Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5798

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
17-05-2018
Zaaknummer
C/09/550795 / KG ZA 18-319
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Samenwerking tussen cosmetisch chirurg en beautysalon geëindigd na geschil over klantenbestand. Saloneigenaar heeft beschuldigingen geuit aan adres van cosmetisch chirurg op website en via nieuwsbrief. Beschuldigingen vinden geen dan wel onvoldoende steun in feitenmateriaal en zijn zeer schadelijk voor reputatie cosmetisch arts. Verbod uiten beschuldigingen en verplichting tot rectificatie via nieuwsbrief en op website.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2018-0246
NJF 2018/486
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/550795 / KG ZA 18-319

Vonnis in kort geding van 17 mei 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. R.P. de Vries te Amsterdam,

tegen:

1 [gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap

[BV I] .,

statutair gevestigd te [plaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. J.M. Tason Avila te Leiden.

Eiser wordt hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ en gedaagden gezamenlijk als ‘ [gedaagde] ’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 5 april 2018, met producties;

- de brief van mr. De Vries van 26 april 2018, met producties;

- de brief van mr. Tason Avila van 30 april 2018, met producties;

- de faxbrief van mr. De Vries van 1 mei 2018, met producties;

- de op 2 mei 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is werkzaam als cosmetisch arts en heeft zich met name gespecialiseerd in injectables. Zijn werkzaamheden verricht [eiser] vanuit de besloten vennootschap [X] B.V., van welke vennootschap hij enig aandeelhouder en bestuurder is. Deze vennootschap voert onder meer ‘ [handelsnaam eiser] ’ als handelsnaam.

2.2.

[gedaagde] is enig aandeelhouder en bestuurder van de besloten vennootschap [BV I] . Via deze vennootschap drijft [gedaagde] vanuit een salon in [plaats] onder de handelsnaam [handelsnaam gedaagde] een onderneming die zich toelegt op het verrichten van werkzaamheden op het gebied van schoonheidsverzorging, pedicures en manicures.

2.3.

[eiser] is werkzaam vanuit diverse behandelcentra in Nederland. Met de eigenaren van deze centra heeft [eiser] afspraken gemaakt over het gebruik van een behandelruimte en overige faciliteiten, zulks tegen betaling van een percentage van de door hem in de desbetreffende behandellocatie gegenereerde omzet.

2.4.

[eiser] en [gedaagde] hebben meer dan tien jaar op de hiervoor bedoelde wijze met elkaar samengewerkt. De in dat verband tussen hen gemaakte afspraken zijn niet schriftelijk vastgelegd.

2.5.

Nadat [gedaagde] in zijn onderneming een digitaal agendasysteem in gebruik had genomen, is tussen partijen een discussie ontstaan over – kort gezegd – het klantenbestand van [handelsnaam gedaagde] , dat [eiser] zich volgens [gedaagde] op onrechtmatige wijze heeft toegeëigend. [gedaagde] heeft [eiser] in verband hiermee de toegang tot het agendasysteem en later ook tot de salon in [plaats] ontzegd.

2.6.

Bij e-mail van 31 januari 2018 heeft [gedaagde] het klantenbestand van [handelsnaam gedaagde] aan [eiser] te koop aangeboden voor een bedrag van € 200.000,--.

2.7.

[gedaagde] heeft de eigenaren van de overige behandelcentra waar [eiser] mee samenwerkt bij e-mail van 5 februari 2018 op de hoogte gesteld van de tussen hem en [eiser] gerezen problemen. Daarbij heeft [gedaagde] hen onder meer geadviseerd hun klantenbestand middels een met [eiser] te sluiten contract te beschermen en afscheid van [eiser] te nemen indien hij weigert een dergelijk contract te ondertekenen, omdat hij geen man van eer en geweten is.

2.8.

[eiser] heeft de door hem behandelde patiënten bij e-mail van 9 februari 2018 bericht dat hij op 3 februari 2018 heeft besloten zijn werkzaamheden voor [handelsnaam gedaagde] te beëindigen. Daarbij heeft [eiser] benadrukt dat deze patiënten zich met vragen over hun medisch dossier tot hem kunnen wenden.

2.9.

[gedaagde] heeft bij e-mail van 9 februari 2018 jegens [eiser] nogmaals aanspraak gemaakt op een bedrag van € 200.000,-- vanwege het onrechtmatig toe-eigenen van het klantenbestand. Daarnaast heeft [gedaagde] [eiser] in deze e-mail gesommeerd om een bedrag van € 2.000,-- aan openstaande commissie te voldoen. Na betaling van de beide bedragen kan [eiser] , zo staat in deze e-mail, hetgeen hij nog in de salon te [plaats] heeft staan ophalen.

2.10.

[gedaagde] heeft bij e-mail van 18 februari 2018 onder meer als volgt aan [eiser] bericht:

“Ik sta het niet toe dat je met mijn klantenbestand gaat werken. Ik geef je daarom 2 opties tot en met a.s. maandag 16:00 uur.

Optie 1:

1. Maandag 16:00 uur wordt bij de FIOD aangifte gedaan van belastingfraude. (…)

Er wordt melding gemaakt dat klanten regelmatige gedwongen werden contant af te rekenen. Dit door te zeggen dat het pinapparaat het niet deed. Hierdoor moesten klanten naar een pinapparaat om te kunnen afrekenen.

Er werd nooit een factuur gegeven wanneer klanten contant afrekenden, tenzij hierom gevraagd werd.

We spreken ons vermoeden uit, dat dit op dezelfde wijze gebeurd op de verschillende locaties waar je werkzaam bent.

2. Het NVCG en elk daarbij aangesloten lid, wordt op de hoogte gebracht over frauduleuze handeling met een patiëntendossier. Dit heb je gedaan toen de klant een advocaat in de arm had genomen vanwege complicaties na een behandeling.

(…)

3. Voor bovenstaande 2 punten is een persbericht voor opgesteld die wordt verzonden.

4. Bij het IGZ wordt meteen melding gemaakt van de fraude, met daarbij de naam van desbetreffende persoon.

5. Trosradar, Linkedin, FB. Twitter & op diverse blogs zullen jouw handelingen worden gepost.

6. Op de [Website] is een pagina aangemaakt over deze feiten, welke zal worden geoptimaliseerd op [eiser] & [handelsnaam eiser]

7. Maandag 16:00 uur gaat een mailing de deur uit waarin klanten over dit alles op de hoogte zullen worden gebracht.

(…)

Optie 2:

1. € 200.000 storten op onze rekening voor het onrechtmatig verkregen en commercieel gebruik van ons klantenbestand. Het bewijs van de storting dient aangetoond te worden voor maandag 16:00 uur.

Je bent overeengekomen gebruik te maken van ons klantenbestand.

Dat je voor het werk een patiëntdossier moet bijhouden, wil niet zeggen dat het daardoor jouw klanten zijn geworden.

(…)

2. € 2500,- per maand storten op onze rekening tot einde huurcontract

Vanwege het eenzijdig verbreken van onze overeenkomst missen we dit bedrag per maand aan inkomsten.

(…)

3. € 2000,- storen op onze rekening van de commissie van afgelopen maand die niet is afgedragen

Ik sta niet open voor een ander voorstel, compromis of uitstel. Bedreigingen, advocaat, proces of wat dan ook maken me niets uit. Ongeacht de consequenties laat ik me door niemand op deze wijze behandelen.”

2.11.

Bij brief van 19 februari 2018 heeft [eiser] [gedaagde] erop gewezen dat hij zich met zijn e-mail van 18 februari 2018 schuldig maakt aan afdreiging. Daarnaast heeft [eiser] [gedaagde] gesommeerd om te bevestigen dat hij afziet van de in zijn e-mail van 18 februari 2018 onder optie 1 aangekondigde acties.

2.12.

[gedaagde] heeft [eiser] bij e-mail van 19 februari 2018 als volgt bericht:

“Ik laat hierbij de situatie los en volg mijn eigen pad. Optie 1 & 2 laat ik vervallen. Hierbij scheiden onze wegen. Ik hoop dat je veel geluk hebt met mijn klantenbestand.”

2.13.

Bij e-mail van 26 februari 2018 heeft [gedaagde] aan de klanten van [handelsnaam gedaagde] een nieuwsbrief gezonden met onder meer de volgende inhoud:

“Er komen veel vragen binnen waarom [eiser] niet meer bij ons werkzaam is. We hebben afstand van hem moeten nemen vanwege onderstaande feiten.

[eiser] is onlangs in Spanje gaan wonen en kwam daardoor slechts 1 x per 3 weken naar Nederland. Het gevolg daarvan was dat hij, wanneer er calamiteiten waren of bijvoorbeeld controle nodig was, hij niet aanwezig was om aan zijn zorgplicht te voldoen Dit tegen de regels in van de Inspectie van de Gezondheidszorg.

Ook pleegde hij fraude met een patientdossier, dit na complicatie van een behandeling. Deze fraude is door de advocaat van de cliënt aan het licht gebracht.

Regelmatig hebben cliënten contant moeten afrekenen omdat dokter [eiser] net deed alsof er storing van het pinapparaat was. Hierdoor moesten cliënten eerst naar een pinautomaat om hem te kunnen betalen.

Tot slot geeft hij, buiten ons medeweten om, een derde partij opdracht om gegevens van ons klanten- en emailbestand (waar hij geen toegangsrechten toe heeft) uit onze electronische agenda op te halen om op die manier cliënten achter onze rug om te benaderen. Alhoewel dokter [eiser] als zelfstandig handelend arts werkzaam was, kregen wij om bovenstaande feiten, regelmatig met veel onvrede van cliënten te maken. Dit alles leidde tot het verbreken van het samenwerkingsverband.

Naar aanleiding van onze vorige nieuwsbrief over de Botox & Fillerprijzen van […] , krijgen we veel de vraag of de behandelingen bij ons plaatsvinden. Dit is niet het geval. De behandelingen vinden plaats bij […] in Rotterdam. Tevens zijn er wat foutjes in de nieuwsbrief geslopen die rectificatie behoeven. […] maakt gebruik van Botox en Bocouture (…)

Dokter [eiser] werkt niet met Botox, maar gebruikt een goedkoper merk botuline toxine (Azzalure)”

2.13.1.

[gedaagde] heeft op de website van [handelsnaam gedaagde] een bericht geplaatst van gelijke strekking als die van het artikel in de nieuwsbrief. Op 17 april 2018 heeft [gedaagde] in plaats van voormeld bericht het volgende bericht op de website van [handelsnaam gedaagde] geplaatst:

“Dokter [eiser] is niet meer werkzaam en we hebben besloten geen injectable behandelingen meer aan te bieden.”

2.14.

De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde] bij brief van 27 maart 2018 gesommeerd om de beschuldigingen jegens [eiser] van de website van [handelsnaam gedaagde] te verwijderen en verwijderd te houden alsmede om deze beschuldigingen op de website en via een nieuwsbrief te rectificeren. Tevens heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] gesommeerd om een aan [eiser] in eigendom toebehorende behandelstoel aan [eiser] af te geven.

2.15.

Bij e-mail van 3 april 2018 heeft de advocaat van [eiser] jegens [gedaagde] aanspraak gemaakt op betaling van een voorschot van € 5.000,-- ter zake van de door toedoen van [gedaagde] door [eiser] geleden immateriële schade, die vooralsnog door hem wordt begroot op een bedrag van in totaal € 10.000,--.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te gebieden om de op de door hem beheerde websites aan het adres van [eiser] geuite beschuldigingen verwijderd te houden;

II. [gedaagde] te verbieden om [eiser] publiekelijk te beschuldigen van fraude en het handelen in strijd met de regels van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), tenzij zich nieuwe feiten zullen voordoen die deze beschuldiging rechtvaardigen;

III. [gedaagde] te gebieden om de door hem in de nieuwsbrief van 26 februari 2018 geuite beschuldigingen door middel van het versturen van een nieuwsbrief en door het plaatsen van een tekst op de website [Website] te rectificeren;

IV. [gedaagde] te gebieden om [eiser] binnen twee weken in de gelegenheid te stellen om de behandelstoel op te halen;

V. te bepalen dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt indien hij geen gehoor geeft aan voormelde geboden dan wel voormeld verbod overtreedt;

VI. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een voorschot op immateriële schadevergoeding van € 5.000,--;

VII. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 756,25 aan buitengerechtelijke incassokosten;

VIII. [gedaagde] te veroordelen in de proces- en nakosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – aan dat de door [gedaagde] aan zijn adres gemaakte beschuldigingen een onrechtmatige schending van zijn eer en goede naam opleveren. Volgens [eiser] vinden de beschuldigingen van [gedaagde] , die hem raken in de essentie van zijn beroepsuitoefening, vakbekwaamheid en medische integriteit geen steun in het beschikbare feitenmateriaal. Daarbij wijst [eiser] erop dat hij a) wel degelijk voldoet aan de op hem rustende zorgplicht, b) nooit met een patiëntendossier heeft gefraudeerd, c) geen inferieure middelen heeft gebruikt, d) nooit een storing van het pinapparaat heeft voorgewend om contante betalingen af te dwingen en e) [gedaagde] een onjuiste reden opvoert voor het beëindigen van de samenwerking tussen partijen. Volgens [eiser] beoogt [gedaagde] hem met zijn beschuldigingen in een kwaad daglicht te stellen en is van het door [gedaagde] aan de kaak stellen van een misstand geen sprake. Een en ander is volgens [eiser] uitsluitend ingegeven door zijn weigering om het door [gedaagde] verlangde bedrag van € 200.000,-- en de overige door [gedaagde] verlangde maandelijkse bedragen te betalen. In dat verband wijst [eiser] erop dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan afdreiging door in de onderling gevoerde correspondentie over onder meer de betaling van voornoemd bedrag reeds met de thans gevoerde smaad- en lastercampagne te dreigen. Nu de geuite beschuldigingen jegens hem onrechtmatig zijn, stelt [eiser] een spoedeisend belang te hebben bij zijn vorderingen, die strekken tot het verwijderd houden en rectificeren van deze beschuldigingen. Daarnaast stelt [eiser] dat hij als gevolg van de beschuldigingen behoudens materiële schade ook reputatieschade lijdt en dat hij om die reden thans recht heeft op een voorschot op immateriële schadevergoeding van € 5.000,--. Voorts stelt [eiser] recht en belang te hebben bij het herkrijgen van de beschikking over zijn behandelstoel, die [gedaagde] zonder gegronde reden weigert af te geven.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] komt in deze procedure op tegen door [gedaagde] publiekelijk gedane uitlatingen betreffende zijn persoon. [gedaagde] heeft ten verwere in de eerste plaats betoogd dat het [eiser] ontbreekt aan een spoedeisend belang, nu de aanvankelijk de op de website van [handelsnaam gedaagde] geplaatste mededeling reeds op 17 april 2018 is verwijderd. Dit betoog faalt reeds vanwege het feit dat [gedaagde] bedoelde uitlatingen niet alleen via de website van [handelsnaam gedaagde] heeft gedaan maar ook via het versturen van een nieuwsbrief. Bovendien heeft [eiser] terecht opgemerkt dat bedoelde uitlatingen gedurende een periode van twee maanden op de website zichtbaar zijn geweest, met voor hem schadelijke effecten als gevolg. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] dan ook een voldoende spoedeisend belang bij zijn vorderingen, die ertoe strekken de schadelijke gevolgen van die uitlatingen zoveel mogelijk ongedaan te maken.

4.2.

In het geschil tussen partijen staan tegenover elkaar het grondwettelijk en verdragsrechtelijk verankerde recht van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting (artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM) en het recht van [eiser] op eerbiediging van de eer en goede naam door niet op lichtzinnige wijze te worden blootgesteld aan ernstige verdachtmakingen en beschuldigingen die gebaseerd zijn op onjuiste dan wel onvolledige feiten of suggesties (artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM). Indien de vorderingen van [eiser] zouden worden toegewezen, zou dit een beperking inhouden van voornoemd grondrecht van [gedaagde] . Dit recht kan slechts worden beperkt, indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (zie artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, indien de gewraakte uitlatingen onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de beantwoording van de vraag aan welke van de in het geding zijnde rechten voorrang moet worden gegeven (en daarmee tevens de beantwoording van de vraag of de uitlatingen van [gedaagde] onrechtmatig zijn) komt het aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij zijn onder meer relevant (i) de aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen door degene op wie die uitlatingen betrekking hebben, (ii) de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die aan de kaak wordt gesteld, (iii) de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het destijds beschikbare feitenmateriaal, (iv) de totstandkoming en inkleding van de uitlatingen, (v) het gezag dat het medium waarop de uitlatingen zijn gepubliceerd geniet en (vi) de maatschappelijke positie van de betrokken persoon. Genoemde omstandigheden wegen niet alle even zwaar. Welke omstandigheden van toepassing zijn en welk gewicht daaraan moet worden gehecht, hangt af van het concrete geval.

4.3.

In de onderhavige procedure is sprake van aan het adres van een cosmetisch arts gemaakte verwijten. Gelet op de afbreuk die het publiekelijk maken van deze verwijten ontegenzeggelijk doet aan de reputatie van een arts, is de voorzieningenrechter met [eiser] van oordeel dat zware eisen mogen worden gesteld aan de mate waarin deze verwijten steun vinden in het destijds beschikbare feitenmateriaal. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter vinden de door [gedaagde] gemaakte verwijten geen dan wel onvoldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal.

4.3.1.

[gedaagde] verwijt [eiser] in de eerste plaats dat hij door zijn regelmatig verblijf in Spanje niet kan voldoen aan de krachtens regels van de IGJ op hem rustende zorgplicht. De voorzieningenrechter constateert dat [gedaagde] ook in deze procedure niet heeft toegelicht welke regels [eiser] in zijn visie precies heeft geschonden. Daar komt bij dat [eiser] gemotiveerd heeft weersproken dat hij een op hem rustende zorgplicht heeft geschonden. [eiser] stelt nog steeds op vaste dagen werkzaam te zijn op diverse locaties in Nederland, waardoor de continuïteit van de hulpverlening is verzekerd. Daarnaast stelt [eiser] 24 uur per dag bereikbaar te zijn, ook wanneer hij in Spanje verblijft. Bovendien zijn volgens [eiser] uitgebreide protocollen opgesteld op grond waarvan patiënten die een cosmetisch arts willen bezoeken tijdens zijn verblijf in Spanje, terecht kunnen bij een collega of waarnemer. Gelet op deze betwisting en de verwijzing door [eiser] naar de voor hem positieve resultaten van een steekproef van de IGJ en een periodiek onderzoek van de Nederlandse Vereniging van Cosmetische Geneeskunde (NVCG), is in deze procedure onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [eiser] zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan een schending van een op hem rustende zorgplicht. Bovendien is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het op de weg van [gedaagde] had gelegen om bij een door hem geconstateerde schending door [eiser] van een zorgplicht, hiervan melding te maken bij de IGJ, waarna de IGJ een onderzoek had kunnen instellen. [gedaagde] heeft echter deze weg niet bewandeld en ervoor gekozen om zijn bevindingen via een nieuwsbrief en de website van [handelsnaam gedaagde] met bestaande en potentiële klanten te delen, met alle gevolgen voor [eiser] van dien.

4.3.2.

Vervolgens is aan de orde het door [eiser] weersproken verwijt van [gedaagde] dat [eiser] fraude heeft gepleegd met een patiëntendossier, zulks naar aanleiding van opgetreden complicaties na een behandeling. [gedaagde] heeft in deze procedure ter onderbouwing van dit verwijt gesteld dat hij contact heeft gehad met een gedupeerde patiënt en dat deze patiënt de bewuste fraude mondeling aan hem heeft bevestigd. [gedaagde] heeft een e-mail overgelegd waarin hij de desbetreffende patiënt verzoekt om haar verklaring schriftelijk te bevestigen. Daarnaast heeft [gedaagde] verwezen naar twee brieven, waarbij [handelsnaam gedaagde] aansprakelijk is gesteld voor letsel dat is ontstaan als gevolg van door [eiser] uitgevoerde gezichtsbehandelingen. Met [eiser] is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de gestelde fraude in deze procedure door [gedaagde] onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Niet gebleken is immers van het bestaan van de door [gedaagde] verlangde schriftelijke patiëntverklaring, waaruit de gestelde fraude kan worden afgeleid, terwijl uit de overgelegde aansprakelijkstellingen slechts blijkt van twee niet goed verlopen gezichtsbehandelingen, die door [eiser] ook als zodanig zijn erkend en waarbij met de desbetreffende patiënten een oplossing in der minne is bereikt. Indien [gedaagde] daadwerkelijk bekend zou zijn geworden met frauduleus handelen van [eiser] in patiëntendossiers, had het ook ten aanzien van dit handelen op zijn weg gelegen om hiervan bij de daartoe geëigende instanties melding te maken en de uitkomsten van een onderzoek door die instanties af te wachten alvorens de door hem geuite fraudebeschuldiging publiekelijk te uiten. [gedaagde] heeft dit echter ook ten aanzien van deze beschuldiging nagelaten, hetgeen zijn betoog niet geloofwaardiger maakt.

4.3.3.

Dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan boekhoudkundige fraude door patiënten onder het voorwenden van een pinstoring tot contante betalingen te dwingen, is evenmin aannemelijk geworden. Uit de door [gedaagde] ter onderbouwing van deze beschuldiging overgelegde verklaring van een bij [handelsnaam gedaagde] als zelfstandige werkzame nagelstyliste en de overgelegde facturen blijkt weliswaar dat door patiënten van [eiser] contant werd afgerekend, hetgeen als zodanig niet door [eiser] wordt betwist, maar niet dat [eiser] zulks afdwong door middel van het fingeren van een pinstoring. Volgens [eiser] is het in de cosmetische wereld gebruikelijk dat behandelingen contant worden afgerekend. Dit gebeurt volgens [eiser] op uitdrukkelijk verzoek van de patiënten, die een behandeling graag zoveel mogelijk privé houden, hetgeen als zodanig niet door [gedaagde] is weersproken.

4.4.

Nu de hiervoor besproken verwijten geen dan wel onvoldoende steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal, is in zoverre niet gebleken van misstanden die het door [gedaagde] verzenden van de bewuste nieuwsbrief en het plaatsen van het bericht over [eiser] op de website van [handelsnaam gedaagde] kunnen rechtvaardigen. Het heeft er veeleer alle schijn van dat het verzenden van de nieuwsbrief en het plaatsen van het bericht op de website van [handelsnaam gedaagde] een uitvloeisel zijn van de tussen partijen spelende zakelijke discussie of [eiser] zich op onrechtmatige wijze gegevens van klanten van [handelsnaam gedaagde] heeft toegeëigend. [gedaagde] heeft in het kader van deze discussie, die in het beperkte bestek van deze kortgedingprocedure niet kan en evenmin behoeft te worden beslecht, herhaaldelijk aanspraak gemaakt op betaling door [eiser] van een bedrag van € 200.000,-- voor het overnemen van het klantenbestand van [handelsnaam gedaagde] , hetgeen [eiser] heeft geweigerd. Om betaling van dit bedrag af te dwingen, heeft [gedaagde] in zijn e-mail van 18 februari 2018 gedreigd met het publiekelijk uiten van de hiervoor besproken beschuldigingen indien betaling uitblijft. Toen betaling uitbleef, heeft [gedaagde] zijn dreigement ook daadwerkelijk uitgevoerd, zulks – naar bij gebreke van gebleken gegrondheid van de gemaakte verwijten moet worden aangenomen – uitsluitend met het doel om [eiser] als arts te schaden. Immers, niet valt in te zien waarom [gedaagde] bij het informeren van patiënten over het vertrek van [eiser] niet had kunnen volstaan met een mededeling in meer neutrale bewoordingen, die de professionele integriteit van [eiser] ongemoeid laat.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat thans voldoende aannemelijk is dat een bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de in de nieuwsbrief en op de website van [handelsnaam gedaagde] aan het adres van [eiser] geuite en – naar hiervoor is gebleken – onvoldoende gefundeerde beschuldigingen een ongeoorloofde inbreuk opleveren op de persoonlijke levenssfeer en de eer en goede naam van [eiser] en dat aldus sprake is van onrechtmatig handelen van [gedaagde] . Vanwege de vergaande implicaties die het onrechtmatig handelen van [gedaagde] voor [eiser] als arts heeft, bestaat aanleiding tot het treffen van voorzieningen in dit kort geding. Hoewel [gedaagde] de bewuste mededeling inmiddels van de website van [handelsnaam gedaagde] heeft verwijderd, heeft [eiser] – zoals hij terecht stelt – voldoende belang bij een veroordeling om deze mededeling van die website en alle overige door [gedaagde] beheerde websites en andere media verwijderd te houden. Daarnaast bestaat aanleiding om [gedaagde] te verbieden om [eiser] opnieuw publiekelijk te beschuldigen van fraude en van het handelen in strijd met regels van de IGJ, tenzij zich nieuwe feiten voordoen die deze beschuldigingen kunnen rechtvaardigen. Tevens is toewijsbaar de vordering tot rectificatie middels het verzenden van een nieuwsbrief en het plaatsen van een mededeling op de website van [handelsnaam gedaagde] met de inhoud als hieronder vermeld. Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot naleving van het voorgaande, is aangewezen. De ter zake gevorderde dwangsom zal worden gematigd.

4.6.

De vordering tot teruggave van de behandelstoel zal worden afgewezen. [gedaagde] heeft zich ter zake beroepen op een retentierecht in verband met een volgens hem opeisbare vordering op [eiser] van € 2.000,-- wegens niet betaalde commissie. Hoewel [eiser] de verschuldigdheid van dit bedrag als zodanig niet heeft weersproken, stelt hij dit bedrag te hebben verrekend met andere bedragen die hem nog van [gedaagde] toekwamen, hetgeen [gedaagde] op zijn beurt weer heeft weersproken. In het beperkte bestek van deze kortgedingprocedure, waarin nader feitenonderzoek en bewijslevering niet aan de orde zijn, kan niet worden vastgesteld wie van partijen thans nog een vordering op zijn wederpartij heeft, zodat niet kan worden uitgesloten dat [gedaagde] zich jegens [eiser] op een retentierecht kan beroepen. Hoewel de vordering tot teruggave niet toewijsbaar is, geeft de voorzieningenrechter [gedaagde] niettemin in overweging om de behandelstoel aan [eiser] terug te geven, bijvoorbeeld tegen zekerheidsstelling door [eiser] voor het door [gedaagde] geclaimde bedrag van € 2.000,--. Naar het zich thans laat aanzien, zal na deze kortgedingprocedure mogelijk nog een bodemprocedure gevoerd gaan worden, zodat partijen in juridisch opzicht nog lang niet van elkaar af zijn. In de tussenliggende periode zal [eiser] bij handhaving van het retentierecht niet kunnen beschikken over zijn behandelstoel, terwijl niet is gebleken dat [gedaagde] in zijn praktijk van deze stoel gebruik maakt.

4.7.

Voor een veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een voorschot op immateriële schadevergoeding bestaat geen grond, nu [eiser] niet heeft doen blijken van een voldoende spoedeisend belang bij toewijzing van dit voorschot.

4.8.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten komen evenmin voor toewijzing in aanmerking. Uit de door [eiser] overgelegde stukken is onvoldoende aannemelijk geworden dat werkzaamheden zijn verricht die niet vallen onder de werkzaamheden waarvoor de artikelen 237 tot en met 241 Rv een vergoeding plegen in te sluiten.

4.9.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente indien betaling binnen veertien dagen na datum van dit vonnis uitblijft. Voor een veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

gebiedt [gedaagde] om de op 17 april 2018 van de website van [handelsnaam gedaagde] verwijderde beschuldigingen aan het adres van [eiser] zowel van deze website en als van alle andere door hem beheerde websites en sociale media verwijderd te houden;

5.2.

verbiedt [gedaagde] om [eiser] opnieuw publiekelijk te beschuldigen van fraude en het handelen in strijd met regels van de IGJ, tenzij zich nieuwe feiten voordoen die deze beschuldigingen kunnen rechtvaardigen;

5.3.

gebiedt [gedaagde] om binnen drie werkdagen na de betekening van dit vonnis een nieuwsbrief te versturen aan alle personen die de nieuwsbrief van 26 februari 2018 hebben ontvangen, met uitzondering van de personen die nadien schriftelijk hebben aangegeven geen nieuwsbrief meer te willen ontvangen, met hierin, zonder weglatingen, aanvullingen of commentaar in een rechthoekig kader de navolgende rectificatietekst (in hetzelfde lettertype en met dezelfde lettergrootte als de in de nieuwsbrief van 26 februari 2018 opgenomen tekst):

Rectificatie

Op 26 februari 2018 hebben wij een nieuwsbrief naar u gestuurd waarin wij ernstige beschuldigingen hebben geuit jegens cosmetisch arts, dr. [eiser] van [handelsnaam eiser] . In het artikel werd dr. [eiser] onder meer beschuldigd van fraude en het niet voldoen aan de medische regels. Deze beschuldigingen hebben echter onvoldoende feitelijke basis. Wij hadden daarom niet tot het uiten van deze beschuldigingen moeten/mogen overgaan. De voorzieningenrechter te Den Haag heeft ons op straffe van verbeurte van een dwangsom verplicht deze rectificatie te plaatsen.

[gedaagde] , directeur [handelsnaam gedaagde] ”

5.4.

gebiedt [gedaagde] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de navolgende rectificatietekst zonder weglatingen, aanvullingen of commentaar op de pagina ‘cosmetisch arts’ van de website van [handelsnaam gedaagde] ( [Website] ) te plaatsen en gedurende 30 dagen geplaatst te houden (in hetzelfde lettertype en met dezelfde lettergrootte als de aanvankelijk op de website geplaatste tekst);

Rectificatie

Op 26 februari 2018 is op deze pagina een stuk geplaatst waarin wij ernstige beschuldigingen hebben geuit jegens cosmetisch arts, dr. [eiser] van [handelsnaam eiser] . Dr. [eiser] werd hierin onder meer beschuldigd van fraude en het niet voldoen aan de medische regels. Deze beschuldigingen hebben echter onvoldoende feitelijke basis. Wij hadden daarom niet tot het uiten van deze beschuldigingen moeten/mogen overgaan. De voorzieningenrechter te Den Haag heeft ons op straffe van verbeurte van een dwangsom verplicht deze rectificatie te plaatsen.

[gedaagde] , directeur [handelsnaam gedaagde] ”

5.5.

bepaalt dat [gedaagde] bij niet naleving van de hiervoor genoemde geboden en bij overtreding van het hiervoor bedoelde verbod een dwangsom verbeurt van € 500,-- per dag dat niet aan bedoelde geboden wordt voldaan en/of bedoeld verbod wordt overtreden, zulks met een maximum van in totaal € 50.000,--;

5.6.

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan [eiser] te betalen, tot dusverre aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.974,91, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat, € 895,-- aan griffierecht en € 99,91 aan dagvaardingskosten, in voorkomende gevallen te vermeerderen met btw;

5.7.

bepaalt dat [gedaagde] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2018.

mw