Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:5797

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
20-06-2018
Zaaknummer
6669015 RL EXPL 18-3630
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Verzet
Inhoudsindicatie

Treintje rijden in parkeergarage. Kentekenhouder wordt vermoed bestuurder te zijn. Vermoeden niet ontkracht. Aansprakelijkheid kentekenhouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

dd

Zaak-/rolnr.: 6669015 RL EXPL 18-3630

22 mei 2018

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[opposant] ,
wonende te [woonplaats] ,
opposant,
gemachtigde: mr. D.M. Penn,


tegen

Q-Park Operations Netherlands II B.V.,

gevestigd te Maastricht,
geopposeerde,
gemachtigde: mr. Ch.F.P.M. Spreksel .

Partijen zullen hierna worden aangeduid als “ [opposant] ” en “Q-Park”.

1 Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

 de inleidende dagvaarding van 20 november 2017;

 het verstekvonnis;

 de dagvaarding in het verzet;

 de door Q-Park gedeponeerde DVD met beeldmateriaal;

 de in het geding gebrachte producties.

Op 17 april 2018 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Namens [opposant] is de gemachtigde verschenen. Namens de gemachtigde van Q-Park is mr. J.A. Koster verschenen, die ter zitting het gedeponeerde beeldmateriaal heeft getoond op zijn laptop. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 Feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:

2.1

Q-Park exploiteert en beheert (onder meer) de parkeeraccommodatie Grote Markt te Den Haag (hierna: de parkeergarage), gelegen aan de Kalvermarkt 3G te Den Haag.

2.2

Met het in de parkeergarage aanwezige parkeermanagementsysteem en de aanwezige camera’s van Q-Park is geregistreerd dat met het voertuig met kenteken [kenteken] (hierna: de auto), waarvan [opposant] de kentekenhouder is, gebruik is gemaakt van de parkeergarage en dat daarbij op 26 januari 2017 te 21:50 uur met de auto is uitgereden door bumper klevend achter een voorganger onder de slagboom bij de uitritterminal uit te rijden (zogenaamd ‘treintje rijden’), waarbij de slagboom is geraakt.

2.3

In verband met het voorgaande heeft Q-Park in de inleidende dagvaarding gevorderd – kort weergegeven – [opposant] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.148,85, met rente en proceskosten.

2.4

Daaraan heeft Q-Park – kort weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd:

Met het binnenrijden van de parkeergarage is een overeenkomst tot stand is gekomen tussen Q-Park en [opposant] . Op grond van die overeenkomst mocht [opposant] de parkeergarage gebruiken tegen betaling van de bij de ingang vermelde tarieven. Bij de ingang is tevens vermeld dat op het gebruik van de parkeergarage de door Q-Park gehanteerde algemene voorwaarden van toepassing zijn, met daarbij de wijze waarop deze algemene voorwaarden zijn op te vragen, zodat die algemene voorwaarden van toepassing zijn. Door de parkeergarage in strijd met de overeenkomst en onrechtmatig uit te rijden zonder een geldige parkeerkaart, oftewel door al ‘treintje rijdend’ uit te rijden zonder te betalen, is [opposant] op grond van de algemene voorwaarden het ‘tarief verloren kaart’ van € 60,00 verschuldigd geworden, alsmede een bedrag van € 300,00 aan aanvullende schadevergoeding en een bedrag van € 639,00 wegens schade aan de slagboom. Daarnaast maakt Q-Park aanspraak op een bedrag van € 149,85 exclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten

2.5

Bij verstekvonnis van de kantonrechter te Den Haag van 2 januari 2018, bij deze rechtbank bekend onder 6485803/17-29027 (hierna: het verstekvonnis), is de vordering van Q-Park toegewezen en is [opposant] veroordeeld – kort weergegeven – tot betaling aan

Q-Park van een bedrag van € 1.148,85, met wettelijke rente en proceskosten begroot op

€ 653,51.

2.6

[opposant] is tijdig in verzet gekomen tegen het verstekvonnis.

3 Geschil

3.1

[opposant] vordert in verzet hem te ontheffen van de in het verstekvonnis tegen hem uitgesproken veroordeling, met veroordeling van Q-Park in de kosten van de verzetprocedure.

3.2

[opposant] voert hiertoe aan – kort weergegeven – dat hij niet de parkeerder is geweest die heeft ‘treintje gereden’; hij had de auto op de bewuste dag uitgeleend. Aan wie dat is geweest kan [opposant] zich niet herinneren, omdat hij zijn auto regelmatig uitleent. Uit de toepasselijke algemene voorwaarden volgt ook niet dat kan worden aangenomen dat de eigenaar de parkeerder is. Bovendien is de gestelde schade niet aangetoond en blijkt nergens uit dat er daadwerkelijk schade is veroorzaakt aan de slagboom.

3.3

Q-Park voert gemotiveerd verweer in verzet. Op de stellingen van partijen zal in het navolgende – voor zover relevant – nader worden ingegaan.

4 Beoordeling

4.1

De kantonrechter oordeelt op grond van de beschikbare videobeelden dat buiten twijfel is dat er is ‘treintje gereden’ en dat daarbij schade aan de slagboom is veroorzaakt. [opposant] voert aan hiervoor niet aansprakelijk te zijn, omdat hij slechts de eigenaar/kentekenhouder van de auto is en op de bewuste dag niet de parkeerder was.

4.2

De kantonrechter overweegt dat er geen wettelijke basis is om de kentekenhouder zonder meer als contractspartij van Q-Park aan te merken. De Wegenverkeerswet biedt daartoe geen aanknopingspunten. De enkele omstandigheid dat een parkeergarage in de rechtspraak als een openbare weg in de zin van de Wegenverkeerswet wordt aangemerkt, leidt er evenmin toe dat [opposant] daarom als kentekenhouder aansprakelijk is voor de een civielrechtelijke vordering van de exploitant van de parkeergarage. De kentekenhouder is immers niet zonder meer aan te merken als contractspartij. Ook de algemene voorwaarden van Q-Park bieden geen basis om de kentekenhouder zondermeer als contractspartij aan te merken, omdat daarin staat dat de parkeerder (degene die het voertuig in of op de parkeerfaciliteit brengt) een bedrag aan parkeergeld verschuldigd is en daarmee contractspartij is. Wel kan uit de registratie als kentekenhouder naar het oordeel van de kantonrechter een vermoeden worden afgeleid dat de eigenaar van het kenteken ook de bestuurder van de auto is. Het ligt dan op de weg van [opposant] om dat vermoeden te weerleggen.

4.3

Het door [opposant] gevoerde verweer, dat een vriend in de parkeergarage heeft geparkeerd, is daartoe ontoereikend. Dit verweer is door hem niet onderbouwd, terwijl dit wel van hem had mogen worden verwacht. Het had – zeker nu Q-Park camerabeelden waarop de inzittenden van de auto zichtbaar zijn in het geding heeft gebracht – op zijn weg gelegen om ter comparitie te verschijnen, zodat had kunnen worden gecontroleerd of [opposant] een van de inzittenden was. [opposant] is echter zonder opgaaf van redenen niet ter zitting verschenen en heeft ook nagelaten om bijvoorbeeld een kopie van zijn identiteitsbewijs of van een ander document waarop een duidelijke foto van hemzelf zichtbaar is aan zijn gemachtigde mee te geven. Bovendien had [opposant] bij verschijning ter zitting de bestuurder kunnen herkennen en de naam van de bestuurder kunnen doorgeven aan Q-Park, zodat Q-Park in de gelegenheid zou zijn om de bestuurder aan te spreken. Het verweer van [opposant] wordt daarom verworpen als onvoldoende onderbouwd en [opposant] heeft het vermoeden dat hij de bestuurder is geweest dan ook onvoldoende weerlegt.

4.4

Aldus staat als onvoldoende weersproken vast dat [opposant] de parkeerder (en dus de contractspartij van Q-Park) is geweest en dat hij heeft ‘treintje gereden’. Ingevolge de door Q-Park gehanteerde algemene voorwaarden, waarvan de toepasselijkheid niet is betwist door [opposant] , kan Q-Park in zo’n geval aanspraak maken op vergoeding van het voor de betreffende garage geldende ‘tarief verloren kaart’. Niet weersproken is dat dit in dit geval een bedrag van € 60,00 is. De kantonrechter is van oordeel dat het in rekening brengen van dat bedrag in de gegeven omstandigheden niet onredelijk is. Daarbij geldt dat het in rekening brengen van dat bedrag ook gerechtvaardigd is, juist om te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van de parkeergarage. Het door Q-Park gevorderde bedrag van € 60,00 is dan ook toewijsbaar.

4.5

Q-Park heeft in de inleidende dagvaarding onweersproken gesteld dat zij als gevolg van misbruik van haar parkeergarages door parkeerders die door middel van het ‘treintje rijden’ de garages zonder te betalen verlaten schade lijdt. Q-Park lijdt verlies aan inkomsten en daarnaast dient zij bijkomende maatregelen te nemen om de veiligheid van andere gebruikers van haar garages en/of overige verkeersdeelnemers te waarborgen. Mede door het gedrag van [opposant] lijdt Q-Park dan ook (aanvullende) schade. Het door Q-Park ter zake op een bedrag van € 300,00 gefixeerde schadebedrag is niet ongebruikelijk en komt de kantonrechter in de gegeven omstandigheden niet bovenmatig voor. Ook de gevorderde schadevergoeding van € 300,00 is daarom toewijsbaar.

4.6

Op het beschikbare videomateriaal is duidelijk te zien dat de slagboom vol door de auto van [opposant] wordt geraakt en weliswaar niet afbreekt, maar wel dusdanig afbuigt dat aannemelijk is dat deze (tenminste) zeer fors is beschadigd. Daarmee staat voldoende vast dat Q-Park schade aan de slagboom heeft geleden. Vanwege het ‘treintje rijden’ en op grond van het voorgaande is [opposant] hiervoor aansprakelijk. Q-Park vordert hiervoor een bedrag aan schadevergoeding van € 639,00. Dit bedrag komt de kantonrechter ook zonder een inkoop- of herstelfactuur, die Q-Park stelt niet te kunnen overleggen voor een individuele slagboom vanwege inkoop in bulk, niet bovenmatig voor. Dit betekent dat ook het gevorderde bedrag van € 639,00 toewijsbaar is.

4.7

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente zijn als niet zelfstandig weersproken en op de wet gegrond toewijsbaar zoals gevorderd.

4.8

Nu in het voorgaande is geoordeeld dat alle onderdelen van de oorspronkelijke vordering van Q-Park onverkort toewijsbaar zijn, bestaat geen aanleiding [opposant] te ontheffen van de in het verstekvonnis tegen hem uitgesproken veroordeling. De vordering van [opposant] zal dan ook worden afgewezen en het verstekvonnis zal worden bekrachtigd.

4.9

[opposant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Daarbij wordt voorbijgegaan aan de stelling van [opposant] dat hij gedwongen is geweest om verweer te voeren en daarmee om kosten te maken, omdat Q-Park de gevorderde schade in de inleidende dagvaarding en na de verzet dagvaarding onvoldoende duidelijk heeft onderbouwd. De kantonrechter deelt dat standpunt niet. Bovendien is [opposant] , zo volgt uit de gedingstukken, voorafgaand aan het uitbrengen van de inleidende dagvaarding aangemaand door Q-Park. Niet betwist is dat [opposant] deze aanmaningen heeft ontvangen. Voor zover de vordering hem onduidelijk was, had het op zijn weg gelegen om hierover contact met Q-Park op te nemen. Gesteld noch gebleken is evenwel dat [opposant] hiertoe enige actie heeft ondernomen. Hetzelfde geldt inzake de inleidende dagvaarding: ook hierna is van enige actie van de zijde van [opposant] in de richting van Q-Park niets gesteld of gebleken.

5 Beslissing

De kantonrechter:

5.1

wijst de vordering af en bekrachtigt het verstekvonnis;

5.2

veroordeelt [opposant] in de kosten van deze procedure, welke tot op heden aan de zijde van Q-Park worden vastgesteld op € 100,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.L.M. Luiten en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2018.