Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5824

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-05-2018
Datum publicatie
25-05-2018
Zaaknummer
NL18.4678
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Spanje

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.4678


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. V.D. Schreuder).


Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.4679, plaatsgevonden in Breda op 28 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen O. Jobe, tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Gambiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Op 29 november 2017 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder die aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daaraan is ten grondslag gelegd dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.

3. Verweerder heeft de Spaanse autoriteiten verzocht eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 604/2013 (Dublinverordening). Die autoriteiten hebben dit verzoek op 3 januari 2018 gehonoreerd. Daarmee staat per deze dag de verantwoordelijkheid van Spanje vast.

4.1.

Eiser voert in beroep aan dat bij zijn aanmeldgehoor op 2 december 2017 ten onrechte geen gebruik is gemaakt van een registertolk. Dit is in strijd met artikel 28, derde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv). Volgens eiser had hij meer gelegenheid moeten krijgen om zijn overkomst vanuit Spanje en hetgeen hem in dit land is overkomen toe te lichten. De kwaliteit van het aanmeldgehoor is nu niet te controleren. Voorts vermeldt verweerder pas in zijn bestreden besluit, en derhalve niet tijdig, dat in het tolkenregister geen tolken voor de taal Fula zijn ingeschreven.

4.2.

Artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wbtv bepaalt dat verweerder in het kader van het vreemdelingenrecht uitsluitend gebruik maakt van beëdigde tolken of vertalers. Het derde lid van dit artikel bepaalt, voor zover thans van belang, dat in afwijking van het eerste lid gebruik kan worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat. Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, wordt, indien van het eerste lid wordt afgeweken, dit met redenen omkleed schriftelijk vastgelegd.

4.3.

Niet in geschil is dat verweerder bij het aanmeldgehoor geen gebruik heeft gemaakt van een registertolk. Artikel 28, derde en vierde lid, van de Wbtv stelt wat betreft de motivering van de reden voor het gebruikmaken van een niet-beëdigde tolk geen andere eis dan dat verweerder de reden voor dit gebruik uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden een van de in het derde lid vermelde redenen moet zijn. In het geval het register voor beëdigde tolken en vertalers voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat, is het schriftelijk vastleggen van een mededeling van die strekking op zichzelf een deugdelijke motivering. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA0625).

4.4.

Tussen partijen is niet in geding dat bij het aanmeldgehoor door verweerder ten onrechte is vermeld dat een registertolk in de taal Fula niet tijdig beschikbaar was. In het bestreden besluit heeft verweerder dit gecorrigeerd met de verklaring dat het aanmeldgehoor zonder registertolk heeft plaatsgevonden, omdat voor de taal Fula in Nederland geen registertolk beschikbaar is. Gezien deze correctie in het bestreden besluit heeft verweerder afdoende en tijdig gemotiveerd waarom hij gebruik heeft moeten maken van een niet-registertolk. Er is dan ook voldaan aan de vereisten van artikel 28, derde en vierde lid, van de Wbtv. Eisers stellingen dat hij meer gelegenheid had moeten krijgen om zijn overkomst vanuit Spanje en wat hem in dat land is overkomen toe te lichten, en dat de kwaliteit van het aanmeldgehoor nu niet te controleren is, slagen evenmin. Niet is gebleken dat eiser de tolk niet goed heeft begrepen. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser bevestigend geantwoord op de vraag van de gehoormedewerker aan het begin van het gehoor of hij de tolk goed verstaan en begrijpen in het Fula. Op de vraag van de gehoormedewerker aan het einde van het gehoor of eiser nog op- of aanmerkingen heeft over de werkwijze van de gehoormedewerker of de tolk, heeft eiser geantwoord: "Nee". Uit het gehoorverslag blijkt niet dat eiser onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zijn verhaal te vertellen. Ook uit de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor is niet gebleken dat er sprake is geweest van een miscommunicatie tussen eiser en de tolk en/of dat eiser zijn verhaal onvoldoende heeft kunnen vertellen. Bovendien blijkt noch uit de beroepsgronden, noch uit de behandeling ter zitting dat eiser feiten of omstandigheden naar voren had willen brengen waartoe hij door gebruikmaking van een niet-registertolk niet in staat is geweest.

5. Eisers stelling dat niet is gebleken dat Spanje rekening heeft gehouden met zijn problemen als gevolg van zijn afwijkende seksuele geaardheid, en dat zijn asielverzoek in Spanje daarom niet deugdelijk is beoordeeld, slaagt niet. In casu gaat het, zoals terecht door verweerder is beoordeeld in het bestreden besluit, slechts om de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het onderhavige verzoek om internationale bescherming en niet om de vraag of eiser al dan niet in aanmerking komt voor internationale bescherming. Volgens de Dublinverordening zijn de autoriteiten van Spanje verantwoordelijk voor de behandeling van dat verzoek. De door eiser aangevoerde asielmotieven kunnen derhalve bij die autoriteiten naar voren worden gebracht.

6. Eiser stelt verder dat hij in Spanje enkel tijdens de asielprocedure opvang heeft genoten en dat hij in dat land door zijn landgenoten is bedreigd en geïntimideerd. De rechtbank ziet in deze stellingen geen aanleiding voor het oordeel dat ten aanzien van Spanje niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft niet met concrete aanwijzingen aannemelijk gemaakt dat in Spanje sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen. Hij heeft geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat Spanje eisers asielverzoek niet zal behandelen met in achtneming van de communautaire asielrichtlijnen. Evenmin blijkt uit eisers persoonlijk relaas dat Spanje zich niet houdt aan zijn (verdrags)verplichtingen.

Immers, eiser heeft verklaard, zoals ook terecht overwogen door verweerder in het bestreden besluit, dat hij in Spanje asiel heeft aangevraagd, opvang heeft genoten, medische zorg heeft gekregen, dat zijn asielaanvraag is behandeld en dat hij een beslissing heeft gekregen op die aanvraag. Eiser heeft zijn stelling dat hij in Spanje onheus is bejegend toen hij was opgenomen in een instelling niet nader onderbouwd. Eiser had zich voor de door hem gestelde problemen kunnen wenden tot de (hogere) Spaanse autoriteiten. Niet gebleken is dat de Spaanse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. Eisers enkele, niet nader onderbouwde, stelling dat hij zich wel in verbinding heeft gesteld met de autoriteiten maar dat zij niets hebben gedaan tegen de door hem gestelde bejegening, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat Nederland nader onderzoek had moeten doen naar de gang van zaken in Spanje voordat werd besloten eiser over te dragen, zoals door hem bepleit.

7. Met betrekking tot de door eiser aangevoerde medische omstandigheden heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat, mede uitgaande van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, de medische voorzieningen in Spanje van een gelijkwaardig niveau zijn als in Nederland. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de medische behandeling die hij nodig heeft niet in Spanje voorhanden is of dat Nederland het meest aangewezen land is om hem te behandelen. Uit de verklaring van een huisarts van GZA Baexem van 25 januari 2018, waarin wordt ingegaan op eisers klachten en medicatie, blijkt niet dat overdracht aan Spanje zal resulteren in een onomkeerbare verslechtering, of dat eiser geen effectieve medische behandeling in Spanje kan ondergaan. Uit de verklaring van de Spaanse arts Alonso Fernández van 12 december 2017 kan dit evenmin worden afgeleid, nu uit die verklaring juist blijkt dat eiser in Spanje tweemaal is opgenomen in het ziekenhuis van Mataró vanwege zijn psychiatrische klachten en hij daarna onder behandeling is gebleven. Ten slotte blijkt uit deze verklaring niet dat eiser, zoals door hem ter zitting is erkend, voor zijn medische problemen niet Spanje kan worden behandeld.

8. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen bepalen dat niet is gebleken van zodanig bijzondere individuele feiten of omstandigheden, dat hij de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2018.

griffier

rechter

De rechter is verhinderd te ondertekenen.

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.