Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5935

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
14-06-2018
Zaaknummer
C/09/551788 / FA RK 18-2865
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke machtiging in kader BOPZ

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 18-2865

Zaaknummer: C/09/551788

Datum beschikking: 8 mei 2018
P- nummer: 1098058

Voorlopige machtiging

Beschikking op het op 18 april 2018 ingekomen verzoek van:

de officier van justitie in het arrondissement Den Haag, met betrekking tot:

[betrokkene] ,

de betrokkene,

geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] [woonplaats] ,

verblijvende te ’ [verblijfplaats] ,

advocaat: mr. I. Aardoom-Fuchs te Gouda.

Procedure

Bij het verzoekschrift zijn de volgende stukken – voor zover van belang – overgelegd:

- de op 17 april 2018 ondertekende en met redenen omklede verklaring van

J. Steemers de geneesheer-directeur van het genoemde ziekenhuis;

  • -

    een afschrift van het behandelingsplan en een afschrift van de aantekeningen omtrent de geestelijke en lichamelijke toestand van de betrokkene en de op haar toegepaste behandeling en de effecten ervan;

  • -

    een uittreksel justitiële documentatie;

  • -

    een mutatieverslag van de politie.

De rechtbank heeft de betrokkene op 8 mei 2018 gehoord. De betrokkene werd bijgestaan

door haar advocaat.

Verder zijn ter zitting verschenen:

- de arts verstandelijk gehandicapten J. Steemers,

- de gedragswetenschapper L. van Rijn,

- de begeleidster [A]

Feiten

Betrokkene verblijft vrijwillig in de inrichting voor verstandelijk gehandicapten.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot het verlenen van een voorlopige machtiging tot het doen voortduren van het verblijf in een inrichting voor verstandelijk gehandicapten van de betrokkene.

De betrokkene voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Op het verzoek zijn van toepassing de artikelen 2, 3, 5, 6, 8 en 9 van de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz).

De rechtbank stelt voorop dat de verzochte machtiging slechts kan worden verleend indien een stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken en het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een inrichting voor verstandelijk gehandicapten, kan worden afgewend.

De betrokkene heeft verklaard dat zij op een groep woont met zeven mensen en dat zij zich soms door de drukte terugtrekt op haar kamer. De betrokkene heeft aangegeven dat zij eind maart weer is begonnen met werken. Volgens betrokkene slaat de medicatie niet aan en is de depressie er nog steeds.

De advocaat heeft aangevoerd dat de geneeskundige verklaring niet aan de wettelijke vereisten voldoet. Onduidelijk is door wie die is opgesteld en door wie de verklaring is ondertekend. Daarnaast vraagt de advocaat zich af of [adres 2] , waar betrokkene verblijft, een BOPZ-instelling is.

Voorts heeft de advocaat aangevoerd dat er geen sprake is van onvrijwillig verblijf. Betrokkene verblijft hier al een jaar en gaat niet weg. De machtiging is niet passend. Daarnaast is een BOPZ-machtiging een opnamemachtiging en geen behandelmachtiging. Ook is er volgens de advocaat geen sprake van een dusdanige depressie die gevaar veroorzaakt. De advocaat pleit voor afwijzing van het verzoek nu de verzochte machtiging niet passend is en ook niet is bedoeld voor het toepassen van dwang.

De arts verstandelijk gehandicapten heeft verklaard zij de geneeskundige verklaring heeft ondertekend in hoedanigheid van geneesheer-directeur en dat [adres 2] een BOPZ-instelling is. De arts verstandelijk gehandicapten heeft voorts verklaard dat in december 2017 is gekozen om meer dwang toe te passen, omdat betrokkene zich terugtrok van de groep en minder naar haar dagbesteding ging. Met het toepassen van deze dwang ging betrokkene beter voor zichzelf zorgen en ook op de dagbesteding ging het een stuk beter. In maart 2018 is het zonder dwang geprobeerd, maar al snel trok betrokkene zich weer terug, moest zij uit bed gehaald worden en ging de zelfzorg achteruit. Voor de melding van ingezette dwang bij de Inspectie is een artikel 60 wet BOPZ of een rechterlijke machtiging nodig. Dan zijn ook de rechten van betrokkene beter gewaarborgd. De medicatie heeft weliswaar nog niet het gewenste effect, maar het hebben van een dagritme kan ook voor voortuitgang zorgen, aldus de arts verstandelijk gehandicapten.

De rechtbank is van oordeel dat de geneeskundige verklaring aan de wettelijke vereisten voldoet. Ter zitting heeft de geneesheer directeur verklaard, welke verklaring niet is bestreden, dat de geneeskundige verklaring door haar is opgesteld en is ondertekend.

De rechtbank is voorts van oordeel dat er bij de betrokkene sprake is van een stoornis van de geestesvermogens als bedoeld in de Wet Bopz. Bij betrokkene is sprake van stemmingsstoornissen, depressieve periode in engere zin en een verstandelijke handicap.

De rechtbank is ook van oordeel dat het hiervoor genoemde gevaar zich voordoet. De betrokkene levert door haar ziekte een gevaar op voor zichzelf. Bij betrokkene is door haar depressie gecombineerd met haar verstandelijke handicap sprake van initiatiefverlies waardoor er gevaar bestaat voor zelfverwaarlozing en maatschappelijk teloorgang. Betrokkene blijft de hele dag in bed liggen en verzorgt zichzelf niet. Er is zodoende sprake van gevaar voor maatschappelijke teloorgang en verwaarlozing. Andere middelen ter afwending van het gevaar zijn geprobeerd maar zijn niet toereikend gebleken. Geprobeerd is om betrokkene zonder dwang te begeleiden, maar dan valt betrokkene direct terug in haar oude patroon. Zij komt haar bed niet uit, doet geen zelfzorg en zakt weg in haar depressie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een inrichting voor verstandelijk gehandicapten kan worden afgewend.

Tot slot heeft betrokkene geen blijk gegeven van de nodige bereidheid. Gebleken is dat betrokkene niet meewerkt aan de noodzakelijk geachte behandeling. Om het gevaar af te wenden is immers noodzakelijk dat betrokkene een dagstructuur volgt en de ernst van de depressie en verstandelijke beperking maken dat betrokkene dit niet doet.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek toewijzen zoals verzocht.

Beslissing

De rechtbank:

verleent voorlopige machtiging tot het doen voortduren van het verblijf in een inrichting voor verstandelijke gehandicapten van:

[betrokkene]

geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats] ,

tot en met 8 november 2018. (voorlopige machtiging gaat in op de dag na de datum van de beschikking, voor de duur van ten hoogste zes maanden, zie Termijnennotitie)

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, bijgestaan door K.D. van den Berg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 mei 2018.