Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5861

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
18-05-2018
Zaaknummer
18/1201
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het betreft een beschikking op een bezwaarschrift ex art. 30 lid 4 Sv. De raadsman heeft de officier van justitie verzocht om een afschrift van de processtukken. De officier van justitie heeft aangegeven hiertoe pas over te gaan na het eerste verhoor van de verdachte. Naar aanleiding hiervan heeft de raadsman een bezwaarschrift ingediend bij de rechter-commissaris.

De rechter-commissaris heeft overwogen dat het geschil ziet op de vraag of het belang van het onderzoek vordert dat de verdachte kennisneming van de processtukken tijdelijk — tot na zijn eerste verhoor, als de kennisneming in elk geval wordt toegestaan — wordt onthouden. Voorop staat dat in het kader van de waarheidsvinding het verhoor van de verdachte een evident onderzoeksbelang vormt. Het onderzoek kan worden verstoord als de verdachte vóór zijn eerste verhoor kennisneemt van de processtukken. De kans is in dat geval reëel dat de verdachte, bewust of onbewust, zijn verklaring afstemt op de inhoud van de processtukken, waardoor de waarheidsvinding kan worden belemmerd. De beslissing van de officier van justitie om de verdachte de kennisneming van de processtukken tijdelijk te onthouden is dan ook op goede gronden genomen.

Daarnaast heeft de rechter-commissaris overwogen dat wat onder 28 in de preambule van de Richtlijn, hetgeen (gedeeltelijk) is aangehaald door de raadsman, niet tot een ander oordeel leidt. Uit deze overweging volgt dat de verdachte vóór het eerste verhoor moet worden geïnformeerd over de kerngegevens van het strafbare feit waarvan hij wordt verdacht. Uit de stukken volgt dat de verdachte hiervan in kennis is gesteld. Er kan gevoeglijk van worden uitgegaan dat de verdachte heeft begrepen om welk incident het gaat, temeer nu hij klaarblijkelijk als politieambtenaar daaromtrent een proces-verbaal heeft opgemaakt. De raadsman heeft nog naar voren gebracht dat het de verdachte niet bekend is waarom het betreffende proces-verbaal onjuist zou zijn en dat de verdachte dus ook niet weet waartegen hij zich in concreto moet verdedigen. Er is echter niet voorgeschreven dat informatie over het strafbare feit in detail moet worden verstrekt, maar in voldoende detail, rekening houdend met de fase waarin de strafprocedure zich bevindt. De rechter-commissaris is van oordeel dat de informatieverstrekking aan de verdachte in deze fase, twee maanden na het incident en nog vóór het verhoor van de verdachte(n), voldoende gedetailleerd is geweest en dat geenszins in strijd met de Richtlijn is gehandeld, ook niet met artikel 6 en 7 van de Richtlijn, nu hierin geen concrete voorschriften worden gegeven over de kennisneming van de processtukken voorafgaande aan het eerste verhoor.

Gelet op het voorgaande heeft de rechter-commissaris het bezwaar ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RG21

Beschikking

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht, rechter-commissaris

Parketnummer : /-

RC-nummer : 18/1201

Beschikking op een bezwaarschrift ex artikel 30 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] , [geboortedatum]

domicilie kiezende te [adres] .

PROCESGANG

Op 21 maart 2018 heeft de raadsman van de verdachte, mr. A. de Swart, aan de officier van justitie verzocht om een afschrift van de processtukken. De officier van justitie heeft de raadsman op 21 maart 2018 per e-mail laten weten dat zij hiertoe, gelet op artikel 30 lid 1 Sv, pas zal overgaan na het eerste verhoor van de verdachte.

De raadsman heeft op 22 maart 2018 een bezwaarschrift bij de rechter-commissaris ingediend. De raadsman heeft aangevoerd dat het gegeven dat zijn cliënt nog als verdachte moet worden gehoord geen legitieme reden is om hem processtukken te onthouden. Naar zijn mening is de beslissing van de officier van justitie in strijd met artikel 30 Sv – ook gelet op de wetsgeschiedenis van dit artikel en de rechtspraak op basis hiervan – en de Richtlijn 2012/13/EU (hierna: de Richtlijn), die mede richting geeft aan de uitleg van dit artikel.

De officier van justitie heeft op 3 april 2018 per e-mail op het bezwaarschrift gereageerd. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift dient te worden afgewezen, omdat het belang van het onderzoek zich verzet tegen het verstrekken van de stukken voorafgaand aan het verhoor van de verdachte. Daarbij heeft de officier van justitie erop gewezen dat de verdachte op de hoogte is van de verdenking en van de concrete feiten die tot de verdenking hebben geleid. Voor de waarheidsvinding is het van belang dat de verdachte een verklaring kan afleggen die zoveel mogelijk is gebaseerd op eigen waarnemingen en herinneringen en dat bij het verhoor het verhoorplan kan worden gevolgd, aldus de officier van justitie.

BEOORDELING VAN HET BEZWAARSCHRIFT

Ontvankelijkheid

De rechter-commissaris stelt vast dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 30 lid 1 Sv wordt de kennismening van de processtukken de verdachte in elk geval toegestaan vanaf het eerste verhoor na zijn aanhouding.

Ingevolge artikel 30 lid 3 Sv kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit vordert, de verdachte de kennisneming van bepaalde stukken onthouden.

In overweging 28 van de preambule van de Richtlijn is het volgende opgenomen:

De informatie aan verdachten of beklaagden over het strafbare feit waarvan ze worden verdacht of beschuldigd, dient onverwijld, doch zonder lopende onderzoeken te schaden, te worden verstrekt, en uiterlijk vóór hun eerste officiële verhoor door de politie of een andere bevoegde autoriteit. Met het oog op een eerlijk verloop van de procedure en op de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging dient de omschrijving van het strafbare feit waarvan de persoon wordt verdacht of beschuldigd, met inbegrip van, indien bekend, tijd en plaats en de mogelijke wettelijke kwalificatie van het vermeende strafbare feit, te worden verstrekt in voldoende detail, rekening houdend met de fase waarin de strafprocedure zich bevindt.

In artikel 6 en 7 van de Richtlijn zijn voorschriften opgenomen over respectievelijk het recht op informatie over de beschuldiging en het recht op toegang tot stukken van het dossier.

Overwegingen

De rechter-commissaris overweegt als volgt.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het belang van het onderzoek vordert dat de verdachte kennisneming van de processtukken tijdelijk – tot na zijn eerste verhoor, als de kennisneming in elk geval wordt toegestaan – wordt onthouden. Voorop staat dat in het kader van de waarheidsvinding het verhoor van de verdachte een evident onderzoeksbelang vormt. Het onderzoek kan worden verstoord als de verdachte vóór zijn eerste verhoor kennisneemt van de processtukken. De kans is in dat geval reëel dat de verdachte, bewust of onbewust, zijn verklaring afstemt op de inhoud van de processtukken, waardoor de waarheidsvinding kan worden belemmerd. De beslissing van de officier van justitie om de verdachte de kennisneming van de processtukken tijdelijk te onthouden is dan ook op goede gronden genomen. Overigens laat dit de mogelijkheid voor de verdachte om in overleg met zijn raadsman zijn procespositie te bepalen onverlet, mede gelet op het bepaalde in artikel 29 lid 2 Sv.

Wat onder 28 in de preambule van de Richtlijn wordt overwogen en (gedeeltelijk) is aangehaald door de raadsman, leidt niet tot een ander oordeel. Uit deze overweging volgt dat de verdachte vóór het eerste verhoor moet worden geïnformeerd over de kerngegevens van het strafbare feit waarvan hij wordt verdacht. Uit de stukken volgt dat de verdachte hiervan in kennis is gesteld. Zo heeft de raadsman beschreven dat het gaat om ‘het vermoedelijk valselijk opmaken van een proces-verbaal naar aanleiding van een incident op 21 januari 2018 aan de Neherkade te Den Haag’. Er kan gevoeglijk van worden uitgegaan dat de verdachte heeft begrepen om welk incident het gaat, temeer nu hij klaarblijkelijk als politieambtenaar daaromtrent een proces-verbaal heeft opgemaakt.

De raadsman heeft nog naar voren gebracht dat het de verdachte niet bekend is waarom het betreffende proces-verbaal onjuist zou zijn en dat de verdachte dus ook niet weet waartegen hij zich in concreto moet verdedigen. Er is echter niet voorgeschreven dat informatie over het strafbare feit in detail moet worden verstrekt, maar in voldoende detail, rekening houdend met de fase waarin de strafprocedure zich bevindt. De rechter-commissaris is van oordeel dat de informatieverstrekking aan de verdachte in deze fase, twee maanden na het incident en nog vóór het verhoor van de verdachte(n), voldoende gedetailleerd is geweest en dat geenszins in strijd met de Richtlijn is gehandeld, ook niet met artikel 6 en 7 van de Richtlijn, nu hierin geen concrete voorschriften worden gegeven over de kennisneming van de processtukken voorafgaande aan het eerste verhoor.

Gelet op het voorgaande zal het bezwaar ongegrond worden verklaard.

BESLISSING

De rechter-commissaris verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze beschikking is gegeven te Den Haag op 10 april 2018 door

mr. M.L. Ruiter, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken.

Strafrecht

Postadres: Postbus 20302

2500 EH Den Haag

Bezoekadres

Paleis van Justitie

Prins Clauslaan 60

2595 AJ Den Haag

Tel 088-3622020/021

Fax 088-3610683