Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5949

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
08-06-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 8572
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Correcties privégebruik auto's door werknemers voor loon- en omzetbelasting terecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1243
Viditax (FutD), 11-06-2018
FutD 2018-1630
Belastingadvies 2018/18.5
V-N 2018/46.22.4
NTFR 2018/1976 met annotatie van Rolleman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 16/8572, SGR 16/8574, SGR 16/8575, SGR 16/8576, SGR 17/402,

SGR 17/403, SGR 17/404 en SGR 17/405

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 april 2018 in de zaken tussen

[B.V. X] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P. de Haas),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Met dagtekening 25 januari 2016 heeft verweerder aan eiseres de volgende naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd:

- een naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 (het tijdvak 2011) ten bedrage van € 10.975. Tevens is bij beschikking € 1.481 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 2.743 opgelegd (SGR 17/402);

- een naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 (het tijdvak 2012) ten bedrage van € 11.047. Tevens is bij beschikking € 1.234 aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 2.761 opgelegd (SGR 17/403);

- een naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 (het tijdvak 2013) ten bedrage van € 8.489. Tevens is bij beschikking € 693 aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 2.122 opgelegd (SGR 17/404);

- een naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 (het tijdvak 2014) ten bedrage van € 6.530. Tevens is bij beschikking € 288 aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 1.632 opgelegd (SGR 17/405).

Met dagtekening 12 februari 2016 heeft verweerder aan eiseres de volgende naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd:

- een naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 (het tijdvak 2011) ten bedrage van € 103.455. Tevens is bij beschikking € 14.164 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 25.863 opgelegd (SGR 16/8572);

- een naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 (het tijdvak 2012) ten bedrage van € 104.932. Tevens is bij beschikking € 11.921 aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 26.233 opgelegd (SGR 16/8574);

- een naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 (het tijdvak 2013) ten bedrage van € 121.695. Tevens is bij beschikking € 10.188 belastingrente in rekening gebracht en is een vergrijpboete van € 30.423 opgelegd (SGR 16/8575);

- een naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 (het tijdvak 2014) ten bedrage van € 65.792. Tevens is bij beschikking € 3.041 belastingrente in rekening gebracht en is een vergrijpboete van € 16.448 opgelegd (SGR 16/8576).

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 11 oktober 2016 de naheffingsaanslagen loonheffingen en de daarbij gegeven rentebeschikkingen gehandhaafd, de boetebeschikking over 2013 verminderd naar € 25.125 en de boetebeschikking over 2014 verminderd naar € 516.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 6 januari 2017 de naheffingsaanslagen omzetbelasting, rentebeschikkingen en boetebeschikkingen over de tijdvakken 2012 tot en met 2014 gehandhaafd en bij uitspraak op bezwaar van 10 februari 2017 de naheffingsaanslag omzetbelasting, beschikking belastingrente en boetebeschikking over het tijdvak 2011 gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2018.

Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres exploiteert een onderneming op het gebied van het ter beschikking stellen van personeel. De enige opdrachtgever van eiseres is [B.V. Y] ( [B.V. Y] ). [B.V. Y] is een zustermaatschappij van eiseres en exploiteert een onderneming op het gebied van het leggen van elektriciteits- en telecommunicatiekabels. De (indirect) aandeelhouder van beide vennootschappen is [persoon 5] .

2. [B.V. Y] is kentekenhouder van een aantal bestelauto’s (de auto’s) die door werknemers van eiseres zijn gebruikt voor het vervoer van en naar de werklocaties. In de uitzendovereenkomst die eiseres met haar werknemers heeft gesloten, is het volgende opgenomen over het gebruik van de auto, waarbij de werknemer als “uitzendkracht” is aangeduid:

“Rijden met de auto van de zaak. De bedrijfsauto is puur bedoeld om het werk te kunnen uitvoeren. De uitzendkracht mag de auto niet voor privé gebruiken. Mocht de uitzendkracht toch de bedrijfsauto voor privé gebruiken, dan zijn alle voortvloeiende verantwoordelijkheden en risico’s voor rekening van de uitzendkracht. Denk hierbij aan de bijtelling, opgelopen bekeuringen, ongelukken schades en alle onvoorziene zaken. [Eiseres] is op geen enkele wijze verantwoordelijk voor bovengenoemde zaken buiten werktijd.”

3. Op 1 oktober 2014 is verweerder bij eiseres een boekenonderzoek gestart naar de juistheid van de aangiften loonheffingen over de tijdvakken 2011, 2012 en 2013. Op grond van de bevindingen ten aanzien van de ter beschikking gestelde auto’s is het onderzoek voor de loonheffingen op dit punt uitgebreid naar het tijdvak 2014. Tevens heeft verweerder op grond van de bevindingen ten aanzien van de ter beschikking gestelde auto’s de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken 2011 tot en met 2014 in het onderzoek betrokken.

4. Met dagtekening 18 november 2015 heeft verweerder een concept van het controlerapport aan eiseres verstuurd. In het begeleidend schrijven is onder meer het volgende opgenomen:

Vergrijpboete

Deze rapportage fungeert tevens als een kennisgeving ingevolge artikel 5:48 en 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat [eiseres] middels deze rapportage op de hoogte wordt gebracht van de hoogte van de voorgenomen vergrijpboeten en de gronden waarop deze zijn gebaseerd. [Eiseres] wordt in de gelegenheid gesteld om binnen 2 weken na dagtekening van deze kennisgeving de gronden waarop mijn voornemen tot het opleggen van de vergrijpboeten berust, gemotiveerd te betwisten.”

5. Met dagtekening 10 december 2015 heeft verweerder een afschrift van het definitieve rapport aan eiseres verstuurd. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

5.3

Aansluiting loonadministratie en financiële administratie

Uit de bij aanvang van het boekenonderzoek overgelegde administratie blijkt dat de uitbetaalde nettolonen volgens de loonadministratie van het jaar 2013 niet aansluiten bij de volgens de grootboekadministratie uitbetaalde lonen. (…)

Bij de laatste bespreking geeft de adviseur desgevraagd aan dat [eiseres] geen nadere verklaring heeft voor de betaalde bedragen en dat deze als uitbetaald loon moeten worden aangemerkt. Nu het in alle gevallen betalingen betreffen aan natuurlijke personen dienen de betreffende bedragen, in totaal: € 5.868,- + € 6.782,- = € 12.650, in de loonheffing te worden betrokken.

(…)

7.1.2

Geldboetes
(…)
De verkeersboetes zijn door [eiseres] slechts in een enkel geval verrekend met het netto loon van werknemers. Zo heeft [B.V. Y] , in het jaar 2013, als kentekenhouder, een bedrag van € 7.638,- betaald aan verkeersboetes voor auto’s die ter beschikking zijn gesteld aan werknemers van [eiseres]. Hiervan is in totaal € 326,- verrekend met het netto loon. Per saldo dient in 2013 een bedrag van € 6.972,- nog tot het loon gerekend te worden. Ook voor de overige jaren dient deze correctie gemaakt te worden. (…)

8. Privégebruik auto

(…)
Beoordeling

(…) In de jaren 2011 tot en met 2014 zijn er meerdere auto’s binnen de entiteit ( [B.V. Y] is de kentekenhouder) welke aan werknemers van [eiseres] ter beschikking worden gesteld. In bijlage 1 is een specificatie opgenomen van de over deze jaren ter beschikking gestelde auto’s.

[Eiseres] heeft de regeling privégebruik auto in de jaren 2011 tot en met 2014 op diverse manieren toegepast. Over het algemeen worden bestelauto’s aan de werknemer ter beschikking gesteld. De werkwijze is in alle jaren als volgt aldus [persoon 5] .

De bestelauto worden aan steeds verschillende werknemers ter beschikking gesteld afhankelijk van de locatie van het project en de samenstelling van de werkploeg. De betreffende chauffeur rijdt van zijn woon/verblijfplaats naar de werklocatie en haalt onderweg collega’s op. De chauffeur neemt de bestelauto na afloop van het werk mee naar huis. [persoon 5] stelt dat de chauffeurs onderling wel eens wisselen van bestelauto zonder zijn medeweten. Uit de in latere jaren bijgehouden rittenstaten (zie hierna) blijkt dat in de regel per project vaste werknemers chauffeur zijn.

Over de jaren 2011 tot en met 2014 wordt door [eiseres] geen bijtelling toegepast voor het privégebruik auto.

Van de meeste auto’s, op één na, heeft [eiseres] rittenstaten kunnen overleggen.

Uit de beoordeling van de rittenstaten van acht auto’s, mede aan de hand van de ons ter beschikking staande gegevens van derden, blijkt dat er bij zes auto’s gebreken in de rittenstaten worden geconstateerd:

- Diverse ritten, met name in het weekend, komen niet voor in de rittenregistraties, voorbeelden: signalering van de auto bij de grensplaats [plaats] , richting [buitenland] en signalering van de auto op de parkeerplaats van [plek] te [plaats] tijdens een evenement;

- Diverse rittenstaten sluiten niet aan voor wat betreft begin- en eindstand van de kilometerstanden.

[persoon 5] heeft desgevraagd geen verklaring voor het bovenstaande geconstateerde. Verder wordt opgemerkt dat veel rittenstaten eenzelfde handschrift vertonen. [persoon 5] geeft als verklaring dat de rittenstaten in een aantal gevallen op kantoor door de administratief medewerker worden ingevuld. De eventueel door de chauffeurs gemaakte vastleggingen zijn daarbij niet bewaard gebleven.

Vastleggingen in overige administratie zoals agenda’s, roosters of planningen met betrekking tot de ritten en chauffeurs zijn niet aangetroffen.

Vastleggingen inzake enige controle van de ritten door inhoudingsplichtige zijn niet aangetroffen.

Van één auto, kenteken [kentekennummer] , is in het geheel geen rittenregistratie aangetroffen. De auto zou in 2013 aan een onderaannemer in bruikleen zijn gegeven. De onderaannemer is in het jaar niet doorlopend werkzaam geweest voor [B.V. Y] , er is geen periode of project afgesproken en er zijn geen kosten in rekening gebracht aan de onderaannemer. Gezien het voorgaande is het niet uit te sluiten dat de eigen werknemers gebruik hebben gemaakt van de auto.

[Eiseres] heeft het privégebruik van de auto verboden. Het verbod is opgenomen in de uitzendovereenkomst, maar er is geen passende sanctie afgesproken. Er is slechts vastgelegd dat de werknemer bij privégebruik het risico loopt dat er wordt bijgeteld en bekeuringen en schades voor zijn rekening zijn. Ook blijkt niet dat inhoudingsplichtige controle op het verbod heeft uitgevoerd. Vastleggingen hiervan ontbreken.

Vanaf het jaar 2014 past [eiseres] de eindheffingsregeling van € 300,- per auto toe omdat er sprake zou zijn van doorlopend afwisselend gebruik. [Eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van doorlopend afwisselend gebruik en het bezwaarlijk is vast te stellen aan wie de bestelauto ter beschikking is gesteld. De eindheffingsregeling is ten onrechte toegepast.

(…)

Tenslotte geeft [persoon 5] aan dat de busjes niet privé gebruikt kunnen worden omdat er gereedschap en materiaal in de laadruimte ligt en de auto’s vuil zijn.

(…)

10.2

Vergrijpboete loonheffingen

Over de correcties worden op grond van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en op hoofdstuk IV van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB) vergrijpboetes opgelegd. (…)

Nettoloonbetalingen

(…) Inhoudingsplichtige exploiteert al een aantal jaren een uitzendbureau, in ieder geval vanaf het jaar 2005, waarbij hij een loonadministratie voert en periodiek aangiften loonheffingen indient. Het is hem dus bekend dat over de buiten de loonadministratie betaalde bedragen aan werknemers geen loonheffingen worden ingehouden, aangegeven en afgedragen.

Inhoudingsplichtige had redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat door haar gedrag te weinig belasting zou worden geheven of betaald. Ik ben daarom van mening dat er (door een geval van) grove schuld te weinig loonheffing is aangegeven en afgedragen. De boete die ik voornemens ben op te leggen, bedraagt op basis van de AWR en het BBBB 25% van de ter zake van deze correctie verschuldigde loonheffing.

Verkeersboetes

Naar aanleiding van het boekenonderzoek in 2010 zijn eerder naheffingen opgelegd met betrekking tot het onderwerp verkeersboetes bij [eiseres]. Bij de voorgaande boekenonderzoeken in 2010 is [eiseres] en haar adviseur zowel mondeling als schriftelijk er op gewezen dat niet op de werknemer verhaalde boetes tot het loon gerekend dienen te worden. (...)

Uit het voorgaande blijkt dat [eiseres] bekend is met het feit dat niet op de werknemer verhaalde boetes tot het loon gerekend dienen te worden. Niettemin heeft inhoudingsplichtige het voordeel niet tot het loon gerekend. Inhoudingsplichtige had redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat door haar gedrag te weinig belasting zou worden geheven of betaald. Ik ben daarom van mening dat er (door een geval van) grove schuld te weinig loonheffing is aangegeven en afgedragen. De boete die ik voornemens ben op te leggen, bedraagt op basis van de AWR en het BBBB 25% van de ter zake van deze correctie verschuldigde loonheffing.

Privégebruik auto

Naar aanleiding van het boekenonderzoek in 2010 zijn eerder naheffingen opgelegd met betrekking tot het onderwerp privégebruik auto bij [eiseres]. Bij de voorgaande boekenonderzoeken in 2010 is [eiseres] en haar adviseur zowel mondeling als schriftelijk gewezen op de juiste toepassing van de regeling privégebruik auto. (…)

Uit het voorgaande blijkt dat [eiseres] bekend is met het feit dat voor een ter beschikking gestelde auto moet worden bijgeteld, tenzij uit een sluitende rittenregistratie of op een andere overtuigende wijze blijkt dat minder dan 500 kilometer privé met de auto is gereden. Uit de nu overlegde kilometeradministratie blijkt dat deze niet voldoen aan de eisen, ritten zijn niet volledig verantwoord en er is geen sprake van een sluitende rittenregistratie. Gebleken is dat inhoudingsplichtige onvoldoende toezicht heeft gehouden op het privégebruik. Verder is er op geen enkele wijze aangetoond dat er met de diverse auto’s niet meer dan 500 kilometer per jaar privé is gereden. Niettemin heeft inhoudingsplichtige het “privégebruik auto” niet bijgeteld. Inhoudingsplichtige had redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat door haar gedrag te weinig belasting zou worden geheven of betaald.

Ik ben daarom van mening dat er (door een geval van) grove schuld te weinig loonheffing is aangegeven en afgedragen. De boete die ik voornemens ben op te leggen, bedraagt op basis van de AWR en het BBBB 25% van de ter zake van deze correctie verschuldigde loonheffing.

(…)”

De hiervóór opgenomen motivering van de vergrijpboetes is identiek aan de motivering die in het op 18 november 2015 toegezonden conceptrapport - dat tevens als kennisgeving van de boetes fungeert - is opgenomen.

6. De motivering in het controlerapport van de bij de naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegde vergrijpboetes is gelijkluidend aan die van de bij de naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegde vergrijpboetes.

7. [controlemedewerker] , controlemedewerker van de Belastingdienst, kantoor [plaats] , heeft op 6 februari 2018 een verklaring opgesteld waarin hij heeft verklaard:

“Tijdens het boekenonderzoek naar de juistheid en tijdigheid van de aangiften loonheffingen en omzetbelasting over de jaren 2011 tot en met 2014 van [eiseres] ((…) hierna: inhoudingsplichtige)) bood inhoudingsplichtige ons, mede-controlerend ambtenaar (…) en mijzelf, van 18 auto’s rittenstaten ter inzage aan. Deze rittenstaten waren door inhoudingsplichtige opgeborgen in ongeveer acht ordners.

Ten aanzien van alle aangeboden rittenstaten constateerden wij dat ze niet voldeden aan de eisen van artikel 3.13 van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting (hierna: URLB). Zo bevatten alle rittenstaten geen merk en type van de auto, geen begin- en eindadressen en werden er geen omrijroutes vermeld.

We hebben de rittenstaten van 8 van de 18 auto’s kritische beoordeeld (dag voor dag). Bij 6 daarvan constateerden we, naast het feit dat ze niet voldeden aan de eisen van artikel 3.13 URLB, tevens gebreken op basis van externe gegevens, op basis waarvan we concludeerden dat deze 6 geen getrouwe weergave waren van de werkelijkheid.”

8. Naar aanleiding van de conclusies van het boekenonderzoek zijn de onderhavige naheffingsaanslagen, rente- en boetebeschikkingen opgelegd.

9. In de uitspraak op bezwaar van 11 oktober 2016 met betrekking tot de naheffingsaanslagen loonheffingen heeft verweerder de vergrijpboete ten aanzien van de uitbetaling van de nettolonen over het tijdvak 2013 en de vergrijpboete over de correctie ter zake van het privégebruik van de auto’s over het tijdvak 2014 verminderd tot nihil omdat ten aanzien van deze correcties geen grove schuld verweten kan worden.

Geschil
10. In geschil is of de naheffingsaanslagen loonheffingen en omzetbelasting alsmede de rentebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Ten aanzien van alle naheffingsaanslagen geldt dat het geschil zich toespitst op de vraag of de correcties in verband met privégebruik van de auto’s door de werknemers terecht zijn aangebracht. Ten aanzien van de naheffingsaanslagen loonheffingen zijn daarnaast de correcties over de niet verhaalde verkeersboetes en de netto loonbetalingen in geschil. Ten slotte is in geschil of de vergrijpboetes terecht en tot juiste bedragen zijn opgelegd.

11. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder niet alle op het geding betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Voorts stelt eiseres dat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd. Ten aanzien van de correcties inzake het privégebruik van de auto’s voert eiseres aan dat de auto’s die verweerder in de bijtelling heeft betrokken, niet door haar ter beschikking zijn gesteld aan haar werknemers. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat, zo de auto’s al ter beschikking gesteld zouden zijn, deze niet geschikt waren voor privégebruik. Voor zover dat echter al het geval zou zijn, betoogt eiseres dat uit de overgelegde rittenregistraties blijkt dat de auto’s door de werknemers niet privé zijn gebruikt. Ten aanzien van de correcties inzake de verkeersboetes stelt eiseres dat deze niet op de werknemers verhaald hoefden te worden, nu de verkeersboetes niet aan haar, maar aan [B.V. Y] zijn opgelegd. Ten aanzien van de door verweerder in aanmerking genomen netto loonbetalingen stelt eiseres dat geen sprake is van loon, maar van aan werknemers verstrekte voorschotten en leningen. Ten aanzien van de naheffingsaanslagen omzetbelasting voert eiseres voorts dat geen sprake is van een fictieve dienst als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968) omdat er bij eiseres geen recht op aftrek is ontstaan en evenmin aftrek is geclaimd. Eiseres bestrijdt eveneens de opgelegde vergrijpboetes.

12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Verweerder voert hiertoe aan dat eiseres niet heeft doen blijken dat de ter beschikking gestelde auto’s niet privé zijn gebruikt door de werknemers. Ten aanzien van de verkeersboetes voert verweerder aan dat het niet verhaalde verkeersboetes betreft die in de loonheffing dienen te worden betrokken. Ten aanzien van de netto loonbetalingen voert verweerder aan dat deze, bij gebrek aan onderbouwing in de administratie, eveneens in de loonheffing dienen te worden betrokken. Verweerder stelt voorts dat de naheffingsaanslagen omzetbelasting terecht zijn opgelegd, nu sprake is van privégebruik van de aan de werknemers ter beschikking gestelde auto’s en het forfait van 2,7% van toepassing is. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat, wanneer de rechtbank oordeelt dat de omzetbelasting bij de aanschaf niet in aftrek is gebracht, de forfaitaire bijtelling 1,5% van de catalogusprijs dient te bedragen. De vergrijpboetes zijn volgens verweerder terecht opgelegd. Verweerder stelt dat eiseres redelijkerwijs had kunnen of moeten begrijpen dat door haar gedrag te weinig loonheffingen en omzetbelasting zouden worden afgedragen dan wel voldaan.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid beroep in de zaak SGR 17/402

13. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift in zaak SGR 17/402 door de rechtbank ontvangen is op 17 januari 2017, terwijl de uitspraak op bezwaar dateert van 10 februari 2017. Artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift aanvangt met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak van verweerder, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van bekendmaking. Ingevolge artikel 6:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft ten aanzien van een prematuur ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de indiener van het beroepschrift redelijkerwijs kon menen dat de uitspraak op bezwaar reeds tot stand was gekomen.

14. Het beroep van eiseres is ingediend vóórdat verweerder op het bezwaar van eiseres had beslist. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dat in dit geval echter niet tot niet-ontvankelijkverklaring, omdat eiseres, gelet op de brief van verweerder van

5 december 2016, waarin de motivering van de uitspraken op bezwaar betreffende de tijdvakken 2011 tot en met 2014 is opgenomen, redelijkerwijs kon menen dat er al op het bezwaar was beslist toen zij haar beroep indiende. Bovendien waren de uitspraken op de bezwaren met betrekking tot de andere drie tijdvakken al gedaan op 6 januari 2017, waardoor ook op deze grond eiseres redelijkerwijs kon menen dat inzake het tijdvak 2011 ook al was beslist toen zij het beroep indiende. Het beroep betreffende de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 2011 is daarom ontvankelijk.


Op de zaak betrekking hebbende stukken

15. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de zaken tegen de naheffingsaanslagen over de tijdvakken 2011, 2012 en 2013 slechts enkele voorbeelden van de rittenregistraties waarop de naheffingsaanslagen zijn gebaseerd heeft overgelegd. Verweerder heeft in zoverre dan ook niet voldaan aan zijn uit artikel 8:42, eerste lid, van de Awb voortvloeiende verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Nu echter is gebleken dat de rittenregistraties door de administratief medewerker werden ingevuld waarna de door de chauffeurs gemaakte primaire vastleggingen zijn weggegooid, zal het alsnog inbrengen van die rittenregistraties niet leiden tot een andere beoordeling van het inhoudelijke geschilpunt. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat uit de in overweging 7 geciteerde verklaring is op te maken dat de rittenregistraties die niet door verweerder zijn overgelegd dezelfde onvolkomenheden bevatten als de rittenregistraties die wel aan de rechtbank zijn overgelegd. Zulks is door eiseres feitelijk ook niet weersproken.

De rechtbank zal verweerder dan ook niet opdragen deze stukken alsnog in te brengen.
In de zaken die zich richten tegen de naheffingsaanslagen over het tijdvak 2014 heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank wel alle op de zaak betrekking hebbende stukken ingebracht. Niet in geschil is dat eiseres met betrekking tot het tijdvak 2014 geen rittenregistraties heeft bijgehouden omdat zij in dat tijdvak de regeling van doorlopend afwisselend gebruik als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) heeft toegepast.

Naheffingsaanslagen loonheffingen

16. Op grond van artikel 10, eerste lid van de Wet LB 1964 is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.

17. Ten aanzien van het privégebruik auto is in artikel 13bis, eerste lid, van de Wet Wet LB 1964 bepaald dat indien ook voor privédoeleinden een auto ter beschikking is gesteld, het voordeel op jaarbasis wordt gesteld op ten minste (een voor het betreffende jaar geldend) percentage van de waarde van de auto. De auto wordt geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld, tenzij blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt.

18. Bij de beoordeling of artikel 13bis, eerste lid, van de Wet LB 1964 van toepassing is, dient eerst de vraag beantwoord te worden of eiseres de desbetreffende auto’s aan haar werknemers ter beschikking heeft gesteld, hetgeen eiseres betwist. In dat kader rust de bewijslast op verweerder. Pas bij een bevestigende beantwoording van die vraag komt aan de orde of de terbeschikkingstelling ook betrekking heeft op gebruik voor privédoeleinden. In dat kader rust op grond van de slotzin van artikel 13bis, eerste lid, van de Wet LB 1964 de bewijslast op de eiseres (vgl. Hoge Raad 13 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN3831).

19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met hetgeen hij heeft gesteld aannemelijk gemaakt dat eiseres de auto’s aan haar werknemers ter beschikking heeft gesteld. Onder terbeschikkingstelling van een auto wordt verstaan dat een werknemer voor kortere of langere tijd de feitelijke macht over een auto uitoefent. In het onderhavige geval werden de auto’s ter uitvoering van bepaalde opdrachten van de werkgever gebruikt, maar werden na elke werkdag de auto’s door de werknemers mee naar huis genomen. De desbetreffende werknemers hadden dan ook de mogelijkheid om de auto’s vóór dan wel na de werkdag te gebruiken. De feitelijke beschikkingsmacht over de auto’s berust dan ook niet bij eiseres, maar bij de werknemers. Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat, zo al sprake is van terbeschikkingstelling, deze terbeschikkingstelling niet mede voor privédoeleinden heeft plaatsgevonden, omdat zij de werknemers een verbod heeft opgelegd de auto’s te gebruiken voor privédoeleinden. Eiseres heeft echter slechts vastgelegd dat de werknemer bij privégebruik het risico loopt dat er wordt bijgeteld en dat bekeuringen en schades voor de rekening van werknemer zijn. Er is geen passende sanctie afgesproken bij overtreding van dat verbod. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij controle dan wel toezicht heeft gehouden op het gebruik van de auto’s teneinde te kunnen vaststellen of de auto’s ook daadwerkelijk niet voor privédoeleinden werden gebruikt. Voor zover eiseres stelt dat een zestal auto’s niet ter beschikking is gesteld aan haar werknemers omdat zij die auto’s ter beschikking heeft gesteld aan een onderaannemer, heeft te gelden dat zij, tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder, die stelling niet heeft onderbouwd met feitelijke gegevens, zoals bijvoorbeeld overeenkomsten waaruit die terbeschikkingstelling blijkt. Dat de auto’s niet bij eiseres, maar bij [B.V. Y] op de balans staan, leidt evenmin tot een ander oordeel. Slechts relevant is immers dat eiseres de auto’s aan de werknemers ter beschikking heeft gesteld. Niet van belang is op grond van welke juridische titel eiseres over de auto’s kan beschikken.

20. Voor de toepassing van artikel 13bis van de Wet LB 1964 en de daarop berustende bepalingen wordt ingevolge het vijfde lid van dat artikel onder auto verstaan een personenauto of bestelauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, met uitzondering van de bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat sprake is van auto’s die niet geschikt zijn voor privégebruik, heeft te gelden dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto’s naar hun aard (nagenoeg) uitsluitend geschikt zijn voor goederenvervoer. Dat de laadruimte van de auto’s door zijn inrichting geschikt is gemaakt voor vervoer van gereedschappen en andere goederen is daarvoor onvoldoende. Op de door eiseres ingebrachte en tot de gedingstukken behorende foto van een van de auto’s is voorts te zien dat de auto over meerdere zitplaatsen direct naast de bestuurderszitplaats beschikt en tevens beschikt over een achterbank. Gezien deze inrichting van de auto’s is niet (nagenoeg) uitgesloten dat de auto’s (ook) voor vervoer van personen worden gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres aldus niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 13bis, vijfde lid, van de Wet LB 1964.

21. Nu naar het oordeel van de rechtbank sprake is van terbeschikkingstelling van auto’s aan de werknemers en de uitzonderingssituatie genoemd in artikel 13bis, vijfde lid, van de Wet LB 1964 niet aan de orde is, rust op eiseres de last overtuigend aan te tonen dat de auto’s in de onderhavige kalenderjaren elk voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden zijn gebruikt. Artikel 13bis, vierde lid, van de Wet LB 1964 bepaalt immers dat het voordeel op nihil wordt gesteld, indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto’s op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden worden gebruikt.

22. Artikel 13bis, zevende lid, van de Wet LB 1964 bepaalt dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet voldoen. Tevens kunnen regels worden gesteld over het anderszins laten blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt.

23. Artikel 3.13, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (tekst 2011 tot en met 2014) luidt:

“1. De rittenregistratie, bedoeld in artikel 13bis, vierde lid, van de wet bevat ten minste de volgende gegevens:
a. merk, type en kenteken van de auto;

b. periode van terbeschikkingstelling van de auto;

c. per rit:

1°. datum;

2°. beginstand en eindstand van de kilometerteller;

3°. beginadres en eindadres;

4°. de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke;

5°. het karakter van de rit.”

24. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling dat met de auto’s geen privékilometers zijn gereden verwezen naar de door haar gevoerde rittenregistraties van de auto’s. Volgens eiseres blijkt uit deze registraties, die de kalenderjaren 2011, 2012 en 2013 betreffen, dat de auto’s louter voor zakelijke doeleinden zijn gebruikt.

25. De rechtbank stelt vast dat de overgelegde rittenregistraties niet zijn opgemaakt op de in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 voorgeschreven wijze. Daarbij neemt de rechtbank als meest in het oog springende omstandigheden in aanmerking dat de rittenregistraties geen merk en type van de auto en geen vermelding van de begin- en eindadressen bevatten, en dat er geen omrijroutes zijn vermeld. Voorts is gebleken dat de rittenregistraties niet volledig zijn. Uit de gedingstukken volgt immers dat de auto’s, in sommige gevallen ook in het weekend, zijn gesignaleerd op plaatsen en tijdstippen die niet in de rittenregistraties voorkomen. Ten aanzien van deze signaleringen heeft eiseres gesteld dat voor zover de signalering is gebaseerd op Automatic Numberplate Recognition (ANPR), verweerder deze informatie niet mag gebruiken wegens gebrek aan de daarvoor vereiste wettelijke grondslag (Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:286). Ter zitting heeft verweerder echter onweersproken verklaard dat de signalering niet gebaseerd is op ANPR. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de overgelegde rittenregistraties zodanige onvolkomenheden bevatten dat daaruit niet eenduidig kan worden afgeleid dat met de auto’s op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé is gereden.

26. Eiseres heeft ook niet anderszins aangetoond dat de auto’s op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden zijn gebruikt. Het in de uitzendovereenkomst opgenomen verbod op privégebruik is daartoe onvoldoende. Er is geen passende sanctie afgesproken bij overtreding van dat verbod en eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij toezicht heeft gehouden op het gebruik van de auto’s.

Gelet hierop hebben de bijtellingen voor het privégebruik van de auto’s door verweerder over de tijdvakken 2011, 2012 en 2013 naar het oordeel van de rechtbank terecht plaatsgevonden en zijn de naheffingsaanslagen loonheffingen over die tijdvakken in zoverre terecht opgelegd.

27. In het tijdvak 2014 heeft eiseres de regeling van doorlopend afwisselend gebruik als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel d, van de Wet LB 1964 toegepast. Gelet op de verklaring van eiseres dat de chauffeurs in een vaste auto rijden en gelet op de aard van de onderneming acht de rechtbank niet aannemelijk dat sprake is van doorlopend afwisselend gebruik van de auto’s. De chauffeurs nemen, nadat alle collega’s thuis zijn afgezet, de auto mee naar huis. Niet gesteld dan wel gebleken is dat de chauffeurs steeds een andere auto gebruiken. Eiseres heeft de regeling dan ook ten onrechte toegepast en heeft voor het tijdvak 2014 voorts geen rittenregistraties bijgehouden. Wel heeft zij in de bezwaarfase van één auto een uitdraai uit het zogenoemde GPS-volgsysteem over de periode 2 januari 2014 tot en met 12 december 2014 overgelegd. Ter zitting heeft eiseres echter toegelicht dat de GPS-volgsystemen zijn aangeschaft ten behoeve van de traceerbaarheid van de auto’s bij diefstal en niet specifiek met het doel een kilometerregistratie bij te houden. De uitdraai laat voorts zien dat de registratie ook niet voldoet aan artikel 3.13, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres ook voor het kalenderjaar 2014 niet anderszins heeft aangetoond dat de auto’s niet voor meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden zijn gebruikt zodat in zoverre de naheffingsaanslag loonheffingen over het tijdvak 2014 terecht is opgelegd.

28. Ten aanzien van de niet verhaalde verkeersboetes oordeelt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft aangevoerd dat zij de verkeersboetes niet hoefde te verhalen op haar werknemers nu deze niet aan haar zijn opgelegd. In het onderhavige geval betreft het verkeersovertredingen begaan met door eiseres als werkgever ter beschikking gestelde auto’s. In zijn arrest van 13 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC8791) heeft de Hoge Raad bepaald dat zij die verkeersovertredingen begaan met een door de werkgever ter beschikking gestelde auto, aansprakelijk kunnen zijn voor de daaruit voortvloeiende verkeersboete. De Hoge Raad heeft daarbij de kanttekening geplaatst dat niet valt uit te sluiten dat de werkgever onder bijzondere omstandigheden op grond van artikel 7:611 BW, ofwel goed werkgeverschap, gehouden is een boete voor zijn rekening te nemen. Daarbij noemt de Hoge Raad als voorbeeld de situatie waarin het begaan van een overtreding door de werkgever is bevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er met hetgeen zij heeft aangevoerd niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die haar ertoe nopen de verkeersboetes voor haar rekening te nemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de loonheffingen over de in de onderhavige tijdvakken niet verhaalde verkeersboetes terecht zijn nageheven door verweerder, ook al zijn de verkeersboetes niet aan haar maar aan [B.V. Y] opgelegd.

29. Ten aanzien van de netto loonbetalingen overweegt de rechtbank dat uit de bevindingen van het boekenonderzoek onder meer naar voren is gekomen dat een aansluiting tussen de uitbetaalde nettolonen volgens de loonadministratie met de volgens de grootboekadministratie uitbetaalde lonen ontbreekt. Eiseres voert aan dat de verschillen kunnen worden verklaard door aan de werknemers verstrekte leningen en voorschotten. Nu eiseres haar stellingen op dit punt niet nader heeft onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het inderdaad gaat om leningen en voorschotten zodat over deze verschillen terecht is nageheven door verweerder.

Naheffingsaanslagen omzetbelasting

30. Onder 19 van deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat eiseres de auto’s aan haar werknemers ter beschikking heeft gesteld. In dat oordeel ligt besloten dat eiseres de beschikkingsmacht had over die auto’s. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat eiseres niet heeft doen blijken dat de door eiseres aan haar werknemers ter beschikking gestelde auto’s niet voor privédoeleinden zijn gebruikt.

31. Ingevolge artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de Wet OB 1968, met welke bepaling uitvoering is gegeven aan artikel 26, eerste lid, onderdeel a, van BTW-richtlijn 2006, wordt het gebruiken van een tot het bedrijf behorende auto voor privédoeleinden van de ondernemer of van zijn personeel, of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden, gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel, wanneer voor die auto recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan. De maatstaf van heffing voor deze belaste handeling wordt ingevolge artikel 8, zevende lid, van de Wet OB 1968 - conform het bepaalde in artikel 75 van BTW-richtlijn 2006 - gesteld op de door de ondernemer met het oog op dat gebruik voor de auto gedane uitgaven.

32. Met ingang van 1 juli 2011 geschiedt de heffing van omzetbelasting ter zake van het privégebruik van een auto die door de ondernemer of zijn personeel zowel voor zakelijke doeleinden als voor privédoeleinden wordt gebezigd, op basis van de hiervoor onder 31 weergegeven regels. Bij het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van
20 december 2011, nr. BLBK2011/2560M (Besluit) is - met ingang van 1 juli 2011 - evenwel goedgekeurd dat de wegens privégebruik verschuldigde omzetbelasting wordt vastgesteld op 2,7% van de catalogusprijs van de desbetreffende auto. Die goedkeuring geldt voor de situatie dat uit de administratie van de ondernemer niet blijkt in hoeverre de auto voor privédoeleinden is gebruikt en/of welke kosten hieraan zijn toe te rekenen. Het besluit van 20 december 2011 is - met voor zover van belang dezelfde inhoud - met ingang van 1 juli 2011 vervangen door het Besluit van 11 juli 2012, nr. BLKB 2012/639M, Stcrt. 2012, 14822.

33. Verweerder heeft de door eiseres verschuldigde omzetbelasting wegens privégebruik van de auto’s door haar werknemers vastgesteld aan de hand van de onder 32 vermelde forfaitaire regeling. Uit de arresten van de Hoge Raad van 21 april 2017 (waaronder het arrest met zaaknummer 15/02004, ECLI:NL:HR:2017:711) volgt dat dit is toegestaan mits het aldus berekende bedrag aan verschuldigde omzetbelasting niet hoger is dan voortvloeit uit artikel 8, zevende lid, van de Wet OB 1968. Uit die arresten volgt tevens dat de omvang van het privégebruik van een goed dat ook zakelijk wordt gebruikt, niet naar willekeur mag worden vastgesteld doch in beginsel moet berusten op de werkelijke verhouding tussen beide categorieën van gebruik, en dat bij gebreke van concrete gegevens omtrent de werkelijke verhouding tussen beide categorieën, de vaststelling van de omvang van het privégebruik dient plaats te vinden op basis van een redelijke schatting met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Uit die arresten volgt ten slotte dat het aan eiseres is om gegevens te verstrekken voor de vaststelling van de voor het privégebruik van de auto gedane uitgaven. De rechtbank acht aannemelijk dat eiseres de omzetbelasting wegens het gebruik van de auto’s (anders dan de omzetbelasting op de aanschaf van de auto’s) in aftrek heeft gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres echter onvoldoende gegevens verstrekt waarmee verweerder de voor het privégebruik van de auto’s gedane uitgaven kan vaststellen. Eiseres heeft verwezen naar de rittenregistraties en voorts aangevoerd dat er, anders dan woon-werkverkeer, geen privéritten zijn geweest. Uit de rittenregistraties kan echter niet worden afgeleid in hoeverre de auto’s zakelijk respectievelijk privé zijn gebruikt, alleen al doordat in de rittenregistraties louter adressen zijn opgenomen, zodat de woon-werk kilometers hier niet uit af te leiden zijn. Eiseres heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het door verweerder middels de forfaitaire regeling berekende bedrag aan omzetbelasting hoger is dan het bedrag dat op grond van artikel 4, tweede lid, onderdeel a, in samenhang gelezen met artikel 8, zevende lid, van de Wet OB 1968 verschuldigd is. Verweerder heeft dan ook terecht toepassing gegeven aan de forfaitaire regeling en de wegens privégebruik van de auto’s verschuldigde omzetbelasting terecht vastgesteld op 2,7% van de catalogusprijs van de desbetreffende auto’s. Dat eiseres niet degene is die de bij de aanschaf van de auto’s in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek heeft gebracht, doet aan het vorenstaande niet af.

34. Verweerder heeft na de bestreden uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 2011 het standpunt ingenomen dat, gelet op wets- en beleidswijzigingen, de correctie van het privégebruik van de auto’s betreffende 2011 dient te worden beperkt tot de periode van 1 juli 2011 tot en met 31 december 2011, hetgeen resulteert in een naheffingsaanslag van € 5.487. De rechtbank volgt verweerder hierin, zal het beroep met zaaknummer SGR 17/402 gegrond verklaren en de naheffingsaanslag verminderen tot voornoemd bedrag.

De opgelegde vergrijpboetes
35. Ingevolge artikel 67f, eerste lid, van de Awr, gelezen in samenhang met paragraaf 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, kan verweerder een boete opleggen van 25% van de nageheven belasting indien het aan grove schuld van eiseres te wijten is dat belasting niet of gedeeltelijk niet is betaald.

36. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan haar opgelegde vergrijpboetes dienen te vervallen nu zij op 18 april 2017 is ontbonden en opgehouden te bestaan. Eiseres verwijst in dit verband naar het bepaalde in artikel 5:42, tweede lid, van de Awb. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt. Uit artikel 5:1, derde lid, van de Awb volgt dat op overtredingen begaan door rechtspersonen, artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van overeenkomstige toepassing is. De overeenkomstige toepassing van artikel 51, leden 2 en 3, Sr brengt mee dat ook bij de regeling uit het strafrecht wordt aangeknoopt voor zover het gaat om de vraag of bestuurlijke beboeting nog mogelijk is nadat een rechtspersoon is opgehouden te bestaan. Voor het strafrecht geldt dat de vervolging van een rechtspersoon niet meer kan aanvangen indien voor derden kenbaar is (bijvoorbeeld door publicatie in het Handelsregister) dat die rechtspersoon is ontbonden. Het opleggen van een bestuurlijke boete aan een rechtspersoon die is ontbonden, is slechts mogelijk in gevallen waarin de kennisgeving van het voornemen tot boeteoplegging - of bij het ontbreken van een voorafgaande kennisgeving: het opleggen van de boete zelf - heeft plaatsgevonden vóórdat de ontbinding van die rechtspersoon voor derden kenbaar was (bijvoorbeeld door publicatie in het Handelsregister). In het onderhavige geval heeft de kennisgeving tot het opleggen van de boete plaatsgevonden met het toezenden van het conceptrapport van het boekenonderzoek op 18 november 2015. De boetes zijn vervolgens opgelegd bij beschikkingen van 25 januari 2016 en 12 februari 2016. Zowel de kennisgeving van het voornemen tot boeteoplegging als de boeteoplegging zelf hebben plaatsgevonden vóór de ontbinding van de rechtspersoon. De beroepsgrond faalt dan ook.

37. Verweerder heeft zich bij het opleggen van de boetes op het standpunt gesteld dat sprake is van grove schuld. De bewijslast dat sprake is van grove schuld rust op verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, behoudens waar het gaat om de vergrijpboete die bij de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 2014 is opgelegd, in die bewijslast geslaagd. Eiseres had zich moeten realiseren dat sprake was van terbeschikkingstelling van de auto’s aan werknemers van eiseres en dat een bijtelling alleen achterwege kon blijven indien uit sluitende rittenregistraties dan wel anderszins blijkt dat met de auto’s minder dan 500 kilometer per jaar voor privédoeleinden is gereden. Voorts had eiseres zich ervan bewust moeten zijn dat in verband met de terbeschikkingstelling van de auto’s omzetbelasting was verschuldigd. Daar komt bij dat verweerder eiseres in het rapport naar aanleiding van het boekenonderzoek dat in 2010 bij eiseres heeft plaatsgevonden, reeds heeft gewezen op het feit dat het gebruik van de auto’s door het personeel goed moet worden geadministreerd, en dat als niet blijkt dat er minder dan 500 kilometer privé wordt gereden, een bijtelling dient plaats te vinden. Tevens is ten tijde van dat onderzoek aan de orde gekomen dat niet op de werknemer verhaalde verkeersboetes tot het loon gerekend moeten worden. Desondanks heeft eiseres geen maatregelen genomen om hierin verbetering aan te brengen. De boetes van 25% acht de rechtbank dan ook passend en geboden.

38. Ten aanzien van de vergrijpboete die is opgelegd bij de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 2014 overweegt de rechtbank als volgt. In de uitspraak op bezwaar van 11 oktober 2016 heeft verweerder de bij de naheffingsaanslag loonheffingen over 2014 opgelegde vergrijpboete over de correctie ter zake van het privégebruik van de auto’s verminderd tot nihil omdat eiseres geen grove schuld verweten kan worden. De rechtbank zal verweerder hierin volgen. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank tot gevolg dat ter zake van de omzetbelastingcorrectie over het tijdvak 2014 wegens het privégebruik van de auto’s evenmin sprake is van grove schuld. De rechtbank zal de boetebeschikking die bij de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 2014 is opgelegd, dan ook vernietigen. Het beroep met zaaknummer SGR 17/405 zal gegrond worden verklaard voor zover dit betrekking heeft op de boetebeschikking.

39. Ten slotte ziet de rechtbank aanleiding de boetes te matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De boetes zijn aangekondigd op 18 november 2015. Nu de rechtbank op 26 april 2018 uitspraak doet, is de termijn van twee jaar waarbinnen de zaken gewoonlijk moeten worden afgedaan, met ongeveer vijf maanden overschreden (vgl. Hof Amsterdam 2 juli 2009, 04/03329, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298). De rechtbank zal de vergrijpboetes daarom matigen met 5%.

Rentebeschikkingen

40. Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden aangedragen tegen de rentebeschikkingen. Ook overigens is niet gebleken dat de rente in strijd met het bepaalde in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in rekening is gebracht. De renteberekening tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 2011 zal gelet op overweging 35 worden verminderd overeenkomstig de verlaging van die naheffingsaanslag.

Slotsom

41. Gelet op wat hiervoor onder 34 en 38 is overwogen, dienen de beroepen tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 2011 (SGR 17/402) en tegen de boetebeschikking omzetbelasting over het tijdvak 2014 (SGR 17/405), gegrond te worden verklaard. Voor het overige dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de matiging van de boetes, zoals onder 39 is overwogen, ambtshalve heeft plaatsgevonden hetgeen gelet op het arrest van de Hoge Raad van 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053 op zich niet leidt tot een gegrond beroep.

Proceskosten

42. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht ten aanzien van de twee gegrond verklaarde beroepen (SGR 17/402 en SGR 17/405), die de rechtbank als samenhangende zaken beschouwt, voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 een wegingsfactor 1). Voor de bezwaarfase is geen vergoeding toegekend nu daarom in de bezwaarfase niet is verzocht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak
1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 gegrond;

- verklaart het beroep tegen de boetebeschikking bij de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 gegrond;

- - verklaart de overige beroepen ongegrond;

- vermindert de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 naar een bedrag aan belasting van € 5.487;

- vermindert de rentebeschikking bij de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaanslag;

- vermindert de boeteschikking bij de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 tot een bedrag van € 1.303;

- vermindert de boetebeschikking bij de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 tot een bedrag van € 2.622;

- vermindert de boetebeschikking bij de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 tot een bedrag van € 2.015;

- vernietigt de boetebeschikking bij de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014;

- vermindert de boetebeschikking bij de naheffingsaanslag loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 tot een bedrag van € 24.569;

- vermindert de boetebeschikking bij de naheffingsaanslag loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 tot een bedrag van € 24.921;

- vermindert de boetebeschikking bij de naheffingsaanslag loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 tot een bedrag van € 23.868;

- vermindert de boetebeschikking bij de naheffingsaanslag loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 tot een bedrag van € 490;

- vernietigt in zoverre de uitspraken op bezwaar en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 980;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L.M. Brouwer-Harten, voorzitter, mr. T.A. de Hek en mr. E.E. Schotte, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.