gevoelens en belangen van het slachtoffer.

De persoon van de verdachte

De verdachte is nog niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft onder meer acht geslagen op het rapport van Reclassering Nederland

d.d. 16 november 2017 betreffende de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Blijkens dit rapport acht rapporteur het, gezien de ontkenning van de verdachte en het ontbreken van een delictverleden, niet mogelijk om het recidiverisico of risico op letselschade in te schatten. De verdachte is in zijn jeugd uitgebreid bekend geweest bij de hulpverlening vanwege problemen tussen zijn ouders en gedragsproblemen bij hem zelf.

Er lijkt inmiddels enige rust te zijn ontstaan binnen het gezin, echter de verdachte heeft nog geen stabiliteit en toekomstperspectief weten te creëren in die zin dat hij niet over een

diploma beschikt en geen zinvolle dagbesteding had ten tijde van zijn aanhouding.

Binnen de justitiële jeugdinrichting is hij actief en gemotiveerd gestart aan een opleiding, welke hij na detentie als zelfstudie wil afronden. Er is geen zicht is op welke invloed het netwerk op betrokkene heeft. Wel is op te maken uit de stukken, het beeld dat in de justitiële jeugdinrichting van hem is ontstaan alsmede op basis van het gesprek met de verdachte, dat hij zijn eigen plan lijkt te trekken en niet beïnvloedbaar is.

Op basis van het Wegingskader Adolescentenstrafrecht wordt geadviseerd het

volwassenen strafrecht toe te passen. De verdachte lijkt zowel qua leeftijd als qua

ontwikkelingsniveau op de grens tussen jeugd en volwassenheid te zitten, waarbij

hij voldoende in staat is de gevolgen van gedrag te overzien en zich weinig

beïnvloedbaar toont.

Geadviseerd wordt, bij schuldigverklaring, een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen. Als voorwaarden dienen verplicht reclasseringstoezicht, een contactverbod met aangever en de medeverdachten alsook het hebben van een zinvolle dagbesteding te worden opgelegd.

De op te leggen straf

Met de reclassering is de rechtbank van oordeel dat er geen redenen zijn om in de onderhavige zaak het jeugdstrafrecht toe te passen.

Gijzeling is een zeer zwaar misdrijf. In de regel kan daarom niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt.

De rechtbank ziet wel aanleiding een deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen teneinde recidive te voorkomen. De rechtbank zal geen reclasseringstoezicht opleggen, nu de verdachte zijn eigen gang gaat en niet open staat voor begeleiding. De verdachte heeft ook op eigen initiatief een baan heeft gevonden.

Hoewel de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte op 10 april 2018 is opgeheven en de verdachte in verband daarmee kort voor de terechtzitting van 19 april 2018 is aangehouden, heeft de rechtbank wegens het ontbreken van de gronden op 19 april 2018 de voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven en is de verdachte onmiddellijk in vrijheid gesteld.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

47 en 282a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

medeplegen van gijzeling;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;


veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 180 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 81 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde

zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.J. Peters, voorzitter,

mrs. E.M.M. Engbers en N.I.S. Wallet, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 mei 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van politie Eenheid Den Haag, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2017-236395, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 196.

2 Proces-verbaal van aanhouding, p. 33/35.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 72.

4 Proces-verbaal van aanhouding van [medeverdachte 1] , p. 16/18.

5 Proces-verbaal van aanhouding van [verdachte] , p. 33/35.

6 Proces-verbaal van aanhouding van [medeverdachte 2] , p. 56/58.

7 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , met bijlage, p. 73/77.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , d.d. 29 januari 2018

9 Proces-verbaal van bevindingen- signalementen, p.157/161.

10 Proces-verbaal verhoor inbewaringstelling van [medeverdachte 1] d.d. 22 augustus 2017.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris d.d. 29 januari 2018.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 86/88.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] bij de rechter-commissaris d.d. 25 januari 2018.