Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:593

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-01-2018
Datum publicatie
26-01-2018
Zaaknummer
C/09/527569 / HA ZA 17-226
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht: geen dekking diefstalschade onder cascoverzekering. Garagehouder heeft niet voldaan aan bijzondere voorwaarde m.b.t. alarminstallatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/501
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/527569 / HA ZA 17-226

Vonnis van 24 januari 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [plaats],

eiseres,

advocaat mr. J.P.M.M. Heijkant te Dongen,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.P. Vink te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Aegon genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 16 februari 2017 met producties 1 tot en met 6;

  • -

    de conclusie van antwoord met één productie;

  • -

    het tussenvonnis van 21 juni 2017, waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 december 2017 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

Het proces-verbaal van comparitie is, met instemming van partijen, buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken op de inhoud van het proces-verbaal. Aegon heeft bij brief van 14 december 2017 van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] houdt zich bezig met de reparatie, het onderhoud en de verkoop van auto’s. Zij is sinds 2014 gevestigd aan de [adres 1] en [adres 2] in [plaats].

2.2.

[eiseres] heeft bij Aegon een garageverzekering en een collectieve cascoverzekering afgesloten tegen (onder meer) het risico van inbraak en diefstal.

2.3.

Op de beide verzekeringen is clausule 2377 van toepassing. Deze clausule luidt als volgt:

“PREVENTIE DIEFSTAL, INBRAAK EN VANDALISME

Deze verzekering is ten aanzien van het diefstal-, inbraak- en vandalismerisico aangegaan onder de voorwaarde dat alle gebouwen van de in de polis genoemde risicoadressen zijn voorzien van een inbraakbeveiliging, die is aangelegd door een BORG beveiligingsbedrijf, een VEB aangesloten beveiligingsbedrijf of een ander door AEGON geaccepteerd beveiligingsbedrijf.

Verzekeringnemer is verplicht:

1a. Een onderhoudscontract af te sluiten met het beveiligingsbedrijf voor minimaal één controle per jaar. Het onderhoudscontract moet van kracht blijven gedurende de looptijd van de verzekering,

1b. er voor te zorgen dat indien de beveiliging is opgeleverd met een inbraakcertificaat/opleveringsbewijs dat afgegeven is door het beveiligingsbedrijf, dit certificaat/bewijs van kracht blijft en haar geldigheid behoudt gedurende de looptijd van de verzekering.

2. De beveiliging in een werkvaardige toestand te houden en te gebruiken.

3a. Indien de beveiliging zich om welke reden dan ook niet in een werkvaardige toestand bevindt dit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op de eerstvolgende werkdag mede te delen aan het beveiligingsbedrijf en,

3b. indien de beveiliging niet binnen 3 x 24 uur gerepareerd kan worden AEGON hierover zo spoedig mogelijk na het bekend worden hiervan in te lichten en de voorschriften van AEGON op te volgen.

4. Gedurende de tijd dat de beveiliging zich niet in werkvaardige toestand bevindt of gedurende de tijd dat het signaal van de elektronische beveiliging niet aan de Particuliere Alarm Centrale (PAC) wordt doorgemeld en/of niet aan de afgesproken opvolgingsdiensten en politie wordt doorgegeven, maatregelen te treffen teneinde te voorkomen dat er een geringere graad van beveiliging optreedt.

5. Vooraf overleg te plegen met het beveiligingsbedrijf en AEGON indien als gevolg van een voorgenomen verbouwing, herinrichting of anderszins al dan niet tijdelijk een geringere graad van beveiliging zal optreden.

Er is in geval van schade geen dekking, indien verzekeringnemer deze maatregelen niet heeft getroffen, tenzij hij aannemelijk maakt dat de schade niet is ontstaan en niet is verergerd door het niet voldoen aan deze voorwaarde en verplichtingen.”

2.4.

[eiseres] stalde (een groot deel van) haar auto’s aanvankelijk in een showroom op het adres [adres 1]. Vanwege werkzaamheden aan de showroom heeft [eiseres] de auto’s op 20 november 2013 verplaatst naar een loods, die ook op dat adres stond.

2.5.

De loods (een zogenaamde “Romneyloods”) bestaat uit een stalen frame met daarover een tentdoek en golfplaten. De loods is voorzien van schuifdeuren.

2.6.

In de nacht van 22 op 23 november 2015 is ingebroken op het bedrijfsterrein van [eiseres] aan de [adres 1]. Uit de loods zijn twee auto’s gestolen, waaronder een Chevrolet Corvette C1 Cabriolet met kenteken [kenteken] (hierna: de Chevrolet). De Chevrolet is niet teruggevonden.

2.7.

Op het moment van de inbraak was de loods waarin de auto’s waren gestald niet voorzien van een alarminstallatie. Wel was het buitenterrein beveiligd door middel van een uitrijsignalering, die bestond uit twee palen met sensoren. De uitrijsignalering was aangesloten op het alarmsysteem van de showroom. Voor dit alarmsysteem was geen onderhoudscontract afgesloten.

2.8.

De dieven zijn de loods binnengekomen nadat zij een kunststof raam aan de zijkant van de loods hebben opengesneden. Zij hebben het bedrijfsterrein ongemerkt kunnen verlaten, doordat zij de kabels van de uitrijbeveiliging hebben doorgesneden.

2.9.

De inbraakschade is door de assurantietussenpersoon van [eiseres] gemeld aan Aegon. Aegon heeft aan Dekra Automotive B.V. opdracht gegeven de diefstal te onderzoeken en de schade vast te stellen. Dekra heeft de schade van [eiseres] vastgesteld op € 74.199,94 inclusief BTW.

2.10.

Bij brief van 25 januari 2016 heeft Aegon aan (de tussenpersoon van) [eiseres] bericht dat de schade niet onder de dekking van de verzekeringen valt, omdat [eiseres] niet heeft voldaan aan haar verplichtingen op grond van clausule 2377.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, samengevat en na wijziging van eis:

  • -

    een verklaring voor recht dat Aegon dekking moet verlenen onder de collectieve cascoverzekering en/of de garageverzekering;

  • -

    veroordeling van Aegon tot vergoeding van de door de inbraak geleden schade, door haar begroot op (naar de rechtbank begrijpt) € 59.917,36 exclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2016;

  • -

    veroordeling van Aegon tot betaling van een bedrag van € 3.417 aan buitengerechtelijke incassokosten;

  • -

    veroordeling van Aegon in de proceskosten.

3.2.

Aegon voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat Aegon op grond van de verzekeringsovereenkomst(en) de schade moet vergoeden die zij door de diefstal van de Chevrolet heeft geleden. Voor de beoordeling van de vordering van [eiseres] is eerst van belang of [eiseres], zoals Aegon aanvoert en [eiseres] betwist, haar verplichtingen op grond van clausule 2377 heeft geschonden. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Zij overweegt het volgende.

4.2.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat de loods niet was voorzien van een inbraakbeveiliging die is aangelegd door – kort gezegd – een gecertificeerd bedrijf. Weliswaar was het buitenterrein beveiligd door middel van een uitrijbeveiliging, maar dat is iets wezenlijk anders dan de alarminstallatie die in clausule 2377 wordt voorgeschreven. De voorwaarde waaronder de verzekeringsovereenkomst is gesloten (namelijk dat [eiseres] ervoor zou zorgen dat alle gebouwen waren voorzien van een “officiële” inbraakbeveiliging), is daarom niet vervuld.

4.3.

[eiseres] heeft nog aangevoerd dat het praktisch onmogelijk is de loods van binnenuit te beveiligen, omdat het tentdoek daarvoor teveel beweegt. Ook als dat waar is (Aegon heeft gesteld dat het ook mogelijk is het alarm zó in te stellen dat het niet reageert op de bewegingen van het tentdoek), betekent dat niet dat [eiseres] een uitkering onder de verzekering kan vorderen. Het staat Aegon als verzekeraar vrij te bepalen onder welke voorwaarden zij een bepaald risico wil verzekeren, en vervolgens is het aan de verzekeringnemer om te beslissen of zij onder deze voorwaarden een verzekeringsovereenkomst wil sluiten. In dit geval zijn [eiseres] en Aegon met elkaar overeengekomen dat Aegon het diefstal-, inbraak- en vandalismerisico alleen zou verzekeren als [eiseres] haar gebouwen zou voorzien van een goed werkende alarminstallatie. Het enkele feit dat het voor [eiseres] (zoals zij stelt) praktisch onmogelijk was één van haar gebouwen van zo’n installatie te voorzien, maakt niet dat zij niet aan de gemaakte afspraken kan worden gehouden.

4.4.

Hetzelfde geldt voor de door [eiseres] aangevoerde omstandigheid dat zij de bedrijfsgebouwen en de bijbehorende alarminstallatie heeft overgenomen van een gerenommeerd autobedrijf, dat voor dezelfde locatie ook een verzekeringsovereenkomst had afgesloten. Als [eiseres] daarmee heeft bedoeld dat de aanwezige alarminstallatie kennelijk is goedgekeurd door de verzekeraar van de vorige eigenaar van de loods, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Ook als ervan moet worden uitgegaan dat een andere verzekeraar bekend was met het beveiligingsniveau van de loods en ermee akkoord is gegaan dat daar auto’s werden gestald (dat dit daadwerkelijk het geval is, is door Aegon volledigheidshalve betwist), kan dit niet aan Aegon worden tegengeworpen. Gelet op de inhoud van clausule 2377 was het immers aan [eiseres] om ervoor te zorgen dat haar bedrijfspanden waren voorzien van een beveiligingsinstallatie die voldeed aan de eisen die haar eigen verzekeraar – dus Aegon – daaraan stelde. Aan eventuele afspraken tussen andere verzekeraars en andere verzekeringnemers is Aegon niet gebonden.

4.5.

De volgende vraag die moet worden beantwoord, is of Aegon zich met succes erop kan beroepen dat [eiseres] haar verplichtingen op grond van clausule 2377 niet is nagekomen. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is, omdat Aegon heeft nagelaten haar bedrijfspanden te bezoeken om te controleren of de aanwezige beveiligingsinstallatie voldeed aan de door haar gestelde eisen. Om die reden is Aegon tekortgeschoten in de op haar als verzekeraar rustende zorgplicht, zo stelt [eiseres].

4.6.

De rechtbank gaat aan deze stelling voorbij. Aegon heeft terecht aangevoerd dat er voor haar geen contractuele of wettelijke verplichting bestaat om al haar verzekeringnemers te bezoeken en te controleren of zij hun verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomsten nakomen. Het is een zelfstandige verplichting van [eiseres] om haar deel van de gemaakte afspraken na te komen, net zoals Aegon gehouden is haar verplichtingen op grond van de verzekeringsovereenkomst na te leven. Dit betekent dat het aan [eiseres] was om te zorgen voor een goede beveiligingsinstallatie, en niet aan Aegon om te controleren of [eiseres] aan haar verplichtingen voldeed. Daarbij komt nog dat vaststaat dat de tussenpersoon van [eiseres] (die handelt op haar verzoek en onder haar verantwoordelijkheid) aan Aegon heeft gemeld dat alle auto’s in een stenen pand stonden en dat alle gebouwen bouwkundig én elektronisch waren beveiligd. Ook gelet op deze mededeling bestond er voor Aegon geen aanleiding een controle uit te voeren.

4.7.

In het licht van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat [eiseres] niet heeft voldaan aan haar verplichtingen op grond van clausule 2377. Dit betekent dat Aegon zich erop kan beroepen dat de schade die [eiseres] heeft geleden door de diefstal van de Chevrolet niet is gedekt, tenzij [eiseres] aantoont dat de schade ook zou zijn ontstaan als zij wél de voorgeschreven beveiligingsmaatregelen had getroffen.

4.8.

[eiseres] is daarin niet geslaagd. Zij heeft aangevoerd dat de dieven de uitrijbeveiliging onklaar hebben gemaakt, en dat zij dus ook een eventuele beveiliging van de loods zouden hebben uitgeschakeld. Ook dan zouden de dieven de loods ongemerkt hebben kunnen betreden en zou de Chevrolet zijn gestolen, zo begrijpt de rechtbank het standpunt van [eiseres]. De rechtbank is echter met Aegon van oordeel dat aannemelijk is dat de schade wél is veroorzaakt of vergroot door de afwezigheid van een goede beveiligingsinstallatie. Als de loods zou zijn voorzien van een inpandige beveiliging, hadden de dieven deze niet zo eenvoudig als nu het geval was, ongemerkt kunnen betreden. Ze hadden deze beveiliging – anders dan de uitrijbeveiliging – niet op hun gemak van buiten af kunnen uitschakelen. In ieder geval is de kans klein dat zij dan de loods ongemerkt binnen waren gekomen, de Chevrolet rustig rijklaar hadden kunnen maken en er vervolgens mee hadden kunnen wegrijden.

4.9.

Nu Aegon zich terecht erop beroept dat de door [eiseres] geleden schade niet is gedekt, zal de vordering van [eiseres] worden afgewezen. Bij die stand van zaken kunnen de stellingen van Aegon dat [eiseres] ook aan andere verplichtingen uit artikel 2377 niet heeft voldaan (zo was geen sprake van een onderhoudscontract voor het alarm en heeft [eiseres] niet met Aegon overlegd toen zij de auto’s vanuit de showroom naar de loods verplaatste) onbesproken blijven.

4.10.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van Aegon worden begroot op € 3.712 (€ 1.924 aan griffierecht en € 1.788 aan salaris advocaat (2 punten x tarief € 894)).

4.11.

Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, omdat de proceskostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Aegon tot op heden begroot op € 3.712,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2018.