Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5858

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
28-05-2018
Zaaknummer
C/09/533159 / HA ZA 17-571
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:1030, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Slachtoffer creditcardfraude verwijt de Staat onrechtmatig handelen. Cessie en verjaringsverweer van de Staat verworpen. Vorderingen van eiser in conventie afgewezen. Dat de Staat heeft verzuimd ter beschikking gestelde volledige administratie en webwinkelapparatuur terug te geven is onvoldoende geconcretiseerd. Ook voor de andere gestelde verwijten van de eiser bestaat geen grond. Vordering van de Staat in reconventie tot terugbetaling van een betaald voorschot is toegewezen. Op de Staat rust geen verplichting tot betaling van een schadevergoeding; betaling van het voorschot is zonder rechtsgrond geschied.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/533159 / HA ZA 17-571

Vonnis van de meervoudige kamer van 2 mei 2018

in de zaak van

[eiser in conventie] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. R. Zwiers te Schiedam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te Den Haag,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. G.C. Nieuwland te Den Haag.

Partijen zullen hierna ‘ [eiser in conventie] ’ en ‘de Staat’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 mei 2017, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens inhoudende eis in reconventie, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 13 september 2017, waarin een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 20 februari 2018, met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om desgewenst te reageren op eventuele feitelijke onjuistheden in het proces-verbaal. De Staat heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 12 maart 2018. De rechtbank leest het proces-verbaal met inachtneming van deze brief.

1.3.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser in conventie] was bestuurder en aandeelhouder van de besloten vennootschap [BV I] (hierna: [BV I] ). In november 2003 is [eiser in conventie] met [BV I] een webwinkel in communicatiegoederen gestart.

2.2.

Na een aangifte door betalingsverwerker Interpay Nederland B.V. (hierna: Interpay) is op 29 juli 2004, onder leiding van de officier van justitie te Den Haag, een strafrechtelijk onderzoek gestart naar grootschalige creditcardfraude onder de werknaam Mivot (hierna: het Mivot-onderzoek). Deze fraude hield, kort gezegd, in dat met andermans creditcardnummers bij webwinkels goederen werden besteld. In het kader van het Mivot-onderzoek werden tweeëntwintig webwinkels, die vermoedelijk gevolgen van de fraude hadden ondervonden, uitgenodigd om aangifte te doen, waaronder [BV I] .

2.3.

Op 20 augustus 2004 heeft [eiser in conventie] namens [BV I] en zichzelf aangifte van fraude door oplichting gedaan. In het proces-verbaal van aangifte is onder meer het volgende opgenomen:

“Mijn zaak is zo goed als failliet. Er kan niets meer worden besteld omdat Interpay alles heeft geblokkeerd. Mijn naam is te grabbel gegooid en mijn inkomsten zijn nul. Ik heb inmiddels personeel moeten ontslaan omdat ik hen niet meer kan betalen. […]

Ik stel u de correspondetie en dergelijke ter beschikking. Tevens stel ik u een lijst ter beschikking met daarop namen, adressen en E-mailadressen van personen die van onze website bestellingen hebben geplaats. Ik heb van Interpay niet te horen gekregen welke betalingen en leveringen niet in orde waren. Ik weet dus ook niet zeker of alle op deze bijlage genoemde personen gebruik hebben gemaakt van een valse c.q. vervalste creditcard.”

2.4.

Eind november 2004 heeft in het kader van het Mivot-onderzoek de aanhouding plaatsgevonden van de heren [A] , [B] en [C] (hierna respectievelijk: [A] , [B] , [C] dan wel gezamenlijk als [A c.s.] ). Onder [A c.s.] zijn tevens eind 2004 diverse goederen strafvorderlijk (conservatoir) in beslag genomen, waaronder geldbedragen en bij webwinkels – waaronder ook bij [BV I] – bestelde goederen.

2.5.

Bij faxbericht verzonden op 25 januari 2005, heeft de politie [BV I] verzocht om orders/bestelformulieren aan te leveren behorend bij specifieke ordernummers.

2.6.

[eiser in conventie] heeft daarop de aangifte van 20 augustus 2004 aangevuld. Het proces-verbaal van aangifte van 25 januari 2015 vermeldt onder meer het volgende:

“Ik heb op dit moment geen inkomsten. Dit is zo vanaf juni 2004.

Vanaf volgende week probeer ik weer te gaan starten.

Ik weet niet of dat gaat slagen. Gat dit niet dan moet ik mijn faillissement aanvragen.

Bij mijn bedrijf zijn er dus geen bestellingen meer gedaan vanaf de bekende adressen in ’s-Gravenhage. […]

U vraagt mij of ik u een overzicht kan aanleveren van bestelformulieren van frauduleuze aankopen. Die kan ik u niet leveren. Hiervoor moet u bij het bedrijf [… 1] zijn. [… 1] is de ontvanger van de opdrachten die dat vervolgens doosluizen naar Interpay

Ik lever bij deze ook de door u gevraagde orders aan.”

2.7.

Een proces-verbaal van bevindingen van 25 januari 2015 bevat onder meer de volgende verklaring:

“Nadat wij op dag en datum voornoemd te 14.00 uur van aangever [eiser in conventie] de lijst met bestelformulieren overhandigd kregen, verklaarde hij ons dat hij niet alle bestelformulieren van de op de lijst voorkomende ordernummers kon leveren vanwege een crash van de harde schijf waarop deze informatie vermeld stond. […]

Verder verklaard [eiser in conventie] ons, na hem daartoe gevraagd te hebben, dat op zijn website pas recent vermeld werd dat bij betaling per creditcard een kopie van een geldig legitimatiebewijs bijgevoegd diende te worden en dat deze verplichting was in het verleden nog niet van kracht was”

2.8.

In het kader van het Mivot-onderzoek zijn per webwinkel, waaronder die van [BV I] , zaakdossiers aangemaakt, die een verslag en samenvatting van het onderzoek bevatten. Het zaakdossier met betrekking tot [BV I] is vastgelegd in een proces-verbaal van 21 februari 2005.

2.9.

Bij vonnissen van 27 oktober 2005 heeft deze rechtbank [A c.s.] veroordeeld voor onder meer oplichting en deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank heeft onder meer de door [BV I] ingediende vorderingen als benadeelde partij toegewezen voor een bedrag van € 22.836,30 hoofdelijk jegens [A] en [B] en voor een bedrag van

€ 815,93 jegens [C] . Tevens heeft de rechtbank daaraan gekoppelde schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

2.10.

Bij brief van 20 december 2005 heeft de minister van Financiën in reactie op een e-mail van [eiser in conventie] hem onder meer het volgende geschreven:

“Hierbij stuur ik u een reactie op uw e-mail van 12 december j.l., waarin u aangeeft slachtoffer te zijn van creditcardfraude. Het spijt mij zeer van u te moeten vernemen dat u als gevolg van dergelijke fraude in financiële problemen bent geraakt en ik begrijp dat u en uw gezin zwaar onder deze situatie gebukt gaan.

Gezien uw aangrijpende persoonlijke situatie heeft het Ministerie van Financiën de afgelopen maanden gepoogd behulpzaam te zijn bij het vinden van een mogelijke oplossing voor uw problemen. Er blijken echter geen aanknopingspunten te zijn voor het Ministerie van Financiën om daadwerkelijk iets voor u te kunnen betekenen.”

2.11.

Op 31 januari 2006 heeft [BV I] civiel conservatoir derdenbeslag gelegd onder de Staat tot verhaal van haar geldvorderingen ten laste van [A c.s.]

2.12.

[A c.s.] hebben hoger beroep ingesteld tegen de in 2.9. vermelde vonnissen. [B] heeft zijn hoger beroep ingetrokken op 4 oktober 2006. [A] heeft zijn hoger beroep ingetrokken op 16 oktober 2006. Het gerechtshof Den Haag heeft [B] en [A] bij arrest van 20 oktober 2006 niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep. Bij arrest van datzelfde hof van 3 november 2006 is de veroordeling van [C] bekrachtigd. Het openbaar ministerie heeft [BV I] bij kennisgevingen van 6 november 2006 respectievelijk 19 januari 2007 geïnformeerd over de afloop van de strafzaken. In de tegen [A] en [B] gewezen strafrechtelijke uitspraken is beslist dat een deel van de bij hen inbeslaggenomen goederen die bij webwinkels waren besteld ten behoeve van de rechthebbende diende te worden bewaard. In de strafzaak tegen [B] heeft [BV I] niet verzocht om teruggave van inbeslaggenomen goederen.

2.13.

Nadat de strafrechtelijke veroordelingen onherroepelijk geworden waren, zijn de beslagen uitgewonnen. Het inbeslaggenomen geld is verdeeld tussen het openbaar ministerie en onder meer [BV I] naar rato van respectievelijk de ontnemings- en schadevergoedingsvorderingen. Bij brief van 10 januari 2007 heeft het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB) aan de advocaat van [BV I] meegedeeld dat € 2.195,60 voor de vordering op [A] en € 3.332,18 voor de vordering op [B] worden uitgekeerd. Daarnaast is een bedrag van € 318,15 voor de vordering op [C] aan [BV I] uitgekeerd. De uitgekeerde bedragen zijn in mindering gebracht op de schadevergoedingsmaatregelen.

2.14.

Op 3 januari 2007 heeft [BV I] bij deze rechtbank een klaagschrift ingediend en verzocht om teruggave van ten minste twaalf inbeslaggenomen goederen. Bij beschikking van 26 juni 2007 heeft de rechtbank het klaagschrift van [BV I] ongegrond verklaard. De rechtbank overweegt daartoe onder meer het volgende:

“Klaagster heeft ter zitting aangevoerd geen bewijs te kunnen overleggen voor haar stelling waaruit blijkt dat zij rechthebbende is van de goederen omdat haar administratie in beslag is genomen door het NIVOD en zij deze niet heeft teruggekregen nadat het NIVOD is opgeheven. Haar administratie was hierna niet meer te traceren waardoor teruggave niet meer mogelijk was.

De rechtbank oordeelt op grond van het bovenstaande als volgt.

Klaagster heeft in zijn klaagschrift en ter zitting niet middels stukken of anderszins aannemelijk gemaakt rechthebbende van de goederen te zijn. Voorts is gebleken dat de andere benadeelde partijen in de strafzaak tegen [ [A] ] soortgelijke goederen verkochten waardoor niet uitgesloten is dat een ander dan klaagster rechthebbende van de goederen is. Op basis van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard. Dat de administratie van klaagster – en daarmee een potentiële bron van bewijs – buiten de schuld van klaagster verloren is gegaan, is betreurenswaardig, maar kan niet tot een andere slotsom leiden.”

2.15.

Bij brief van 6 december 2008 heeft het openbaar ministerie [BV I] geïnformeerd over zijn besluit dat naar aanleiding van het arrest in de strafzaak tegen [C] vijftien inbeslaggenomen goederen kunnen worden teruggegeven aan [BV I] . Op 16 april 2009 heeft het openbaar ministerie aan Domeinen Roerende Zaken (hierna: Domeinen) opgedragen tot teruggave over te gaan. Bij brief 2 september 2009 heeft Domeinen [BV I] een afhaalbericht gestuurd.

2.16.

Bij brief, ontvangen op 7 juni 2010 door het openbaar ministerie, heeft [eiser in conventie] onder meer het volgende aan het College van procureurs-generaal van het openbaar ministerie (hierna: het College) meegedeeld:

“In 2004 zijn wij betrokken geraakt bij een grootschalige creditcardfaude waardoor wij zakelijke alsmede privé meer dan €986.000,- zijn kwijtgeraakt.
Het destijds onderzoekende team “MIVOT” heeft destijds onze volledige administratie voor onderzoek meegenomen en is nooit meer terug gekomen. Het MIVOT is opgeheven en is er niemand meer die ons kan helpen.

De fraudeurs (Nigerianen) zijn destijds veroordeeld tot 2 1/2 en 3 jaar gevangenisstraf, er is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en heeft het Arrondissementsparket den Haag conservatoir beslag gelegd met een maximum van € 634.150,-;


Destijds zijn er goederen, contanten in beslag genomen en heeft men ook beslag gelegd op diverse bank en giro rekeningen. Het enige wat wij terug hebben ontvangen is een bericht van de Domeinen dat wij een fototoestel kunnen ophalen en een zeer klein bedrag.

Wij zijn alles kwijt, hebben enorme schulden aan familie, deurwaarders, advocaat en accountants en zien geen oplossing meer en dreigen nu zelfs failliet te gaan. Wij hebben zelfs de hulp ingeroepen van een aantal kamerleden waaronder minister de Jager van Ministerie van Financiën.

Het is gewoon teveel om alles in een brief samen te vatten en zouden het op prijs stellen om op zeer korte termijn een persoonlijk gesprek met u aan te kunnen gaan om te kijken wat het OM, college van procureurs-generaal voor ons betekenen om dit op te lossen.”

2.17.

In een ambtsbericht inzake [eiser in conventie] van het arrondissementsparket Den Haag aan het College van 22 september 2010 is onder meer het volgende opgenomen:

“Naar aanleiding van uw verzoek om inlichtingen en advies inzake het schadevergoedingsverzoek met bovenvermeld kenmerk bericht ik u als volgt. […]

Voor wat betreft de klacht dat dhr. [eiser in conventie] door de grootschalige internetfraude 986.000 euro is kwijtgeraakt, kan het volgende worden opgemerkt. [BV I] is als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en bij uitspraak van de rechtbank Den Haag op 27 oktober 2005 is de vordering van 22.836,30 euro toegewezen. Op 16 januari 2007 is dhr. [eiser in conventie] hier per brief over geïnformeerd door parket Den Haag Uit een vervolgbrief van 30 mei 2008 van parket Den Haag blijkt dat dhr [eiser in conventie] zijn giro- of bankrekeningnummer niet heeft doorgegeven en dat telefonische pogingen om dit te achterhalen zijn mislukt […] Uit informatie die ik heb opgevraagd bij het CJIB blijkt overigens dat verdachten niet voldaan hebben aan de schadevergoedingsmaatregelen en dat zij derhalve in het opsporingsregister vermeld staan. […] Over hetgeen dhr. [eiser in conventie] voorts aandraagt namelijk dat door het onderzoeksteam MIVOT zijn volledige administratie in beslag is genomen en dat hij deze niet meer terug kan krijgen nu MIVOT is opgeheven, bericht ik u als volgt. Uit het proces-verbaal van 25 januari 2005 blijkt dat dhr [eiser in conventie] de door de politie gevraagde ordners inderdaad heeft aangeleverd voor onderzoek. In het proces tegen verdachten heeft dhr. [eiser in conventie] al vaker om teruggave van zijn administratie verzocht, zo blijkt uit de beschikking van de rechtbank d.d. 28 juni 2007 met betrekking tot het klaagschrift van dhr [eiser in conventie] dat hij heeft ingediend naar aanleiding van de lijst van de onder […] inbeslaggenomen goederen (dit is dus een andere lijst dan de onder […] in beslag genomen goederen, waarvan het hof op 3 november 2006 met betrekking tot vijftien goederen teruggave aan [BV I] heeft gelast). Bij vonnis van de rechtbank van 27 oktober 2005 heeft de rechtbank van tweeëntwintig onder […] in beslag genomen goederen in bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast. Met betrekking tot twaalf goederen van deze lijst heeft dhr [eiser in conventie] aangegeven dat hij de rechthebbende is. Ter zitting van 12 juni 2007 heeft de raadsman van [BV I] aangevoerd geen bewijs te kunnen overleggen voor de stelling dat hij rechthebbende is van de goederen omdat zijn administratie in beslag is genomen door MIVOT en hij deze niet heeft teruggekregen omdat MIVOT is opgeheven. Volgens de beschikking van de rechtbank van 26 juni 2007 was de administratie niet meer te traceren waardoor teruggave niet meer mogelijk was”

2.18.

Bij brief van 25 mei 2011 heeft het College op voormelde brief van [eiser in conventie] gereageerd. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

“Allereerst biedt het College zijn verontschuldigingen aan voor de aanzienlijke vertraging die is opgetreden bij de behandeling van uw brief. […]

Naar aanleiding van uw brief heeft het College het arrondissementsparket te Den Haag verzocht om inlichtingen. Op basis van de inmiddels ontvangen informatie zijn de volgende feiten en omstandigheden gebleken. […]

Uw administratie is ten behoeve van het onderzoek meegenomen door het onderzoeksteam. U heeft meerdere malen om teruggave van de administratie verzocht. Uiteindelijk is geconstateerd dat deze administratie verloren is gegaan. […]

Naar aanleiding van het voorgaande komt het College tot het volgende oordeel.

Het College stelt voorop begrip te hebben voor de zeer vervelende situatie waarin u terecht bent gekomen als gevolg van de gepleegde internetfraude. Het College is echter niet verantwoordelijk voor de schade die voortvloeit uit de strafbare feiten die jegens u zijn gepleegd. De personen die inmiddels zijn veroordeeld voor dit strafbare feit, zijn dat wel. Om die reden heeft de rechter onder meer een schadevergoedingsmaatregel ten bedrage van € 22.836,30 opgelegd ten behoeve van uw bedrijf.

Overigens leidt het College uit het vonnis van de rechtbank van 27 oktober 2005 af dat het bedrag waarvoor u zich in de strafprocedure heeft gevoegd, in het geheel is toegewezen. Voor het College is derhalve niet duidelijk waar de door u thans gestelde schade van bijna 1 miljoen euro precies op ziet.

Voor wat betreft de in beslag genomen goederen waarvan werd bepaald dat die teruggegeven moesten worden aan uw bedrijf, maar vervolgens vernietigd bleken te zijn, heeft de Dienst Domeinen, als verantwoordelijke instantie ter zake, u een schadevergoeding aangeboden. U heeft aangegeven dat u dit bedrag te laag vindt. Het College kan u hierbij helaas niet van dienst zijn nu dit de verantwoordelijkheid van de Dienst Domeinen betreft.

Ten aanzien van de onder u in beslag genomen administratie staat vast dat deze verloren is geraakt gedurende het strafrechtelijk onderzoek. Nu niet meer valt te achterhalen wat er precies met uw administratie is gebeurd, zal het College bezien of u hiervoor een schadevergoeding kan worden toegekend. Om de hoogte van de eventuele schade te kunnen bepalen, verzoekt het College u aan te geven waar uw administratie uit bestond (bijv. was het “slechts” papier of betrof het ook apparatuur?) en eventueel tot welke schade het verlies van de administratie volgens u heeft geleid. Ten aanzien van dit laatste betreft het dan uitsluitend de schade die wordt veroorzaakt doordat de administratie in het geheel niet meer kan worden teruggeven, niet de schade die u mogelijk hebt geleden gedurende de periode dat de administratie rechtmatig in beslag was genomen. Het College wijst in dit verband bovendien nogmaals op liet feit dat het College met verantwoordelijk is voor het gedrag van de reeds veroordeelde personen en de schade die daardoor is veroorzaakt.

Aan de hand van uw reactie zal het College bezien of een schadevergoedingsbedrag kan worden vastgesteld, dan wel dat daartoe een gesprek met u noodzakelijk is.”

2.19.

Bij brief van 27 juni 2011 heeft [eiser in conventie] een overzicht gegeven van de administratie en apparatuur die hij aan de politie heeft gegeven. [eiser in conventie] heeft zijn “voorlopige gevolgschade” geraamd op een bedrag van € 780.193, waaronder een bedrag van € 7.500 voor de administratie en een vergoeding van ruim € 43.000 voor computers en software.

2.20.

Bij brief van 20 juli 2011 heeft het College in vervolg op haar brief van 25 mei 2011 aan [eiser in conventie] onder meer het volgende bericht:

“Naar aanleiding van het vorenstaande komt het College tot het volgende oordeel.

Zoals reeds opgemerkt in de brief van 25 mei jl., staat vast dat uw administratie is gebruikt in het kader van het strafrechtelijk onderzoek en dat deze niet aan u is geretourneerd. Inmiddels staat vast dat deze administratie niet meer traceerbaar is.

In de brief van 25 mei jl. bent u in staat gesteld om een toelichting te geven op de omvang en aard van de verloren administratie, alsmede van eventuele schade die het rechtstreekse gevolg is van dit verlies.

Uit uw aanvullende brief blijkt niet wat precies bedoeld wordt met de daarin genoemde “administratie” en waarop u het daaraan gekoppelde bedrag heeft gebaseerd. Evenmin is duidelijk of de door u genoemde apparatuur volgens u tot deze administratie behoort.

Om meer duidelijkheid te verkrijgen omtrent de omvang en aard van uw administratie, heeft het verantwoordelijke parket op verzoek van het College nogmaals een zoekslag in gang gezet die op korte termijn zal worden afgerond. Zodra de resultaten daarvan bekend zijn, wordt u daarover nader bericht. Dit laat onverlet dat het u vrij staat om reeds thans een reactie te geven op het voorgaande.

[…]

Voor wat betreft de door u gestelde belastingschade, constateert het College dat deze niet is onderbouwd. Wanneer de door u gestelde schade inderdaad een gevolg zou zijn van het verlies van uw administratie, moet dit in ieder geval blijken uit brieven c.q. beslissingen van de belastingdienst Om die reden wordt u verzocht stukken te overleggen, indien nodig voorzien van een toelichting, waaruit dit causale verband blijkt.

Ten aanzien van uw verzoek om bemiddeling van het College tussen u en de belastingdienst, is het College vooralsnog van oordeel dat eventuele bemiddeling niet verder kan gaan dan het informeren van de belastingdienst over het feit dat uw administratie als gevolg van een omissie van het Openbaar Ministerie verloren is gegaan. […]

Ook de overige door u gestelde schade is niet onderbouwd, waardoor niet kan worden vastgesteld dat het verlies van uw administratie heeft geleid tot deze schade. […]

Gezien het vorenstaande kan het College vooralsnog niet overgaan tot het toekennen van een vergoeding voor de door u gestelde schade.

Nu het echter mede aan het Openbaar Ministerie is te wijten dat u uw administratie bent kwijtgeraakt, waardoor u niet meer in staat bent om bepaalde dingen te bewijzen, kent het College u bij wijze van tegemoetkoming een bedrag toe van € 2.000,-. Op die manier stelt het College u in de gelegenheid Juridische hulp in te schakelen bij het – op gemotiveerde wijze – in kaart brengen van eventuele schade die is ontstaan als gevolg van het verlies van uw administratie. Het College herhaalt daarbij zijn uitgangspunt zoals neergelegd in de brief van 25 mei jl., te weten dat het College niet verantwoordelijk is voor het gedrag van de reeds veroordeelde personen en de schade die daardoor is veroorzaakt. Overigens is het College uit informatie van het CJIB gebleken dat de veroordeelden nog niet voldaan hebben aan de hen opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Zij staan vermeld in het opsporingsregister en het is derhalve op dit moment niet mogelijk om de betreffende bedragen te innen. Het College kan u hierbij verder niet behulpzaam zijn.

Voorts dient het – zoals u bekend – bij het in kaart brengen van eventuele schade uitsluitend te gaan om de schade die wordt veroorzaakt doordat de administratie in het geheel niet meer kan worden teruggegeven, niet de schade die u mogelijk hebt geleden gedurende de periode dat de administratie rechtmatig in beslag was genomen. Bij de nadere onderbouwing van uw schade dient mede rekening te worden gehouden met een eventuele mate van eigen schuld, in die zin dat wanneer er destijds om een kopie van de administratie was verzocht, de schade wellicht beperkt had kunnen worden.”

2.21.

Bij brief van 6 oktober 2011 heeft Domeinen [BV I] een aanbod schadeloosstelling van € 500 gedaan met betrekking tot vernietigde/verkochte voorwerpen.

2.22.

Bij brief van 7 november 2011 heeft het College [eiser in conventie] als volgt geïnformeerd:

“De nieuwe zoekslag naar uw administratie waarover u bent geïnformeerd bij brief van 20 juli 2011, heeft geleid tot de toezending door het parket Den Haag aan het College van procureurs-generaal (hierna: het College) van uw proces-verbaal van aangifte van oplichting van 20 augustus 2004, alsmede een aanvullend proces-verbaal van aangifte van 25 januari 2005. Aan deze aangiften is de administratie gehecht die u destijds ter beschikking heeft gesteld van het opsporingsonderzoek naar de feiten waarvan u aangifte heeft gedaan. Ik bied u mijn excuses aan voor het feit dat deze informatie eerst thans bekend is geworden bij het College.

Uit deze stukken, die ik uit oogpunt van zorgvuldigheid heb bijgevoegd, noch uit overige onderdelen van het dossier is gebleken dat er goederen onder u in beslag zijn genomen in het kader van het genoemde opsporingsonderzoek. Dit ligt ook niet voor de hand aangezien u geen verdachte, maar slachtoffer was in dit onderzoek. Wanneer er wel spullen onder u in beslag waren genomen, had u in ieder geval een zogenaamde kennisgeving van inbeslagneming ontvangen ter bewijs dat de politie deze goederen in beslag had genomen. U heeft een dergelijke kennisgeving niet overgelegd en het dossier bevat ook geen kopie van een aan u uitgereikte kennisgeving. Het College gaat er derhalve - behoudens tegenbewijs - van uit dat er geen goederen onder u in beslag zijn genomen.

Wél is gebleken dat er goederen die aan u toebehoorden in beslag zijn genomen onder de verdachten in de strafzaak. Voor wat betreft een deel van de in beslag genomen goederen is nogmaals door de Dienst Domeinen bevestigd dat aan u - per brief die naar het bovengenoemde adres is gestuurd - een schadevergoeding van € 500,- is aangeboden ter compensatie van het feit dat deze goederen niet meer aan u konden worden teruggegeven als gevolg van vernietiging. […] De Dienst Domeinen heeft u ook in de gelegenheid gesteld om een in beslag genomen fotocamera te komen afhalen, doch op deze uitnodiging heeft u niet gereageerd. Deze camera is om die reden uiteindelijk verbeurd verklaard.

Recentelijk heeft u een aantal in beslag genomen goederen opgehaald waarover u kort voor die tijd bent geïnformeerd door de Dienst Domeinen.

Op dit moment bevinden zich bij de Dienst Domeinen nog enkele GSM’s en een laptop van u. Deze goederen kunnen (nog) niet aan u worden teruggegeven omdat daar derdenbeslag op rust.

Voor wat betreft uw verzoek om schadevergoeding is het College van oordeel dat er (vooralsnog) geen aanleiding bestaat om u een schadevergoeding toe te kennen. Het College heeft u bij brief van 20 juli 2011 een bedrag van € 2.000,- toegekend om daarmee – met juridische bijstand – op gemotiveerde wijze eventuele schade in kaart te brengen die is ontstaan als gevolg van het verlies van uw administratie. Tot op heden heeft u van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Het College heeft op basis van de beschikbare stukken niet kunnen vaststellen dat het niet teruggeven van de door u beschikbaar gestelde administratie, die op dit moment naar het oordeel van het College bestaat uit de aan de bovengenoemde processen-verbaal gehechte stukken, heeft geleid tot de door u gestelde schade. Nog los van het feit dat u een kopie had kunnen (laten) maken van de door u beschikbaar gestelde stukken en los van de vraag of u afspraken had gemaakt met de politie over teruggave van deze stukken, acht het College het niet aannemelijk dat de gestelde schade is ontstaan als gevolg van het feit dat u deze administratie heeft overgelegd en niet heeft teruggekregen. Uit uw aangifte van 25 januari 2005 blijkt dat u op het moment dat u aangifte deed, reeds een schade had geleden van € 520.000,- en dat u “zo goed als failliet” was. Het College acht aannemelijk dat deze schade gerelateerd kan worden aan de strafbare feiten waarvan u aangifte had gedaan. In de aangifte wordt in ieder geval niet vermeld dat het beschikbaar stellen van uw administratie in het kader van

het onderzoek ten grondslag ligt aan de schade.

Het College kan zich niettemin voorstellen dat u schade heeft geleden als gevolg van het feit dat een deel van uw goederen die onder de verdachten in de strafzaak in beslag zijn genomen, eerst recentelijk door de Dienst Domeinen zijn vrijgegeven. In de loop der jaren treedt immers waardevermindering op. Het College zal met de Dienst Domeinen in overleg treden om te bepalen welk bedrag aan u kan worden toegekend ter compensatie van deze waardevermindering. […]

Gelet op het voorgaande komt het College tot de conclusie dat er vooralsnog, met uitzondering van de schade die bestaat uit de voornoemde waardevermindering, geen aanleiding bestaat om u een schadevergoeding toe te kennen.”

2.23.

Op 18 november 2011 heeft [eiser in conventie] goederen bij Domeinen opgehaald.

2.24.

Bij brief van 2 februari 2012 heeft Domeinen [BV I] een schadevergoeding van in totaal € 840 aangeboden, te weten een bedrag van € 500 voor vernietigde/verkochte voorwerpen en een bedrag van € 340 voor de waardevermindering van de overige voorwerpen op grond van de tijd tussen de beslissing van de officier van justitie om tot teruggave over te gaan en het tijdstip van de daadwerkelijke teruggave.

2.25.

Bij brief van 19 december 2014 heeft [BV I] Domeinen aansprakelijk gesteld en een schadevergoeding van € 75.000 gevorderd.

2.26.

Bij brief van 24 december 2014 heeft Domeinen aansprakelijkheid van de door [BV I] gestelde schade van € 75.000 afgewezen.

2.27.

Bij brief van 29 januari 2015 heeft [BV I] het openbaar ministerie aansprakelijk gesteld en een schadevergoeding gevorderd van € 688.127,28 voor het zoekraken van de volledige administratie en bijbehorende apparatuur.

2.28.

Bij brieven van 23 maart 2015 en 19 juni 2015 heeft het College de door [BV I] gestelde aansprakelijkheid afgewezen en te kennen gegeven dat zij nog steeds geen aanleiding ziet om de gevorderde schadevergoeding uit te keren.

2.29.

Op 6 en 28 augustus 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden bij het College over het schadevergoedingsverzoek van [eiser in conventie] waaraan [eiser in conventie] , zijn advocaat mr. Zwiers en namens het College de heer [X] en de heer [Y] hebben deelgenomen.

2.30.

Op 9 september 2015 heeft het College aan [eiser in conventie] een voorschot van € 30.000 betaald.

2.31.

Bij brief van 24 september 2015 heeft het College [eiser in conventie] verzocht het voorschot van € 30.000 terug te betalen vóór 9 oktober 2015, omdat het College – na herhaalde zoekslag – geen aanleiding ziet [eiser in conventie] een schadevergoeding aan te bieden.

2.32.

Bij brief van 5 oktober 2015 heeft het College [eiser in conventie] gesommeerd het aan hem betaalde voorschot van € 30.000 terug te betalen vóór 9 oktober 2015.

2.33.

Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2016 is [BV I] in staat van faillissement verklaard.

2.34.

Bij akte van cessie, ondertekend door [eiser in conventie] op 24 november 2016 en door de curator van [BV I] op 5 december 2016 (hierna: de akte van cessie), heeft de curator een vordering op de Staat overgedragen aan [eiser in conventie] (in de akte aangeduid als Cessionaris). Deze akte luidt, voor zover voor de beoordeling van belang, als volgt:

NEMEN IN AANMERKING DAT:

C. [eiser in conventie] in zijn hoedanigheid van bestuurder van [BV I] over het ontstaan van de te cederen vordering aan de curator heeft verklaard dat [BV I] in 2004 slachtoffer is geworden van creditcardfraude en dat de volledige administratie van [BV I] ten behoeve van het opsporingsonderzoek aan het Openbaar Ministerie ter beschikking is gesteld en dat tevens door [BV I] bij het Openbaar Ministerie gespecialiseerde apparatuur is geplaatst en geïnstalleerd. De administratie en apparatuur zijn door een kennelijke fout van het Openbaar Ministerie verloren gegaan, waardoor [BV I] aanzienlijke schade heeft geleden. [BV I] heeft daardoor een vordering uit schadevergoeding op de Staat der Nederlanden.

D. onderwerp van deze akte van cessie de vordering van [BV I] op de Staat der Nederlanden is zoals onder punt C van de considerans is omschreven (hierna te noemen: “de vordering”) en de Vordering Partijen genoegzaam bekend is.

[…]

F. de curator de Vordering ex artikel 3:94 BW wenst over te dragen aan de cessionaris en dat de cessionaris de Vordering van de curator althans de boedel wenst over te nemen;

[…]

ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

1. De curator draagt de Vordering over aan de cessionaris, welke overdracht door de cessionaris bij deze wordt aanvaard.

[…]

3. Onder de cessie uit deze akte wordt mede begrepen het recht om de Vordering uit hoofde van de overdracht (voor eigen rekening en risico) te gelde te maken, daarvoor kwijting te verlenen en tot het nemen van rechtsmaatregelen over te gaan.

4. De curator geeft geen enkele garantie ten aanzien van de overdraagbaarheid, het bestaan, de omvang en de rechtsgeldigheid van de Vordering.”

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser in conventie] vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

- veroordeling van de Staat om aan [eiser in conventie] te betalen € 3.353.072, vermeerderd met rente, althans veroordeling van de Staat tot betaling van een schadevergoeding naar billijkheid door de rechtbank te ramen,

- veroordeling van de Staat tot een bedrag ter compensatie van gederfde inkomsten uit de onderneming van [eiser in conventie] , [BV I] , nader op te maken bij staat onder verwijzing naar de schadestaatprocedure,

- een verklaring voor recht dat de Staat aansprakelijk is voor de door [eiser in conventie] geleden schade,

- veroordeling van de Staat in de kosten in de kosten van dit geding.

3.2.

[eiser in conventie] legt, zakelijk weergegeven, aan zijn vorderingen het navolgende ten grondslag. De Staat heeft onrechtmatig jegens hem gehandeld omdat:

- de Staat verzuimd heeft om [BV I] ’ volledige administratie (hierna: de volledige administratie) en alle apparatuur waarmee zij haar webwinkel dreef, te weten computers en dataservers met software (hierna: de webwinkelapparatuur) terug te geven, die door [BV I] in het kader van het Mivot-onderzoek in 2004 aan de Staat ter beschikking waren gesteld, hetgeen in strijd is met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm;

- de Staat de goederen die door [BV I] aan de verdachten waren geleverd en in beslag zijn genomen, niet (tijdig) aan [BV I] heeft teruggegeven, hetgeen in strijd is met artikel 119 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv);

- de Staat onvoldoende heeft gedaan om de ten behoeve van [BV I] opgelegde schadevergoedingsmaatregelen te incasseren, hetgeen in strijd is met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm; en

- de Staat heeft nagelaten ter zake van door [BV I] gelegde conservatoire beslagen onder de Staat (op bij [A c.s.] inbeslaggenomen geld) uitkeringen aan [BV I] te doen, hetgeen een onrechtmatige daad oplevert.

in reconventie

3.3.

De Staat vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeling van [eiser in conventie] om aan de Staat te betalen € 30.000, vermeerderd met rente vanaf 9 oktober 2015.

3.4.

De Staat legt aan zijn vordering, kort weergegeven, het navolgende ten grondslag.

Op de Staat rust geen verplichting tot betaling van een schadevergoeding aan [eiser in conventie] , zodat het op 9 september 2015 aan [eiser in conventie] uitgekeerde voorschot van € 30.000 onverschuldigd is betaald. [eiser in conventie] is als ontvanger van het voorschot gehouden tot terugbetaling ervan. De Staat heeft [eiser in conventie] bij brief van 5 oktober 2015 ter zake in gebreke gesteld en vanaf 9 oktober 2015 is [eiser in conventie] in verzuim komen te verkeren, hetgeen de grond vormt voor vergoeding van de wettelijke rente vanaf die datum aan de Staat.

in conventie en in reconventie

3.5.

Partijen voeren over en weer verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In conventie en in reconventie


Inleidend

4.1.

[eiser in conventie] is ernstig gedupeerd als gevolg van een grootschalige creditcardfraude. [eiser in conventie] is ondernemer en was bestuurder van [BV I] , de vennootschap waarmee hij een webwinkel dreef. [BV I] is failliet gegaan en [eiser in conventie] is de afgelopen jaren ook persoonlijk, wat betreft gezondheid, emotioneel en financieel, zwaar gebukt gegaan onder hetgeen hem is overkomen. De creditcardfraude heeft geleid tot strafrechtelijk onderzoek en procedures waarin [A c.s.] onherroepelijk zijn veroordeeld. Tevens zijn de vorderingen van [BV I] als benadeelde partij toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Vervolgens zijn de civielrechtelijke conservatoire (derden)beslagen, die op verzoek van [BV I] gelegd waren ter inning van haar vorderingen op [A c.s.] , uitgewonnen. Domeinen heeft verder door het openbaar ministerie in het kader van het strafrechtelijk onderzoek inbeslaggenomen goederen vrijgegeven en [BV I] meegedeeld dat deze kunnen worden afgehaald. Ten slotte heeft Domeinen [BV I] een bedrag van € 840 aangeboden als schadeloosstelling voor vernietigde/verkochte en waardevermindering van voorwerpen.

4.2.

In deze procedure is de civiele aansprakelijkheid van de Staat tegenover [eiser in conventie] aan de orde. [eiser in conventie] vordert in conventie schadevergoeding van de Staat wegens onrechtmatig handelen, waarbij hij optreedt als cessionaris van [BV I] , nu de curator van [BV I] bij akte van cessie vorderingsrechten van [BV I] op de Staat aan [eiser in conventie] heeft overgedragen. Hij stoelt zijn vordering op een viertal gronden, te weten het nalaten van de Staat om a) de volledige administratie en webwinkelapparatuur terug te geven, b) de goederen die strafvorderlijk in beslag zijn genomen niet (tijdig) terug te geven, c) de schadevergoedingsmaatregelen te incasseren en d) uitkeringen te doen ter zake de onder de Staat gelegde civiele conservatoire beslagen. De Staat voert een tweetal formele verweren, namelijk dat de cessie niet alle grondslagen van de schadevergoedingsvordering [eiser in conventie] omvat, alsook dat de vordering van [eiser in conventie] is verjaard, en voert daarnaast inhoudelijk verweer. In reconventie vordert de Staat terugbetaling van de € 30.000 die hij [eiser in conventie] ten titel van voorschot heeft betaald.

4.3.

De rechtbank zal hierna de vorderingen in conventie en in reconventie achtereenvolgens bespreken.


In conventie


Cessie

4.4.

Volgens de Staat ziet de onder 2.34 bedoelde cessie uitsluitend op de vordering van de vergoeding van de schade van [BV I] die het gevolg is van het niet teruggeven van de volledige administratie en webwinkelapparatuur. De cessie ziet volgens de Staat niet op een overdracht van schadevergoedingsvorderingen tegen de Staat ten aanzien van:

(i) goederen die door [BV I] zijn geleverd aan de verdachten en die onder deze verdachten in beslag zijn genomen en door Domeinen niet (tijdig) aan [BV I] zijn teruggegeven,

(ii) het verwijt dat het openbaar ministerie onvoldoende zou hebben gedaan om de ten behoeve van [BV I] opgelegde schadevergoedingsmaatregelen te incasseren, en

(iii) het verwijt dat ter zake de door [BV I] gelegde conservatoire beslagen onder de Staat (op bij [A c.s.] inbeslaggenomen geld) ten onrechte geen uitkeringen aan [BV I] hebben plaatsgevonden. Voor zover de vorderingen van [eiser in conventie] (mede) daarop zijn gegrond is hij volgens de Staat niet tot het instellen ervan gerechtigd.

4.5.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Zoals uit de akte van cessie onder C blijkt, heeft de gecedeerde vordering betrekking op enerzijds het gegeven dat [BV I] in 2004 slachtoffer is geworden van creditcardfraude én anderzijds dat de volledige administratie ten behoeve van het opsporingsonderzoek aan het openbaar ministerie ter beschikking is gesteld en bij het openbaar ministerie gespecialiseerde apparatuur is geplaatst en geïnstalleerd die verloren is gegaan. [BV I] heeft op grond daarvan een vordering uit schadevergoeding op de Staat. De vorderingen van [eiser in conventie] in de onderhavige procedure hangen voldoende samen met deze schadevergoedingsvordering. De in geschil zijnde vorderingen (opgenomen in 4.4 onder (i) tot en met (iii)) vloeien rechtstreeks voort uit de omstandigheid dat [BV I] slachtoffer is geworden van creditcardfraude en vallen daarmee onder de reikwijdte van de akte van cessie. Niet is gebleken dat partijen bij de cessie hebben bedoeld de vordering in dit verband te beperken in de door de Staat aangevoerde zin. De akte van cessie bevat immers geen zodanige beperking. Het voorgaande leidt ertoe dat de cessie betrekking heeft op het gestelde onrechtmatige handelen van de Staat, zoals gevorderd door [eiser in conventie] .

Verjaring

4.6.

Op grond van artikel 3:310 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verjaart een vordering tot schadevergoeding door het verloop van vijf jaren na de dag waarop de benadeelde met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Daarbij gaat het om daadwerkelijke bekendheid; een vermoeden van schade is onvoldoende. Niet hoeft de benadeelde echter bekend te zijn met de juiste juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Voorts is vereist dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is om zijn vordering in rechte aanhangig te maken.

4.7.

De rechtbank verwerpt ook het beroep op verjaring van de Staat. Het openbaar ministerie heeft [BV I] bij brief van 6 november 2006 geïnformeerd over de afloop van de strafzaken tegen [A] en tegen [B] en op 19 januari 2007 over de afloop van de strafzaak tegen [C] . Vanaf dat moment was voor [eiser in conventie] in elk geval duidelijk dat hij de volgens hem ter beschikking gestelde goederen terug zou kunnen verwachten en was hij ook bekend met de schadelijke gevolgen van het uitblijven daarvan. Het voorgaande betekent dat de verjaringstermijn uiterlijk op 20 januari 2007 is begonnen en dat deze liep tot 21 januari 2012.

4.8.

De rechtbank kwalificeert de brief van [eiser in conventie] , ontvangen door het openbaar ministerie op 7 juni 2010 (zie 2.16), als schriftelijke aanmaning tot nakoming van een verbintenis en daarmee als stuitingshandeling (artikel 3:317 lid 1 BW). [eiser in conventie] stelt zich immers in die brief op uitdrukkelijk op het standpunt dat hij door de creditcardfraude
€ 986.000 is kwijtgeraakt, dat de volledig administratie door het onderzoeksteam Mivot was meegenomen, in het strafrechtelijk onderzoek goederen en contanten in beslag zijn genomen, dat er beslag is gelegd op diverse bank- en girorekeningen, maar dat het enige dat zij terug hebben ontvangen een bericht van Domeinen is, dat zij een fototoestel kunnen ophalen en een zeer klein bedrag en verzoekt om een oplossing. In de omstandigheden van het geval , waarbij [eiser in conventie] al eerder, in ieder geval in de beklagprocedure, kenbaar had gemaakt dat zijn administratie in beslag was genomen en deze niet was teruggekregen (zie 2.14) bevat zijn brief een voldoende duidelijke waarschuwing dat de Staat, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal. Gelet op het ambtsbericht van 22 september 2010 (zie 2.17) en de brief van het College van 25 mei 2011 (zie 2.18), heeft de Staat de brief van [eiser in conventie] ook als zodanig opgevat.

4.9.

Deze stuiting van de verjaring heeft tot gevolg dat de verjaringstermijn op 8 juni 2010 opnieuw is aangevangen (artikel 3:319 lid 1 BW) en dat deze liep tot 9 juni 2015. Vaststaat dat in de tussenliggende periode tussen partijen gecorrespondeerd is over de vorderingen tot schadevergoeding van [eiser in conventie] , beginnend bij de reactie namens de Staat op voormelde brief van [eiser in conventie] bij brief van het College op 25 mei 2011.

4.10.

Bij brief van 29 januari 2015 heeft [BV I] vervolgens de Staat, te weten het openbaar ministerie, (opnieuw) aansprakelijk gesteld en een schadevergoeding gevorderd van € 688.127,28 (zie 2.27). Dit is eveneens een schriftelijke aanmaning tot nakoming van een verbintenis, die als stuitingshandeling moet worden aangemerkt. Gevolg daarvan is dat de verjaringstermijn van vijf jaren op 30 januari 2015 opnieuw is aangevangen en daarmee de vorderingen van [eiser in conventie] in deze procedure met dagvaarding tegen de Staat van 8 mei 2017 niet zijn verjaard.

Niet teruggeven volledige administratie en webwinkelapparatuur?

4.11.

In de kern draait deze zaak om de beantwoording van de - feitelijke - vraag of de Staat verzuimd heeft de volledige administratie en webwinkelapparatuur, die [eiser in conventie] stelt dat [BV I] in het kader van het Mivot-onderzoek aan de Staat ter beschikking te hebben gesteld, terug te geven. Ter zitting (zie het proces-verbaal van comparitie) heeft [eiser in conventie] toegelicht dat het meer specifiek ging om het volgende: “Het ging om meer dan 12 ordners. Het ging om 4 of 5 verhuisdozen, met daarin steeds 5 of 6 ordners. Ongeveer 20 tot 25 ordners in totaal dus. Daarin zat onze volledige in- en verkoopadministratie, net als de complete orderadministratie. […] Het webwinkelprogramma dat ik op onze computers had staan was speciaal voor ons geschreven door [… 2] in Schiedam. Er komt een bestelling binnen via de website. De factuur gaat in de ordner en dat wordt weer ingeboekt in het boekhoudingsprogramma. Zowel de ordners en het softwareprogramma zijn meegenomen, zodat ik niets meer had.” Ter zitting heeft hij tevens meegedeeld dat hij de computers (de webwinkelapparatuur) ergens in het Paleis van Justitie (te Den Haag) heeft afgegeven: “Er is een verzoek geweest van het MIVOT om ons systeem te gebruiken en dit te kunnen herleiden naar een aantal verdachten. Dat is wat later geweest dan toen ik op vakantie was. Ze hebben een opstelling gemaakt om bestellingen te kunnen traceren. Die opstelling hebben ze ook gebruikt om de daders op te pakken.”. De Staat bestrijdt dat hij de volledige administratie en webwinkelapparatuur van [eiser in conventie] zoals [eiser in conventie] stelt, onder zich heeft gehad. Volgens de Staat heeft [eiser in conventie] niet méér afgegeven dan hetgeen vermeld is in de processen-verbaal van het Mivot-onderzoek en is van onrechtmatig handelen tegenover [eiser in conventie] geen sprake.

4.12.

Het vorenstaande betekent dat de rechtbank - gelet op de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering - zal moeten beoordelen of en in hoeverre [eiser in conventie] , in het licht van de gemotiveerde betwisting van de Staat van zijn stelling dat de volledige administratie en webwinkelapparatuur zijn meegenomen en niet zijn teruggegeven, voldoende feiten naar voren heeft gebracht waaruit de juistheid van zijn stelling kan volgen.

4.13.

Niet in geschil is dat [eiser in conventie] bij zijn aangifte op 20 augustus 2004 aan de politie “correspondetie en dergelijke” ter beschikking heeft gesteld, alsmede een lijst met namen, adressen en e-mailadressen van personen die via de webwinkel van [BV I] bestellingen hebben geplaatst (zie 2.3). Bij de aanvulling van de aangifte op 25 januari 2015 heeft [eiser in conventie] voorts de bij hem beschikbare en door de politie verzochte bestelformulieren aan de politie overhandigd (zie 2.6 en 2.7). Eveneens is niet in geschil dat [eiser in conventie] de op 20 augustus 2004 en 25 januari 2015 overhandigde bescheiden, in elk geval in kopie, op verzoek heeft teruggekregen.

4.14.

Partijen houdt, zoals hiervoor overwogen, verdeeld of [eiser in conventie] méér heeft overhandigd dan de genoemde bescheiden. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat [eiser in conventie] in de dagvaarding niet heeft geconcretiseerd wat en op welk moment in het kader van het Mivot-onderzoek is overhandigd. In de dagvaarding is in algemene termen verwoord dat [eiser in conventie] goederen, administratie, voorwerpen en overige informatie heeft overgedragen aan het betrokken onderzoeksteam. Uit de dagvaarding kan verder (slechts) worden opgemaakt dat het gaat om papieren administratie vervat in ordners, om hardware en software en handelsvoorraad. Ter zitting heeft [eiser in conventie] zijn stelling ten aanzien van wat hij stelt dat is meegenomen, gepreciseerd zoals hiervoor in 4.11 weergegeven, kort gezegd een aantal verhuisdozen met in totaal naar schatting 20 tot 25 ordners en het softwareprogramma dat hij op zijn computers had staan. Later heeft hij computers afgegeven. Wat betreft het moment waarop de volledige administratie en de webwinkelapparatuur zijn meegenomen, heeft [eiser in conventie] ter zitting verder toegelicht dat rechercheurs [BV I] voor het eerst hebben bezocht tijdens zijn vakantie in juli/augustus 2004, derhalve buiten zijn aanwezigheid, en dat hij gelooft dat ook een officier van justitie aanwezig was. De rechercheurs hebben toen volgens [eiser in conventie] gevraagd of zij de volledige administratie mochten meenemen. Zijn vader en neef, die indertijd voor [BV I] werkzaam waren, hebben toen, aldus [eiser in conventie] ter zitting, de administratie met instemming van [eiser in conventie] overhandigd aan de rechercheurs. [eiser in conventie] heeft tegen zijn vader gezegd dat ze alles moesten meenemen wat ze nodig hadden. De rechercheurs hebben op dat moment de desbetreffende verhuisdozen met de volledige in- en verkoopadministratie en orderadministratie meegenomen. Ook het sofwareprogramma is meegenomen. Er zijn van de administratie hooguit een paar vrachtbrieven achtergebleven. Van de inhoud van de meegenomen ordners zijn volgens [eiser in conventie] geen kopieën gemaakt.

4.15.

Ook is toen, tijdens zijn vakantie, volgens [eiser in conventie] aan zijn vader gevraagd om de computers van [BV I] , zodat het Mivot-onderzoeksteam precies kon traceren waar vandaan werd besteld. Daarop heeft zijn vader volgens [eiser in conventie] geantwoord dat [BV I] deze computers ten behoeve van het onderzoek best ter beschikking wilde stellen. Zoals hiervoor weergegeven, heeft [eiser in conventie] de webwinkelapparatuur, na herhaald verzoek, op een later tijdstip, na zijn vakantie, afgegeven bij het Mivot-onderzoeksteam in het Paleis van Justitie te Den Haag. Bij zowel de overhandiging van de administratie als de webwinkelapparatuur is niet om een bewijs van ontvangst gevraagd en een dergelijk bewijs is volgens [eiser in conventie] ook niet gegeven.

4.16.

Ter zitting heeft [eiser in conventie] verder meegedeeld dat hij pas na zijn vakantie, op 20 augustus 2004, aangifte heeft gedaan.

4.17.

De advocaat van [eiser in conventie] heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij in de correspondentie van [eiser in conventie] aan de Staat niet is tegengekomen dat [eiser in conventie] spreekt over ordners. Hij spreekt, aldus de advocaat, altijd over administratie en software. Verder heeft de advocaat, anders dan [eiser in conventie] zelf, naar voren gebracht dat de administratie pas na de vakantie van [eiser in conventie] door de vader en de neef aan de politie is overgedragen. Dit was op het moment dat [eiser in conventie] vanwege een ziekenhuisopname niet in staat was te functioneren.

4.18.

[eiser in conventie] heeft ter onderbouwing van zijn stelling als producties twee schriftelijke verklaringen afkomstig van respectievelijk zijn vader en neef overgelegd, beide gedateerd 16 november 2015 en op verzoek van zijn advocaat opgesteld. Uit die verklaringen komt het volgende naar voren. De volledige papieren administratie van [BV I] is tijdens een van de bezoeken van de rechercheurs medio september/oktober 2004 meegenomen. Deze administratie zat in ongeveer 12 grote “orders” (de rechtbank leest, met [eiser in conventie] : ordners), die in een aantal kartonnen dozen zijn verpakt en aan de politie overhandigd. Volgens de vader van [eiser in conventie] is daarvan geen bevestiging door de politie verstrekt. Volgens de neef van [eiser in conventie] is wel direct verzocht om een bewijs dat een en ander werd meegenomen, maar kon dit door de personen van de recherche niet direct worden verstrekt. Volgens de neef van [eiser in conventie] heeft [eiser in conventie] vervolgens “aangeboden om zijn computers en dataservers voor het onderzoek ter beschikking te stellen. […] Op dit aanbod werd enkele dagen later ingegaan en heb ik samen met de heer [eiser in conventie] de computers en dataservers losgekoppeld en ingepakt. Deze zijn later naar Den Haag vervoerd om daar ergens voor onderzoek aangesloten te worden”. Volgens de vader van [eiser in conventie] heeft [eiser in conventie] zijn computers en dataservers voor het onderzoek ter beschikking gesteld. Hij verklaart: “Dit apparatuur is later naar Den Haag gegaan om daar ergens voor onderzoek aangesloten te worden. Mijn zoon is daar zelf ook nog geweest om enig uitleg te geven.”

4.19.

De Staat heeft de door [eiser in conventie] geschetste gang van zaken uitvoerig en gemotiveerd weersproken. Daarbij heeft de Staat onder meer in het licht van de stellingen van [eiser in conventie] verklaringen overgelegd van de bij het Mivot-onderzoek betrokken parketsecretaris en officier van justitie van 30 september 2015. Beiden verklaren zich niets kunnen herinneren van de door [eiser in conventie] geschetste gang van zaken, dat er geen computerapparatuur in de kamer van de betrokken officier van justitie is gezet en dat er geen fakebestellingen zijn geplaatst. Tevens heeft de Staat een proces-verbaal van bevindingen van 13 november 2015 van de destijds als teamleider van het politieonderzoek betrokken inspecteur van de politie, in het geding gebracht. Uit dat proces-verbaal volgt ook dat hij zich niet kan herkennen in het door [eiser in conventie] gestelde relaas dan wel dat daarvoor volgens hen aanknopingspunten bestaan, buiten de bescheiden die bij de aangifte en aanvullende aangifte door [BV I] waren overgelegd. Hij heeft terzake ook navraag gedaan.

4.20.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser in conventie] zijn stelling dat de volledige administratie en webwinkelapparatuur van [BV I] aan het Mivot-onderzoeksteam is overhandigd, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de Staat, onvoldoende heeft geconcretiseerd. Hij heeft onvoldoende feiten gesteld waaruit kan volgen dat hij, zoals hij stelt, méér heeft overhandigd dan de stukken die zijn genoemd in de processen-verbaal die in het kader van het onderzoek zijn opgemaakt (zie hiervoor 4.13). Aan bewijslevering komt de rechtbank derhalve niet toe. De rechtbank acht het volgende redengevend.

4.21.

De rechtbank stelt vast dat de diverse toelichtingen, mondeling ter zitting door [eiser in conventie] en zijn advocaat en schriftelijk aan de hand van de overgelegde verklaringen van de vader en neef van [eiser in conventie] , niet, althans onvoldoende met elkaar te verenigen zijn. De toelichting van [eiser in conventie] zelf ter zitting is bovendien wisselend en inconsistent. Uitgaande van de aangifte van [eiser in conventie] , die dateert van 20 augustus 2004 en door hem is ondertekend, heeft [eiser in conventie] aangifte gedaan nadat de volledige administratie en software volgens hem was meegenomen. In ieder geval heeft hij de computers in het Paleis van Justitie afgegeven vóórdat hij de aangifte heeft aangevuld op 25 januari 2005. De toelichting van [eiser in conventie] ter zitting wat betreft de afgifte van de administratie (de verhuisdozen met ordners) en de software is niet te verenigen met het gegeven dat hij bij zijn aangifte op 20 augustus 2004 (alsnog) diverse bescheiden, te weten correspondentie en een bestellijst aan de politie heeft overhandigd. Bij de overhandiging van de volledige administratie buiten zijn aanwezigheid waren immers volgens [eiser in conventie] geen kopieën gemaakt van de administratie en waren hooguit een paar vrachtbrieven over. Ook heeft [eiser in conventie] ter zitting geen plausibele verklaring kunnen geven voor de omstandigheid dat hij bij de aanvulling van de aangifte op 25 januari 2005 alsnog bestelformulieren aan de politie ter beschikking heeft kunnen stellen. Verder heeft [eiser in conventie] onvoldoende toegelicht hoe zijn verklaring dat hij vanwege een crash van zijn harde schijf bepaalde door de politie verzochte bestelformulieren niet kon overleggen (zie het proces-verbaal van bevindingen van 25 januari 2005 (in 2.7)), terwijl hij op dat moment de webwinkelapparatuur niet meer in zijn bezit had. Ten slotte heeft [eiser in conventie] op 25 januari 2005 nog bij de politie verklaard dat hij recent zijn website had aangepast, hetgeen ten minste de schijn wekt dat hij op dat moment nog over webwinkelapparatuur beschikte. Ook dat is onverenigbaar is met zijn stelling dat de webwinkelapparatuur op dat moment niet meer in zijn bezit was. Dit alles, in samenhang bezien met de onderbouwing van het verweer van de Staat, maakt dat de schriftelijke verklaringen van de vader en de neef alleen onvoldoende zijn voor een voldoende onderbouwing van de stelling van [eiser in conventie] dat de volledige administratie en webwinkelapparatuur aan het onderzoeksteam is overhandigd. Het had op de weg van [eiser in conventie] gelegen, als de partij op wie de stelplicht rust, meer duidelijkheid te verschaffen en zijn stelling, mede na hetgeen door de Staat is aangevoerd, verder te concretiseren dan wel van nadere feitelijke onderbouwing te voorzien.

4.22.

Het beroep van [eiser in conventie] op het ambtsbericht van 22 september 2010 van het College, waarin vermeld wordt: “uit het proces-verbaal van 23 januari 2005 blijkt dat dhr. [eiser in conventie] de door de politie gevraagde ordners [cursivering rechtbank] inderdaad heeft aangeleverd voor onderzoek” leidt niet tot een andere conclusie. De term “ordners”, zoals ook in vervolgcorrespondentie van de Staat herhaaldelijk gebruikt, komt niet voor in het genoemde proces-verbaal, terwijl [eiser in conventie] geen stukken heeft overgelegd, anders dan de schriftelijke verklaringen van zijn vader en neef, waaruit blijkt dat hijzelf met de volledige administratie waarvan hij stelt dat deze aan het onderzoeksteam is overhandigd destijds doelde op de verhuisdozen met ordners, zoals in deze procedure naar voren gebracht. De omstandigheid dat de rechtbank in haar beschikking van 26 juni 2007 heeft overwogen dat de administratie van [BV I] - en daarmee een potentiële bron van bewijs - buiten de schuld van [BV I] verloren is gegaan, maakt niet dat in de onderhavige procedure moet worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van [eiser in conventie] . Wat [eiser in conventie] in zijn klaagschrift destijds namens [BV I] naar voren heeft gebracht en of hij toen meer concreet heeft gesteld wat niet meer te traceren viel, kan de rechtbank op basis van de processtukken in dit geding niet vaststellen.

4.23.

[eiser in conventie] heeft verder nog gesteld dat de Staat meermalen heeft erkend administratie van [BV I] te zijn kwijtgeraakt. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op de brief van de Staat van 25 mei 2011 (in 2.18) en de brief van de Staat van 20 juli 2011 (in 2.20). Ook dat is echter door de Staat uitdrukkelijk weersproken. Volgens de Staat stond het College destijds eerst niet voor ogen waaruit de administratie precies bestond, hetgeen reeds blijkt uit het gegeven dat het College in de brief van 25 mei 2011 aan [eiser in conventie] heeft gevraagd dit nader te specificeren. Voorts heeft de Staat in dit verband gewezen op de brief van het College van 7 november 2011 aan [eiser in conventie] . Daarin schrijft het College dat uit een nieuwe zoekslag is gebleken dat bij het doen van aangifte en de aanvulling daarop enige administratieve bescheiden ter beschikking zijn gesteld, maar dat ervan wordt uitgegaan dat daarnaast niet nog andere administratie of apparatuur is aangeleverd. Dit standpunt is nadien steeds herhaald. Gelet hierop verwerpt de rechtbank de stelling van [eiser in conventie] dat de Staat meermalen heeft erkend administratie van [BV I] te zijn kwijtgeraakt.

4.24.

Hierop strandt het verwijt van [eiser in conventie] dat de Staat heeft verzuimd de door [BV I] in het kader van het Mivot-onderzoek in 2004 aan de Staat ter beschikking gestelde volledige administratie en webwinkelapparatuur terug te geven en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. Dit onderdeel van de vordering wordt afgewezen.

Niet teruggegeven inbeslaggenomen goederen?

4.25.

Ten aanzien van het verwijt van [eiser in conventie] aan de Staat dat de onder verdachten inbeslaggenomen goederen niet (tijdig) zijn teruggegeven, heeft het volgende te gelden. Het openbaar ministerie was enkel gehouden tot teruggave van in totaal vijftien onder [C] inbeslaggenomen goederen waarover is beslist dat deze moesten worden teruggegeven aan [BV I] . Het klaagschrift ten aanzien van teruggave van onder [A] inbeslaggenomen goederen is door de rechtbank ongegrond verklaard. Voorts heeft [BV I] geen aanspraak gemaakt op onder [B] inbeslaggenomen goederen. Niet is komen vaststaan dat overige bij de verdachten inbeslaggenomen goederen aan [BV I] hadden moeten worden teruggegeven.

4.26.

Met betrekking tot het beslag op voornoemde goederen onder [C] staat vast dat het beslag ervan rechtmatig was vanaf het moment van inbeslagname eind 2004 tot het arrest van 3 november 2006 in de strafzaak van [C] en de beslissing tot teruggave van 6 december 2008. De waardedaling van deze goederen over die periode komt, gelet op de rechtmatigheid van het beslag, niet voor rekening van de Staat. Vervolgens heeft de teruggave van deze goederen aan [BV I] lang geduurd voordat deze is geëffectueerd, hetgeen de Staat overigens heeft erkend. Namens de Staat is daarvoor een schadevergoeding aangeboden van € 840, te weten een bedrag van € 500 voor vernietigde/verkochte voorwerpen en een bedrag van € 340 voor de waardevermindering van de overige voorwerpen in de periode tussen de beslissing van de officier van justitie om tot teruggave over te gaan en het tijdstip van de daadwerkelijke teruggave. Gelet op de aard van de goederen acht de rechtbank dit aanbod niet zonder meer onredelijk. [eiser in conventie] heeft geen feiten gesteld of aangetoond dat er gronden zijn voor een hogere vergoeding. Het verwijt dat de Staat in strijd met artikel 119 Sv heeft gehandeld gaat niet op.

Nalaten ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen?

4.27.

[eiser in conventie] verwijt de Staat voorts dat hij onvoldoende heeft gedaan om de ten behoeve van [BV I] opgelegde schadevergoedingsmaatregelen te incasseren. Vaststaat dat aan [BV I] in het kader van haar schadevergoedingsvordering onder de veroordeelden een bedrag van € 2.195,60 voor de vordering op [A] , € 3.332,18 voor de vordering op [B] en € 318,50 voor de vordering op [C] heeft verkregen. Deze bedragen moeten in mindering gebracht worden op de schadevergoedingsmaatregelen.

De Staat heeft in dit verband aangevoerd dat [A c.s.] vanwege illegaal verblijf in Nederland zijn uitgezet, te weten in de periode augustus-december 2006, voordat een aanvang was genomen met de tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregelen. Volgens de Staat kon het openbaar ministerie niet meer doen dan [A c.s.] in het opsporingsregister signaleren en de gelegde conservatoire beslagen uitwinnen. Zelfs als het openbaar ministerie meer had kunnen doen, dan was volgens de Staat niet aannemelijk dat dit iets had opgeleverd, omdat [A c.s.] volgens de Staat niet over substantieel vermogen in Nederland beschikten. [eiser in conventie] heeft op zijn beurt zijn stelling niet verder toegelicht. Hierop stuit het verwijt dat de Staat op dit punt in strijd heeft gehandeld met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm af.

Geen uitkeringen ter zake onder de Staat gelegde conservatoire beslagen?

4.28.

Ten slotte verwijt [eiser in conventie] de Staat dat hij heeft nagelaten ter zake van door [BV I] gelegde conservatoire beslagen onder de Staat - op bij [A c.s.] inbeslaggenomen geld - uitkeringen aan [BV I] te doen. Dit verwijt is ongegrond, nu vaststaat dat het onder de verdachten inbeslaggenomen geld is verdeeld tussen het openbaar ministerie en onder meer [BV I] naar rato van respectievelijk de ontnemings- en schadevergoedingsvorderingen. [BV I] heeft dus wel degelijk uitkeringen ontvangen. Dat inbeslaggenomen geldbedragen zouden zijn kwijtgeraakt, is niet vast komen te staan.


Slotsom en kosten

4.29.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de vorderingen van [eiser in conventie] moeten worden afgewezen.

4.30.

Bij deze uitkomst past dat [eiser in conventie] als de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie. Gelet op de specifieke omstandigheden van het geval ziet de rechtbank aanleiding in dezen het vóór 1 mei 2018 geldende liquidatietarief toe te passen. Deze kosten worden aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 10.316, namelijk € 3.894 aan griffierecht en

€ 6.422 aan salaris advocaat (2 punten tegen tarief VIII van € 3.211), te vermeerderen met de wettelijke rente zoals door de Staat is verzocht. Voorts zal de proceskostenveroordeling, als gevorderd en niet bestreden, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Voor een afzonderlijke veroordeling in de door de Staat gevorderde nakosten bestaat geen grond, omdat de proceskostenveroordeling voor die kosten een executoriale titel oplevert.

In reconventie

4.31.

Ter beantwoording ligt voor of [eiser in conventie] gehouden is tot terugbetaling van het aan hem door de Staat op 9 september 2015 betaalde bedrag van € 30.000.

4.32.

[eiser in conventie] heeft niet betwist dat hij de betaling van € 30.000 heeft ontvangen. Hij heeft het verweer gevoerd dat geen sprake is van onverschuldigde betaling, omdat er geen grond is voor terugbetaling en de Staat het bedrag aan hem zonder enige voorwaarde heeft betaald als voorschot op zijn geleden schade.

4.33.

De rechtbank verwerpt het verweer van [eiser in conventie] . Hij heeft het door de Staat gestelde onverschuldigde karakter van de betaalde € 30.000 onvoldoende gemotiveerd bestreden. Nu in conventie namelijk niet is komen vaststaan dat op de Staat een verplichting tot betaling van een schadevergoeding aan [eiser in conventie] rust, is daarmee de betaling van het bedrag van € 30.000 – dat uitdrukkelijk ten titel van voorschot is gedaan – zonder rechtsgrond geschied. De rechtbank oordeelt dan ook dat de betaling door de Staat aan [eiser in conventie] onverschuldigd is gedaan.

Slotsom en kosten

4.34.

De vordering van de Staat op [eiser in conventie] tot terugbetaling van € 30.000 wordt toegewezen. De rechtbank wijst eveneens de – onbestreden gebleven – door de Staat gevorderde wettelijke rente vanaf 9 oktober 2015 jegens [eiser in conventie] toe.

4.35.

[eiser in conventie] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in reconventie veroordeeld, evenals in conventie op basis van het vóór 1 mei 2018 geldende liquidatietarief. Deze kosten worden aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op
€ 289,50 aan salaris advocaat (0,5 punt tegen tarief III van € 579), te vermeerderen met de wettelijke rente zoals door de Staat is verzocht. Voorts zal de proceskostenveroordeling, als gevorderd en niet bestreden, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Voor een veroordeling in de door de Staat gevorderde nakosten bestaat geen grond, omdat de proceskostenveroordeling voor die kosten een executoriale titel oplevert.

5 De beslissing

De rechtbank:

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser in conventie] in de kosten van dit geding aan de zijde van de Staat gevallen en tot op heden begroot op € 10.316, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na heden;

5.3.

verklaart de kostenveroordeling in conventie uitvoerbaar bij voorraad.

in reconventie

5.4.

veroordeelt [eiser in conventie] tot betaling aan de Staat van € 30.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2015 tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt [eiser in conventie] in de kosten van dit geding aan de zijde van de Staat gevallen en tot op heden begroot op € 289,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na heden;

5.6.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, mr. R.C. Hartendorp en mr. H.J. van Harten en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2018.