Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5910

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
08-06-2018
Zaaknummer
NL17.1568
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel; Iran. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd eisers verklaringen ten aanzien van zijn seksuele geaardheid ongeloofwaardig heeft geacht. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.1568


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. H. Vrijhof),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S.M.G. Bouma).


Procesverloop
Bij besluit van 14 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Ostadhasanbanna. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1988. Eiser heeft aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. Vanaf ongeveer zijn veertiende/ vijftiende jaar is eiser zich bewust van zijn geaardheid. Hij heeft meerdere homoseksuele relaties gehad in Iran. Op 21 september 2015 is eiser betrapt door de moeder van [persoon A] terwijl hij met [persoon A] seksuele handelingen aan het verrichten was. Dezelfde dag heeft eiser Iran verlaten.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  • -

    Eiser is [eiser], geboren op [geboortedatum] 1988, heeft de Iraanse nationaliteit, Azeri van afkomst en niet praktiserend in zijn geloof.

  • -

    Eiser is homoseksueel.

  • -

    Eiser is op 21 september 2015 betrapt met [persoon A] door de moeder van [persoon A].

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser bij het bestreden besluit afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verweerder acht het eerste relevante element geloofwaardig. Verweerder acht de verklaringen van eiser over zijn geaardheid niet geloofwaardig. Daartoe overweegt verweerder dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over het proces van acceptatie, terwijl redelijkerwijs van hem verwacht had mogen worden dat hij hierover consistent zou verklaren. Dit geldt te meer nu eiser afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit maatschappelijk onacceptabel is. Verder meent verweerder dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn bewustwordingsproces en proces van zelfacceptatie nu eiser hierover geen concrete informatie verschaft en geen inzicht geeft in zijn gevoelens, gedachten en emoties. Verweerder overweegt vervolgens dat de verklaringen van eiser over zijn relaties in Iran weinig concreet, summier of enkel gerelateerd aan seks zijn. Daarnaast acht verweerder ongeloofwaardig dat hij contact onderhoud met zijn familie, maar dat hij met hen niet heeft gesproken over zijn seksuele geaardheid. Verder werpt verweerder eiser tegen dat hij geen weet heeft van belangenorganisaties voor homoseksuelen in Iran. Verweerder verwijst in dit kader naar het ambtsbericht waaruit onder meer volgt dat autoriteiten openbare ontmoetingen tussen homoseksuelen op specifieke locaties oogluikend toelaten. Ook wordt niet aannemelijk geacht dat eiser weinig tot niets weet te verklaren over de LHBT-gemeenschap in Nederland en dat eiser geen gebruik maakt van de mogelijkheden die hem ter beschikking staan in Nederland. Nu niet geloofwaardig wordt geacht dat eiser homoseksueel is, acht verweerder de daaruit voortvloeiende problemen ook niet geloofwaardig.

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte zijn geaardheid ongeloofwaardig acht. Daartoe voert eiser aan dat hij niet tegenstrijdig heeft verklaard over zijn proces van acceptatie aangezien zijn proces zo kort was dat het voorstelbaar is dat hij eerst heeft geantwoord dat hij vanaf het begin af aan zijn homoseksualiteit heeft geaccepteerd. Daarnaast wijst eiser er op dat verweerder niet als uitgangspunt hanteert dat er een interne worsteling dient plaats te vinden. Verder meent eiser dat verweerder ten onrechte stelt dat eiser is blijven steken in algemeenheden. Zo heeft hij verklaard dat de relaties met jongens zowel lichamelijk als geestelijk bevredigend waren. Ook werpt verweerder ten onrechte tegen dat hij onvoldoende heeft weten te vertellen over zijn relaties nu hem hierover geen specifieke details zijn gevraagd en hij duidelijk heeft verklaard waarom bij de relatie met [persoon B] meer gevoel kwam krijgen. Verweerder acht daarnaast ten onrechte ongeloofwaardig dat eiser nooit met zijn ouders over zijn geaardheid heeft gesproken nu het niet gebruikelijk is om in Iran over dit soort zaken te praten en eiser bang is dat de telefoon van zijn ouders wordt afgeluisterd. Voorts stelt eiser dat verweerder ten onrechte aanvoert dat eiser onvoldoende blijk heeft gegeven van de situatie voor homoseksuelen in Iran. Hiertoe verwijst eiser naar informatie waaruit volgt dat de activiteiten van belangenorganisaties grotendeels buiten Iran plaatsvinden en dat in het algemeen geldt dat als er sprake is van activisme er direct wordt ingegrepen. Ten aanzien van het contact met andere homoseksuelen in Nederland, merkt eiser op dat hij eerst de Nederlandse taal wil leren, hij zijn asielprocedure wil afwachten en dat hij een teruggetrokken leven leidt. In dit kader verwijst eiser naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 maart 2017.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1630) geoordeeld dat verweerder aan de hand van de onderzoeksmethode zoals weergegeven in Werkinstructie (WI) 2015/9 op een zorgvuldige manier onderzoek doet naar een gestelde seksuele geaardheid, en dat verweerder met die werkinstructie voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze de antwoorden op vragen over een seksuele gerichtheid worden beoordeeld.

5.2

In WI 2015/9 wordt aan de hand van vijf thema's (privéleven, huidige en voorgaande relaties, contact met homoseksuelen in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie, discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst en toekomst) beoordeeld of van de geloofwaardigheid van de geaardheid van de vreemdeling uit kan worden gegaan. De thema's worden in samenhang beoordeeld. Het zwaartepunt ligt op de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen (onder andere bewustwording en zelfacceptatie) van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele geaardheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die geaardheid in het land van herkomst van de vreemdeling en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit maatschappelijk onacceptabel of strafbaar is gesteld.

5.3

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat de Werkinstructie verbeterd dient te worden en dat hierover op dit moment discussie bestaat. De gemachtigde van eiser wijst er hierbij op dat het psychologisch profiel van eiser, namelijk dat hij een relatief gesloten persoon is, ook betrokken zou moeten worden. De rechtbank overweegt dat de enkele omstandigheid dat op dit moment discussie bestaat over het aanpassen van de Werkinstructie er niet toe kan leiden dat verweerder niet langer van deze Werkinstructie kan uitgaan. De rechtbank verwijst hierbij naar voornoemde uitspraak van de Afdeling waarin zij heeft geoordeeld dat de werkwijze zoals omschreven onder 5.1 en 5.2 de rechterlijke toets kan doorstaan. De rechtbank overweegt verder dat eiser zowel in het nader gehoor als in het aanvullend gehoor voldoende in de gelegenheid is gesteld om te verklaren over zijn redenen voor vertrek uit zijn land van herkomst. Dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de persoon van eiser en bijvoorbeeld onvoldoende vragen heeft gesteld, is de rechtbank niet gebleken.

5.4

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd eisers verklaringen ten aanzien van zijn seksuele geaardheid ongeloofwaardig heeft geacht. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

5.5

De rechtbank overweegt dat verweerder terecht heeft gesteld dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn proces van zelfacceptatie. Eiser heeft de vraag of hij zijn eigen geaardheid meteen heeft geaccepteerd bevestigend beantwoord. Ook heeft eiser verklaard dat hij het niet erg vond toen hij er achter kwam dat hij homoseksueel is, dat hij in alle opzichten altijd zelf deed wat hij wilde en dat hij de mening van anderen niet belangrijk vond. Eiser heeft daarna echter verklaard dat hij een periode van innerlijke strijd heeft gehad en dat hij na ongeveer 35 tot 40 dagen zijn seksuele geaardheid heeft geaccepteerd. Deze verklaringen zijn niet met elkaar te rijmen. Dat eiser betoogt dat het proces van acceptatie zo kort was dat het voorstelbaar is dat eiser aanvankelijk heeft verklaard dat hij zijn homoseksualiteit direct heeft geaccepteerd, is onvoldoende om deze tegenstrijdigheid weg te nemen.

5.6

De rechtbank overweegt voorts dat de gemachtigde van eiser er terecht op wijst dat het niet het uitgangspunt is dat er altijd een innerlijke worsteling moet hebben plaatsgevonden, maar dat dit er niet aan afdoet dat van eiser verwacht mag worden dat hij concreet en specifiek kan verklaren over zijn proces van bewustwording en zelfacceptatie. Dit geldt te meer nu eiser afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit maatschappelijk onacceptabel is en strafbaar is gesteld. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft overwogen dat eiser algemeen en onvoldoende concreet heeft verklaard over het proces van bewustwording en zelfacceptatie. Uit de verklaringen van eiser volgt dat hij op ongeveer veertien-/ vijftienjarige leeftijd zich bewust werd van zijn gevoelens en besefte dat hij homoseksueel is en dat hij seksuele relaties heeft gehad. Eiser heeft echter geen inzicht gegeven in de gevoelens, gedachten en emoties die hij had toen hij achter zijn seksuele geaardheid kwam. Verweerder heeft daarbij mogen overwegen dat eiser blijft spreken in algemeenheden. Zo heeft eiser verklaard dat God hem zo geschapen heeft, dat hij het gevoel van God heeft gekregen, dat dit aangeboren is en hij hierover geen schuldgevoel heeft. Uit deze verklaringen blijkt niet dan wel onvoldoende wat eisers persoonlijke ervaringen zijn geweest met betrekking tot zijn geaardheid, wat dit voor hem betekend heeft en welke emoties dit teweeg bracht.

5.7

Verweerder heeft voorts niet ten onrechte tegengeworpen dat eisers verklaringen over zijn relaties in Iran weinig concreet, summier of enkel gerelateerd aan seks zijn. Eiser heeft weliswaar verklaard over de personen waarmee hij seksuele relaties heeft gehad en hoe vaak hij met hen afsprak en seks met hen had, maar is verder in algemeenheden blijven steken. Eiser heeft weliswaar verklaard dat bij de relatie met [persoon B] meer gevoel kwam kijken en dat de andere relaties enkel ter bevrediging van seksuele behoeftes waren, maar eiser heeft niet duidelijk kunnen maken waarom bij de relatie met [persoon B] wel gevoel kwam kijken. Dat eiser heeft verklaard dat de relaties met jongens zowel lichamelijk als geestelijk bevredigend waren, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen nu van eiser redelijkerwijs verwacht had mogen worden dat hij hierover meer zou kunnen verklaren.

5.8

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet ten onrechte tegenwerpt dat eiser geen kennis heeft over de situatie van LHBT’s in Nederland. Nu eiser stelt naar Nederland te zijn gevlucht voor bescherming vanwege zijn homoseksuele geaardheid, heeft verweerder het bevreemdend kunnen achten dat eiser geen kennis heeft over de LHBT-gemeenschap in Nederland en over de positie van homoseksuelen in de Nederlandse maatschappij. Dat eiser stelt een teruggetrokken leven te leiden, eerst de Nederlandse taal te willen leren en zijn asielprocedure te willen afwachten, doet hier niet aan af. Ook de verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 29 maart 2017, kan niet tot een ander oordeel leiden. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting er terecht op gewezen dat de feiten in de onderhavige zaak verschillen van de feiten in de uitspraak van de rechtbank Den Haag. Nu iedere zaak op zijn eigen merites moet worden beoordeeld, kan reeds hierom het beroep op voornoemde uitspraak niet slagen.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder reeds gelet op het vorenstaande eisers verklaringen over zijn homoseksualiteit niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Hetgeen overigens door eiser is aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking. Ook heeft verweerder gelet op het voorgaande de verklaringen over de problemen die voortvloeien uit eisers seksuele geaardheid evenmin geloofwaardig mogen achten.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Binnendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.