Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5897

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
08-06-2018
Zaaknummer
NL18.5272
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de staatssecretaris met betrekking tot Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan en dat eiser bij overdracht geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verweerder de aanvraag van eiser op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.5272


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Krabbenborg).


Procesverloop
Bij besluit van 9 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Ostadhasanbanna. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1984. Eiser heeft in 2007 asiel aangevraagd in Bulgarije. In 2012 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Nederland. Verweerder heeft deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de asielaanvraag. Na verschillende procedures is dit in rechte komen vast te staan (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 november 2013, nr. 201300473/1/V4).

1.2

Op 14 februari 2017 heeft eiser opnieuw in Nederland een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft tijdens het Eerste Gehoor verklaard dat hij sinds 2012 in Nederland woont. Sinds een jaar woont eiser samen met zijn vriend.

2. Verweerder heeft eisers asielaanvraag van 14 februari 2017 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 omdat Bulgarije aan eiser internationale bescherming heeft verleend.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe – kort samengevat – het volgende aan. Eiser meent dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel omdat zijn procedure is gewijzigd in een Algemene Asielprocedure. Eiser mocht er daarom op vertrouwen dat zijn zaak inhoudelijk zou worden behandeld. Verder voert eiser aan dat hij slecht is behandeld in Bulgarije en dat gelet op de positie van statushouders uitzetting naar Bulgarije in strijd zou zijn met artikel 3 van het Verdrag betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar diverse stukken. Verder meent eiser dat verweerder zonder nadere onderbouwing stelt dat de situatie in Bulgarije aan het verbeteren is, terwijl dit niet blijkt uit de genoemde bronnen. Bovendien stelt eiser dat hij homoseksueel is en dat het voor hem gelet op de situatie voor LHBT’s in Bulgarije onmogelijk is om terug te keren naar Bulgarije.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

De rechtbank is van oordeel dat eisers beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Zowel uit het aanmeldgehoor als uit het eerste en tweede gehoor blijkt dat eisers asielaanvraag van 14 februari 2017 is behandeld in de Algemene Asielprocedure. Ten tijde van de gehoren bestond er nog geen duidelijkheid over de vraag of eiser in Bulgarije internationale bescherming geniet. Hierbij is van belang dat eiser tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard dat zijn vergunning ongeldig is verklaard omdat hij uit Bulgarije is vertrokken. Verweerder heeft bij brief van 24 april 2017 aan eiser medegedeeld dat zijn asielaanvraag verder zal worden behandeld in de Verlengde Asielprocedure omdat onderzocht zal worden of eiser internationale bescherming geniet in Bulgarije. De Bulgaarse autoriteiten hebben vervolgens op verzoek van verweerder laten weten dat zij aan eiser een verblijfsstatus hebben verleend en dat deze status nog steeds van kracht is. Gelet op deze gang van zaken heeft verweerder terecht overwogen dat het houden van een nader gehoor de staatssecretaris niet de bevoegdheid ontneemt om de asielaanvraag niet-ontvankelijk te verklaren. Het betoog dat eiser niet wist dat zijn verblijfsstatus nog geldig was, is onvoldoende om gerechtvaardigd vertrouwen hieraan te verbinden. Dat eiser in Nederland een relatie is aangegaan en inmiddels is gaan samenwonen, doet aan het voorgaande niet af. Nu eiser een relatie is aangegaan terwijl hij nooit eerder rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, dient dit namelijk voor zijn rekening en risico te komen.

4.2

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de staatssecretaris met betrekking tot Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan en dat eiser bij overdracht geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Verweerder mag op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgaan dat Bulgarije haar verdragsverplichtingen jegens eiser nakomt. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Bulgarije het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft geschonden. De rechtbank is van oordeel dat eiser hier niet in is geslaagd. Verweerder heeft terecht verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 4 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:885 en ECLI:NL:RVS:2017:891. De Afdeling heeft in deze spraken geoordeeld dat ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat de vreemdeling bij overdracht aan Bulgarije geen risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De bronnen waar eiser in de zienswijze en in beroep naar verwijst bieden onvoldoende aanknopingspunten voor een ander oordeel. Verweerder wijst er terecht op dat een groot gedeelte van de bronnen waarnaar eiser verwijst reeds zijn meegenomen in voornoemde uitspraken van de Afdeling. Voor zover eiser zich op andere bronnen beroept, overweegt de rechtbank dat hieruit geen wezenlijk ander beeld naar voren komt dan in de uitspraken van de Afdeling wordt geschetst. Verder is van belang dat een gedeelte van de stukken ziet op asielzoekers en deze stukken niet zonder meer van toepassing zijn op eiser aangezien hij reeds internationale bescherming geniet. De rechtbank overweegt voorts dat de berichten waaruit blijkt dat in Bulgarije geen programma bestaat voor de integratie van statushouders onvoldoende is om een reëel risico op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM aan te nemen. Uit de bronnen volgt dat de levensomstandigheden in Bulgarije voor statushouders niet op hetzelfde niveau zijn als in Nederland, maar niet gebleken is dat deze zodanig slechter zijn dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ook is van belang dat de Afdeling in voornoemde uitspraken heeft overwogen dat uit diverse stukken blijkt dat de situatie in Bulgarije verbetert.

4.3

De rechtbank is voorts van oordeel dat de stelling dat eiser in Bulgarije zeer slecht is behandeld geen doel treft. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Maastricht, van 9 januari 2013, ECLI:NL:RBLIM:2013:25. De rechtbank heeft in deze uitspraak bepaald dat het niet aannemelijk wordt geacht dat eiser in Bulgarije op dezelfde wijze zal worden behandeld als tijdens de behandeling van zijn asielverzoek in 2007. Deze uitspraak is bevestigd in hoger beroep (zie de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2013, 201300473/1/V4). Eiser heeft tijdens het Eerste Gehoor verklaard dat hij sinds augustus 2012 in Nederland heeft verbleven en dat hij eenmaal voor veertig dagen terug is geweest naar Bulgarije. Nu gesteld noch gebleken is dat eiser in deze periode van veertig dagen slecht is behandeld, behoeft de stelling dat eiser in Bulgarije zeer slecht is behandeld geen verdere bespreking.

4.4

Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verweerder de aanvraag van eiser op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag van eiser inhoudelijk te behandelen. Dat eiser in Bulgarije gevaar loopt vanwege zijn seksuele geaardheid, heeft verweerder dan ook buiten behandeling mogen laten. Daarbij is van belang dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij reeds vanwege zijn seksuele geaardheid als kwetsbaar persoon is aan te merken. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij eventuele toekomstige problemen niet de bescherming kan inroepen van de autoriteiten van Bulgarije, dan wel de geëigende instanties.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Binnendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.