Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:594

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-01-2018
Datum publicatie
01-02-2018
Zaaknummer
C/09/529857 / HA ZA 17-362
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ex-echtgenoten, WVP, buitenlands pensioen, EPO. De redelijkheid en billijkheid brengen niet mee dat de man moet meewerken aan cessie van de pensioenaanspraken van de vrouw, zodat zij een zelfstandige aanspraak op de pensioenuitvoerder krijgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2018/80 met annotatie van Redactie
PFR-Updates.nl 2018-0041
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zaaknummer / rolnummer: C/09/529857 / HA ZA 17-362

Vonnis van 17 januari 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. D.Th.J. van der Klei te Den Haag,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.H. van Haga te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de beschikking van Team Familie van deze rechtbank van 17 maart 2017, waarbij is bevolen dat de procedure voor wat betreft de gevorderde medewerking van [gedaagde] aan een akte van cessie van de pensioenaanspraken in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet bij Team Handel van de rechtbank Den Haag volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure;

  • -

    de conclusie na verwijzing, met productie, van de zijde van [eiseres] ;

  • -

    de conclusie van antwoord na verwijzing, met producties, van de zijde van [gedaagde] ;

  • -

    het tussenvonnis van 6 september 2017, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van de op 30 november 2017 gehouden comparitie van partijen.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van 30 november 2017 is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op de inhoud van het proces-verbaal te reageren. [eiseres] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Het faxbericht van 8 december 2017 van de zijde van [eiseres] is aan het proces-verbaal gehecht. Dit vonnis wordt gewezen met inachtneming van de inhoud van dat faxbericht.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn van [datum 1] 1988 tot [datum 2] 2005, in gemeenschap van goederen, met elkaar gehuwd geweest.

2.2.

Bij beschikking van deze rechtbank van 4 februari 2005 is, voor zover hier van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is een door [gedaagde] aan [eiseres] te betalen bedrag aan kinderalimentatie en partneralimentatie bepaald. Ten aanzien van de huwelijksgoederengemeenschap is in die beschikking onder meer overwogen dat het huwelijksgoederenregime van de echtgenoten wordt beheerst door Nederlands recht.

2.3.

[gedaagde] heeft tijdens het huwelijk pensioenrechten opgebouwd bij het European Patent Office (EPO) te [plaats] . [eiseres] heeft tijdens het huwelijk pensioenrechten opgebouwd bij PGGM.

2.4

Op de pensioenaanspraken van [gedaagde] zijn van toepassing de “Pension scheme regulations’ en de ‘Implementing rules of the pension scheme regulations’ van het EPO.

2.5

Voor zover voor deze procedure relevant bevatten de Pension scheme regulations de volgende bepalingen (versie november 2016):

Article 1 Scope

The pension scheme established by these Regulations shall apply to the permanent employees of the European Patent Office, hereinafter referred to as "the Office”, within the meaning of Article 1 of the Service Regulations for permanent employees of the Office.

CHAPTER II RETIREMENT PENSION AND SEVERANCE GRANT

Article 7 Conditions of entitlement

An employee who has completed ten or more years actual service, within the meaning of Article 4, in one or more of the Organisations listed in Article 1 shall be entitled to a retirement pension.

Article 8 Age of entitlement – Deferred pension and early pension

(1) Employees shall become eligible for a retirement pension at the age of sixty.

(2) Pension rights shall continue to accrue to an employee remaining in the service after pensionable age, but his pension shall not exceed the maximum amount laid down in Article 10, paragraph 2.

(3) If an employee retires before pensionable age, payment of his retirement pension shall be deferred until he reaches that age.

(…)

Article 12 Inward and outward transfer of pension rights

(1) An employee who enters the service of the Office after leaving the service of a government department, a national organisation, an international organisation or a firm, may arrange for payment to the Organisation in accordance with the Implementing Rules hereto, of any amounts corresponding to the retirement pension rights accrued under his previous pension schemes, provided that those schemes allow such transfers to be made. In such cases the Office shall determine, by reference to the Implementing Rules hereto, the number of years of reckonable service with which he shall be credited under its own pension scheme.

(2) An employee who leaves the service of the Office to enter the service of a government department, a national organisation, an international organisation, or a firm, shall be entitled to transfer to his new pension scheme: - the actuarial equivalent of his retirement pension rights accrued under these Regulations, such equivalent being calculated in accordance with the Implementing Rules hereto; - or, in the absence of such rights, the amounts stipulated in Article 11.

CHAPTER IV SURVIVOR'S PENSION

Article 18 Conditions of entitlement

(1) A survivor's pension shall be payable to the surviving spouse

(i) of an employee who died in service, provided they had been married to each other for at least one year at the time of the employee's death;

(ii) of a former employee entitled to a deferred pension, if they had been married to each other for at least one year at the time when the employee left the service or for at least ten years at the time of his death;

(iii) of an employee drawing a retirement pension for health reasons, if they were married to each other at the time of his retirement, or had been married to each other for at least five years at the time of his death;

(iv) of a former employee drawing a retirement pension, if they had been married to each other for at least one year at the time of his retirement or for at least five years at the time of his death. The last-mentioned period shall be extended to ten years if the employee had retired before reaching the age of sixty years.

(2) The conditions laid down above with regard to minimum duration of the marriage shall be waived where there are one or more children of the marriage or of a marriage of the employee contracted prior to his leaving the service inasmuch as the surviving spouse is providing for their needs; in such case the survivor's pension shall be payable under the derogation provided for in the present paragraph, for so long as the children are actually being so provided for. When they are no longer being so provided for, the survivor's pension shall nonetheless continue to be payable for so long as the surviving spouse does not have an income of his own from the exercise of any occupation, or from any retirement pension or other survivor's pension, equal to at least the amount of the above-mentioned survivor’s pension

Article 22 Rights of a former spouse (divorced spouse)

(1) The former spouse of a non-remarried employee shall, on his death, be entitled to a survivor's pension, provided the employee was, by virtue of a court decision which has become final and binding, under an obligation to pay maintenance to the former spouse; but the survivor's pension shall not exceed the amount of such maintenance. This entitlement shall not arise if the former spouse remarried before the employee died. If remarriage takes place after the employee's death, Article 21 shall apply.

(2) Where an employee dies leaving a spouse entitled to a survivor's pension and a non-remarried former spouse fulfilling the conditions laid down in paragraph 1 above, the whole of the survivor's pension shall be divided between the aforementioned persons in proportion to the duration of their marriages. The amount to which a non-remarried former spouse is entitled shall not, however, be more than the amount of the maintenance payable at the time of the death of the employee

(3) Where one of the persons entitled to a survivor's pension dies, renounces his share or forfeits his rights under Article 35, or where the amount of his pension has been restricted under the terms of the second sub-paragraph of paragraph 2 above, his share shall accrue to the share of the other person, except where pension rights revert to orphans, as provided for under Article 25, paragraph 2, second sub-paragraph. In such case the restriction laid down in the second sub-paragraph of paragraph 2 above shall apply

(4) Reductions in respect of difference in age as provided for in Article 20 shall be applied separately to pensions calculated in accordance with the present Article.”

2.6

Voor zover relevant bevatten de Implementing rules of the pension scheme regulations de volgende bepalingen:

“Rule 22/1

Rights of a former spouse (divorced spouse) The ceiling of the survivor's pension, as provided for in Article 22 (1) of the Regulations, shall be subject to the same adjustments as those provided for in Article 36 of the said Regulations.”

2.7

Bij brief van 13 februari 2017 heeft het EPO [gedaagde] als volgt bericht:

“ In reply to your request dated 10 February 2017, I would like to confirm that the European Patent Organisation EPO is an intergovernmental organsation, having financial and administrative autonomy pursuant to its constituent treaty ( the European Patent Convention). The EPO has the autonomy to establish its own social security scheme including a pension scheme, and it used that autonomy bij establishing such a scheme. This scheme is exclusively governed bij the EPO’s Pension Regulations.

Furthermore, I hereby certify that the pensions of the European Patent Office can only be paid to the employees entitled to a pension according to the Pension Scheme Regulations of the EPO. A division of pension rights is not foreseen. An eventual entitlement from third party can only be claimed from the staff members directly.

Therefore, the European Patent Office is not in the position to provide a calculation of the equalisation of pension rights in the event of a divorce as known under Dutch law.

2.8

In een door het EPO aan [gedaagde] verstrekt ‘Certificate’ van 24 mei 2017, waarin wordt bevestigd dat [gedaagde] sinds [datum 3] 1988 werknemer van het EPO is, is voorts, voor zover relevant, het volgende vermeld:


To whom it may concern:

  • -

    Subrogation of pension entitlements occurs only in the event of death of the EPO pensioner or staff member according to Art. 18 en 22 PensRegs.

  • -

    EPO pension entitlements can only be trasferred in full to a new pension scheme of the former emplyee in case he terminates his service to the Office prior to retirement (Art.12 PensRegs and ImplRule 12.2/1)

  • -

    Reference is made to the EPO’s autonomy to create and amend its Pension Scheme Regulations (Article 4, 5 and 33(2) (European Patent Convention) as well as to the law of the international civil service, including the jurisprudence of the Administrative Tribunal of the International Labour Organisation, as the relevant Legal frame work.

This certificate has been produced upon request of the staff member.”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert veroordeling van [gedaagde] om binnen één week na de uitspraak mee te werken aan het opmaken van een akte van cessie tot cessie aan [eiseres] van het evenredig deel van de aanspraak van [eiseres] op het ouderdomspensioen van [gedaagde] , zodat [eiseres] een rechtstreeks afdwingbare aanspraak verkrijgt op ouderdomspensioen op de pensioenuitkeerder respectievelijk de pensioenverschuldigde, indien mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen ex-echtgenoten beheersen, meebrengen dat [gedaagde] eraan mee moet werken dat [eiseres] een rechtstreekse aanspraak krijgt op de pensioenuitvoerder. Dit is noodzakelijk om te voorkomen dat [eiseres] in de situatie komt dat zij levenslang afhankelijk is van [gedaagde] . Uit de jurisprudentie blijkt dat een pensioenaanspraak overdraagbaar is. In de ‘pensionrules’ van het EPO is volgens [eiseres] geen verbod tot overdraagbaarheid opgenomen, zodat de pensioenaanspraak overdraagbaar is.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank is op grond van artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen.

4.2.

De vraag of een echtgenoot bij echtscheiding recht heeft op een gedeelte van de door de andere echtgenoot opgebouwde pensioenrechten, moet ingevolge artikel 10:51 van het Burgerlijk Wetboek worden beantwoord aan de hand van het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten. Dat is in dit geval het Nederlandse recht.

4.3.

Gelet op de datum van ontbinding van het huwelijk van partijen, te weten [datum 2] 2005, is de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (hierna: WVP) van toepassing.

4.4.

Ten aanzien van het EPO-pensioen overweegt de rechtbank allereerst dat dit pensioen dient te worden aangemerkt als een buitenlandse pensioenvoorziening in de zin van artikel 1 lid 8 WVP, nu het een pensioen betreft op basis van een buitenlandse pensioenregeling die wordt uitgevoerd door een buitenlands uitvoeringsorgaan. Krachtens artikel 1 lid 8 WVP is, indien op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten Nederlands recht van toepassing is, de WVP van toepassing op pensioenen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling die niet is een pensioenregeling als bedoeld in het vierde, vijfde of zesde lid met dien verstande dat een recht op uitbetaling als bedoeld in artikel 2 slechts bestaat jegens de andere echtgenoot.

4.5.

Partijen twisten over de vraag of het pensioen van [gedaagde] al is ingegaan. Voor de beoordeling van de vordering is dit niet van belang, zodat de rechtbank dit in het midden laat.

4.6.

Tussen partijen staat vast dat [eiseres] op grond van artikel 2 lid 1 WVP recht heeft op pensioenverevening. Aangezien het gaat om een buitenlands pensioen, heeft [eiseres] geen zelfstandig recht jegens het uitvoeringsorgaan, zoals bedoeld in artikel 2 lid 2 WVP, op dit haar toekomende deel van het ouderdomspensioen, maar slechts een jegens [gedaagde] uit te oefenen recht op betaling van het haar toekomende bedrag. Dit betekent dat het pensioen, inclusief het deel waarop [eiseres] aanspraak heeft, door het uitvoeringsorgaan aan [gedaagde] wordt voldaan. [eiseres] heeft slechts recht jegens [gedaagde] op uitbetaling van haar deel.

4.7.

[eiseres] betoogt dat de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen de ex-echtgenoten beheersen, meebrengen dat [gedaagde] moet meewerken aan het bewerkstelligen van een akte van cessie, zodat [eiseres] een rechtstreekse aanspraak krijgt op de pensioenuitvoerder. Zij voert daartoe het volgende aan. [eiseres] verwacht dat [gedaagde] naar Suriname zal vertrekken zodra hij met pensioen gaat, omdat de belastingdruk daar lager is dan in Nederland. [gedaagde] heeft een woning in Suriname en hij heeft een kind uit zijn nieuwe huwelijk dat in Suriname naar school gaat. Wanneer er vervolgens problemen ontstaan met de betaling van haar deel van het pensioen, is het voor [eiseres] lastig om [gedaagde] te kunnen bereiken als hij in Suriname woont. Ook kan de situatie complexer worden wanneer de gezondheid van [gedaagde] terug zal lopen en er een zaakwaarnemer of bewindvoerder wordt aangesteld. Wanneer er beslag wordt gelegd op het pensioen van [gedaagde] , zou na cessie tweemaal de beslagvrije voet worden toegepast en zou het deel van [eiseres] niet onder het beslag vallen. Dit zijn redenen waarom [eiseres] er niet van afhankelijk wil zijn of [gedaagde] het haar toekomende pensioen daadwerkelijk aan haar overmaakt. [eiseres] betoogt voorts dat [gedaagde] zijn alimentatieverplichting met regelmaat niet nakwam, zodat te verwachten is dat hij ook nalatig zal zijn met het uitbetalen van het haar toekomende deel van het pensioen. Ook wil [eiseres] rechtstreeks bij de pensioenuitvoerder informatie kunnen opvragen, bijvoorbeeld over de hoogte van de pensioenaanspraak. [eiseres] betoogt dat uit de jurisprudentie volgt dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen de ex-echtgenoten beheersen, de verplichting kan voortvloeien tot afstorting van de aanspraak van de vereveningsgerechtigde. Zij heeft in dat verband met name gewezen op de arresten van de Hoge Raad van 12 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004: AO1289, NJ 2004, 636, en HR 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2658. Diezelfde redelijkheid en billijkheid brengen volgens [eiseres] mee dat de zekerheid die [gedaagde] heeft ten aanzien van zijn pensioen, meebrengt dat hij eraan mee moet werken dat [eiseres] een rechtstreekse aanspraak krijgt op de pensioenuitvoerder.

4.8.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de Pension scheme regulations van het EPO niet voorzien in de mogelijkheid dat het EPO het aan [eiseres] toekomende deel van het ouderdomspensioen van [gedaagde] rechtsreeks aan haar uitbetaalt en dat deze Regulations derhalve in de weg staan aan toewijzing van de vordering van [eiseres] . Voorts stelt [gedaagde] dat op hem geen verplichting rust om mee te werken aan de door [eiseres] verlangde cessie en dat ook de redelijkheid en billijkheid dit niet van hem vergen.

4.9

De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat de Pension scheme regulations niet voorzien in de mogelijkheid dat het aan [eiseres] toekomende deel van het ouderdomspensioen van [gedaagde] rechtsreeks aan [eiseres] wordt uitbetaald. [eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat de Pension scheme regulations dit weliswaar niet expliciet mogelijk maken, maar ook niet verbieden. Zij heeft in dit verband gewezen op de artikelen 12, 18 en 22 van de Pension scheme regulations. De rechtbank overweegt dat deze artikelen zien op wezenlijk andere situaties. Artikel 12 ziet, kort gezegd, op de situatie van pensioenoverdracht indien de werknemer een andere baan krijgt. De artikelen 18 en 22 zien uitsluitend op het nabestaandenpensioen. Uit het feit dat in die twee specifieke situaties de pensioenoverdracht en gesplitste uitbetaling expliciet zijn geregeld in de Pension scheme regulations, kan worden afgeleid dat zulks in de overige gevallen niet is beoogd. Dat blijkt ook uit de onder 2.7 geciteerde brief van het EPO, waarin expliciet is verwoord “that the pensions of the European Patent Office can only be paid to the employees entitled to a pension according to the Pension Scheme Regulations of the EPO. A division of pension rights is not foreseen. An eventual entitlement from third party can only be claimed from the staff members directly” en het onder 2.8 weergegeven Certificate.

4.10

Nu de Pension scheme regulations niet voorzien in overdracht of gesplitste uitbetaling van het ouderdomspensioen aan de ex-echtgeno(o)t(e), en het EPO zich op het standpunt stelt daartoe niet gehouden te zijn en daaraan niet te willen meewerken, kan van [gedaagde] niet worden gevergd dat hij desalniettemin meewerkt aan de door [eiseres] verlangde cessie. De door [eiseres] naar voren gebrachte omstandigheden en argumenten maken dit niet anders. De rechtbank overweegt terzake daarvan als volgt.

4.11

De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat de jurisprudentie waar [eiseres] zich op beroept ziet op een andere situatie dan die van partijen. Die uitspraken hebben betrekking op de situatie dat er pensioen in eigen beheer is opgebouwd en de tot verevening verplichte echtgenoot als directeur en enig aandeelhouder de rechtspersoon beheerst waarin de te verevenen pensioenaanspraak is ondergebracht. Van de vereveningsgerechtigde echtgenoot kon onder die omstandigheden niet gevergd worden dat deze bij voortduring afhankelijk zou blijven van het door de andere echtgenoot te voeren beleid ten aanzien van de betrokken rechtspersoon. Die situatie doet zich hier niet voor, omdat de pensioenaanspraken worden beheerd en uitgekeerd door een pensioenuitvoerder. [gedaagde] heeft geen invloed op het beleid van deze pensioenuitvoerder ten aanzien van het uit te keren ouderdomspensioen.

4.12

Hoewel het begrijpelijk is dat [eiseres] de situatie waarin zij zich bevindt niet plezierig vindt, acht de rechtbank die situatie niet dermate bijzonder dat [gedaagde] op basis daarvan tot cessie van de pensioenaanspraken kan worden verplicht. De situatie waarin [eiseres] zich bevindt ten aanzien van de pensioenaanspraken geldt immers voor iedereen die recht heeft op verevening van een pensioen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling. Ook geldt dit voor iedereen die niet binnen twee jaar na de echtscheiding melding heeft gedaan bij de pensioenuitvoerder en voor ex-echtgenoten die recht hebben op verrekening van pensioenaanspraken krachtens het Boon/Van Loon-arrest, of andere situaties waarop de WVP niet van toepassing is.

4.13

Ten aanzien van het door [eiseres] gestelde – en door [gedaagde] betwiste – betaalgedrag van [gedaagde] , blijkt niet uit de stukken van structurele wanbetaling van alimentatie. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat het betaalgedrag van [gedaagde] bij de uitbetaling van het pensioen aan [eiseres] anders zou zijn. De omstandigheid dat [gedaagde] ouder en brozer wordt, geldt eveneens voor [eiseres] en ook voor andere pensioengerechtigden. Het risico dat de huidige echtgenote van [gedaagde] en zijn kind het pensioen niet meer zullen betalen vormt ook niet een dermate bijzondere omstandigheid dat op basis van dat risico [gedaagde] moet meewerken aan cessie.

4.14

Uit het voorgaande volgt dat de door [eiseres] gestelde omstandigheden niet nopen tot de conclusie dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [gedaagde] mee moet werken aan cessie van de [eiseres] toekomende pensioenaanspraken.

4.15

Ter zitting heeft [eiseres] subsidiair het mindere van cessie gevorderd, te weten veroordeling van [gedaagde] aan medewerking tot lastgeving of volmacht met betrekking tot het [eiseres] toekomende pensioen. [gedaagde] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van cessie van de pensioenaanspraken, kan [gedaagde] evenmin worden verplicht tot lastgeving of volmacht. De subsidiaire vordering zal daarom eveneens worden afgewezen.

4.16

[eiseres] heeft onvoldoende concrete te bewijzen feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden. Aan een bewijsopdracht komt de rechtbank daarom niet toe.

4.17

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van hetgeen partijen hebben gesteld over de zorgpremie. Dit geldt ook voor hetgeen partijen hebben gesteld over verrekening van de pensioenaanspraken, nu dit door [gedaagde] als verweer is aangevoerd en dienaangaande geen eis in reconventie is ingesteld.

4.18

Ter zitting is nog gesproken over het doen van afstand door [gedaagde] van zijn aanspraak op de door [eiseres] opgebouwde pensioenrechten bij PGGM. De rechtbank gaat daaraan voorbij omdat door [eiseres] geen vordering terzake die – door [eiseres] gestelde en door [gedaagde] betwiste – afstand is ingesteld.

4.19

Niet kan worden geconcludeerd dat [eiseres] de procedure nodeloos aanhangig heeft gemaakt, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet voor de door [gedaagde] bepleite veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2018.